Staat en Maatschappij.
De verroomsching.
Er wordt in den laatsten tijd heel wat gesproken en geschreven over een verschijnsel, dat zich bijzonder sinds den oorlog zou voordoen, n.l. de verroomsching van de wereld,
In hoeverre de beweging ook haar invloed op ons volk uitoefent, valt bij gebrek aan gegevens moeilijk aan te wijzen.
Wel zijn er gevallen te noemen van personen, die van het Protestantisme overgingen naar Rome, maar ook omgekeerd is het bekend, dat er niet weinig gevallen zijn, waarin Roomsch Katholieken hun Kerk verlieten om zich als Proestant te laten inschrijven.
Op welke wijze nu ons volk is te bewaren voor den Roomschen zuurdeesem is gemakkelijker gezegd, dan in werkelijkheid aangewezen.
Een weg, zooals onlangs de Evangelische Maatschappij in hare vergadering aangaf om tegen de aanmatigingen van Rome een motie aan te nemen, die, zooals het verluidt, gezonden zal worden naar de Classicale Vergaderingen van de Hervormde Kerk, geeft natuurlijk niets.
Evenmin zal het iets baten, wat de Christelijk Historische Unie wil, om tegenover Rome het Protestantsch Christelijk beginsel van ons volk te stellen, een zaak, die op zichzelf uitnemend is, maar die meer het karakter draagt van getuigen dan van een krachtig optreden.
Is het inderdaad juist, dat er van verroomsching van ons volk sprake is, dan kan het daarvoor niet behoed worden door een anti-papistische beweging op het getouw te zetten, maar dan moet er iets geheel anders gebeuren.
In de eerste plaats zal moeten gebroken worden met al wat er naar zweemt, om, gelijik vele ethischen dat zoo gaarne willen, ons volk te brengen onder de bekoring van eene religie, die beheerscht wordt door het gevoel, van een godsdienst van, wat men noemt „stille stonden", waarbij het kerkgebouw zoowel op den Zondag als in de week geopend is, en de dienst voor een niet onbelangrijk gedeelte ingenomen wordt door een liturgisch program van welks uitvoering voor de gemeente veel heil wordt verwacht. Precies zooals dit in den Roomschen eeredienst is.
Zulke dingen werken de verroomsching van ons volk maar in de hand.
En in de tweede plaats stelle men tegenover de leer van Rome met haar vrijen wil en goede weken principiëel de predikng van het Woord Gods naar de belijdenisschriften der Gereformeerde vaderen.
De Protestant toone Rome den Christen te zijn in woord en in wandel, in belijdenis en leven. En komt er dan bij de Protestanten ook die offervaardigheid, die noodig is om zijn beginsel te beleven, dan is daarin de groote kracht verkregen tegen de verroomsching van ons volk.
De ........... van Rome
De vorige week is dr. P.J. Kromsigt artikelenreeks aangevangen onder het opschrift : „Hoe Rome wies in Nederland."
In het eerste artikel wordt ons medegedeeld, dat uit de heele geschiedenis der 19de eeuw ten duidelijkste blijkt, hoe Rome haar glorie vooral te danken heeft aan de opzijzetting van artikel 36 van de belijdenis.
Deze opzijzetting zou, naar de Amsterdamsche predikant betoogt, mede 't gevolg zijn van den strijd, waaraan ook de Christelijk Historischen deelnemen, voor de rechtsgelijkheid voor „De Vrije School."
Dit wordt dan nader zoo verklaard, dat waar het aanvankelijk ging om een school met den Bijbel, het later werd : de leuze van „de Vrije School"
Zoo werd de strijd een strijd om financiëele rechtsgelijkheid (inplaats van „restitutie", zooals men eerst wilde), n.l. restitutie van wat een Bijzondere School kostte, waardoor Rome veel minder dan nu zou hebben gekregen), waarbij tenslotte aan Rome de rijkere buit toeviel (immers voor de kloosterbroeders en de nonnen behoeft Rome veel minder geld dan het nu ontvangene ; het meerdere kan nu ten goede komen aan de Kerk).
Aan deze uiteenzetting ontbreekt o.i. wel eenigszins de duidelijkheid. Want waarom Rome hier de rijkere buit toevalt, is ons niet helder.
Misschien kan dit bij gelegenheid wel eens door een voorbeeld worden aangetoond.
Waarin wij altijd zagen, dat Rome de zijde spon was bij wat de Confessioneelen voorstaan ten opzichte van de uitvoering van het 2de lid van artikel 171 der Grondwet,
Daarbij krijgt de Roomsche Kerk altijd het volle pond.
De practijk toch leert, en dit was zoo, toen de R.K. mr. Kolkman Minister van Financiën was, als tegenwoordig, nu de Christelijk Historische mr. de Geer de portefeuille in handen heeft, dat wanneer een nieuw tractement aan de Hervormde, of aan de Luthersohe, of aan de Remonstrantsche Kerk wordt toegelegd, Rome in ieder van deze gevallen zich een tractement ziet toegekend ten behoeve van een zijner priesters.
Zoo werken de voorstanders van uitbreiding van het beginsel, neergelegd in het 2de lid van artikel 171 der Grondwet, aan de vermeerdering mede van het aantal priesters in de R.K. Kerk,
Het vasthouden aan artikel 36 van de belijdenis leidt dientengevolge hier tot glorie van Rome.
De weg tot den heilstaat.
IV. (Slot).
Noch voor God, noch voor Christus is er in het socialistisch stelsel plaats. „Onze beweging", — zoo schreef F. van der Goes (Nieuwe Tijd, 1902, Nov. aflev.) — , is godsdienstloos en verkondigt, luid en doordringend, als de torenklok over de stad, over de geheele wereld dit haar karakter" ; wat overeenkomt met het woord van Liebknecht : „Het Christendom is het spook van het verledene, het socialisme is de eisch van het tegenwoordige, de vervulling der toekomst.
Geen wonder, dat dan degenen die nog Christen willen zijn in het midden van de socialistische beweging, zooals die zich èn hier èn in het buitenland aan ons oog voordoet, uitgelachen worden, als menschen die een spook willen vast houden en een stroopop willen blijven koesteren.
Voor uw God; o Christen, is in ons huis geen plaats, roept de ras-echte sociaal democraat ; of zooals mr. Troelstra schreef (in zijn brochure „Theorie en Beweging" pag. 29) : „de arbeider, die vóór alles hangt aan zijn geloof, zal zich in onze beweging niet thuis gevoelen", hij zal moeten leeren „het versleten pak van de antieke wereldbeschouwing en heel het godsdienstig denken weg te werpen en los te laten." (Zie ook „Het Volk" van 19 Nov. 1900).
't Is zooals Jozef Dietzgen in zijn „Het Evangelie der Sociaal-democratie" (zes reeken, vertaald door den propagandist Jos. Loopuit) zegt : „Socialisme en Christendom, ze zijn beide even verschillend als dag en nacht."
't Blijkt telkens, dat er nog menschen zijn die van de Christelijke religie niet los zich voelen en die toch zich willen voegen bij de Sociaal Democratische Arbeiderspartij, die den klassenstrijd als locomotief spant voor den wagen, die de menschheid zal voeren naar het „herwonnen Paradijs", waar het privaat bezit zal vervangen zijn door het gemeenschappelijk bezit en de concurrentie-productie zal zijn geworden, gemeenschappelijke voortbrenging, met gemeenschappelijke verdeeling. En als ze dan vragen: maar waar blijft onze godsdienst ? gelijk nu weer in het „Wetenschappelijk Bijblad" van „Het Volk", dan willen we dat gedeeltelijk overnemen.
Wrevelig antwoordt een inzender : Ik geloof niet ! Basta !
Al 't gepeuter aan m'n ziel, om te ontdekken of er hier of daar een gevoelig plekje zit, dat toch op den een of anderen stroom van godsdienst reageert, maakt me wee."
En verder :
„Als onze beweging werkelijk een cultuurfactor is, als onze menschen meer zijn geworden dan goede sprekers, pakkende schrijvers, beste thuisbezoekers en ijverige verspreiders ; als onze jongeren hun tijd en hun geld niet meer verspillen aan kroeg, bioscoop en Nick Carters; als we eindelijk werkelijk cultuur in ons hart en in ons hoofd hebben — och, dan zal gebrek aan godsdienst niet meer noodlottig voor de beschaving zijn ; omdat de beschaving niet staat of valt met den godsdienst ; omdat een rijk, bewust, offervaardig en liefdevol leven voor vele individuen ook mogelijk is zonder godsdienst ; omdat de godsdienst maar één facet is van één soort, op bepaalde wijs geslepen zielen.
De liefde voor het geloof in 't socialisme echter hebben alle roode zielen gemeen."
Weer dus hetzelfde. Gematigd nogal. Maar toch 't zelfde : den godsdienst kan men wel missen als men het socialisme maar heeft, en die nog godsdienstige aspiraties en verlangens heeft, is nog geen goed sociaal democraat. Straks, als het socialisme alles zal zijn in allen, zal 't met God en godsdienst vanzelf uit zijn !
Een volgeling van Marx kan Christus niet als zijn Heiland en Koning erkennen en omgekeerd, wie Christus eeren wil, kan geen plaats nemen in de rijen van Marx.
In den hof van Eden kwam de verleider tot den mensch met de belofte : „Gij zult als God zijn." Tot Jezus Christus met de toezegging : „Ik zal u alle koninkrijken der aarde geven." En in onze eeuw roept de sociaal democratie tot alle belasten en beladenen, tot de zuchtende menschheid : ik zal uwe banden verbreken, geen last meer doen drukken op uwe schouders, wanneer gij mij slechts volgt, wanneer gij slechts knielen wilt in den tempel, door Karl Marx gewijd aan de Religie van de stof.
Dan zal de hemel op aarde nederdalen voor allen en overal. Het „herwonnen Paradijs", dat Bebel in „Die Frau und der Socialismus" aldus teekent : dan zal het zijn zonder politieke of algemeene misdrijven, zonder dieven, zonder doodslagers, zonder meineedigen, geschriftervalschers, bedriegers, brandstichters, zonder luiaards ook.
Er zal voor kunsten en wetenschappen een tijdperk ontstaan, zooals de wereld nog nimmer heeft aanschouwd."
Zal de Christen zich hiennee laten afschepen en zich in slaap laten wiegen ? Hij weet toch beter !
Het paradijs, waarvan daar sprake is, is een bedriegelijk beeld der fantasie. De stof zou alles zijn ? De mensch zou met een hemel op aarde, in socialistischen zin, tevreden zijn ?
Wat we voelen is dit : de kern, de pit der zaligheid, n.l. de gemeenschap met God, zal ten eenenmale worden gomist. Er wordt zelfs niet over gesproken. Het wordt als „onzin" bestempeld. Omdat de oorzaak van alle ellende en misstand gezocht wordt in het stoffelijke, in een gebrekkige, verkeerde, slechte regeling der stoffelijke dingen, waarbij de geestelijke dingen niet eens in 't geding komen en waarbij men van schepping, zondeval, enz., niet weten wil, daar om zoekt men de genözing, de herstelling, de vernieuwing der dingen ook geheel buiten God en Christus om. Men rekent eenvoudig niet met de geestelijlce dingen. Van Gods Woord wil men niet hooren. Van den Boom des levens, Jezus Christus, weet men niet.
Vandaar ook het materialistische paradijs-ideaal.
Een Paradijs — waar alle geluk bestaat in eten en drinken ; waar de eeuwigheid niet weegt, waar de ziel niet meetelt, waar men geheel vreemd is aan 't woord van den Heiland : dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. Maar de mensch is van Gods geslacht. De mensch komt uit een Paradijs, waar hij in God het hoogste goed en de zaligste vreugd vond. En van Gods geslacht zijnde, draagt hij de eeuwigheid in het hart. Zoo kan de mensch van brood alleen niet leven ; zoo kan hij niet zonder God en godsdienst gelukkig zijn ; betere, hoogere dingen dan „brood en spelen" moet hij hebben, zal hij waarlijk vrede smaken. En het Christendom heeft, kent die hoogere en betere dingen. Moet ze ook uitdragen overal. Daar ligt de weg van geluk ; van levensgeluk en stervensblijdschap. Dat de mensch God wedervindt in Jezus Christus des Middelaars bloed ; om God lief te hebben boven alles en zijn naaste als zichzelf. Om in het spoor van Gods geboden te wandelen en den Naam van Christus te belijden, op elk terrein des levens. Zóó moet de waarheid verbreid en gerechtigheid geoefend worden, naar Gods Woord, wetende dat de zonde een schandvlek der natie is en gerechtigheid een volk verhoogt. Zóó zal op een zondige aarde zegening kunnen worden verspreid, waar de Heere beloofd heeft : Ik zal eeren, die Mij eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden. En zóó zal het Koninkrijk Gods komen, komen tot volle openbaring, straks, aan het eind der eeuwen, als Christus verschijnt op de wolken, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde geopenbaard worden, waarop gerechtigheid woont en het zal blijken, nu ten deele en dan in volkomenheid, dat het Kruis van Christus de levensboom is en het kennen van den eenigen, waarachtigen God in Jezus Christus, het hoogste goed voor tijd en eeuwigheid. Dat „herwonnen Paradijs" des Christens wacht met gouden toekomst in eeuwigheid. En de waarachtige Christen zingt, als pelgrimsreiziger naar het Kanaan, dat Boven is : „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad" ; begeerende van God door Zijn Woord en Geest maar meer en meer geleerd en geleid te mogen worden, om Zijne geboden lief te hebben en die te doen, tot eere Gods en tot heil van den naaste. En waar hier nog zooveel aan ontbreekt, daar zullen de belijders van Christus' Naam zich meer en meer moeten leeren wenden tot Hem, die genade en eere wil geven aan allen, die Hem vreezen, belovende aan al de Zijnen : „Mijne genade is u genoeg. Mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht." Hij, die 't beloofd heeft. Hij is getrouw, dat Hij 't óók doen zal !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's