Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
't Was een kostelijke najaarsavond. De maan, zich zelf bijna verbergend in een groot nest van nevel-licht, gaf geen volle klaarte, maar scheen al wat zich roerde of vast stond in de wijde omgeving enkel met lichte nevels te omsluieren. 't Leek of heel langzaam wolken van licht in allerlei richting over veld en bosch, huizen en vee dreven, zich hier en daar even vasthechtten en dan haar druilige wandeling weer voortzetten.
Ginder door en onder de boomen langs de sloot geleek het, of gedaanten van enkel witten nevel speelden met allerzonderlingste beesten, kleine en groote en alle van nevel.
Waren dat geen g--------------- „Kom, hoppe !"
Paul had er behoefte aan, een bekende stem te hooren, al was 't dan maar zijn eigen. Even aaide hij 't paard langs den hals, om iets echt levens te voelen.
Hij moest die boomen daar voorbij ! De wereld was nu anders zoo wonder mooi : dat daar moest er niet zijn ! 't Speet hem om 't goede paard, dat nu den geheelen nacht daarginder alleen moest zijn, daar I Hé ! nu was dat gespeel er niet meer.
Maar in elk geval: God was de groote Geest, machtiger dan alle andere geesten : niets zou hem kwaad kunnen doen, want zoodra hij ook maar iets vreesde, zou hij God te hulp vragen en Die zou hem terstond helpen. Even als gisteren, toen hij bij donker over die lange plank over de Delle moest. Hij wist zeker, dat hij in 't water zou gevallen zijn, omdat de plank zoo heel smal en lang was en omdat hij van vermoeidheid al niet eens meer recht over 't pad had kunnen gaan. Maar de groote Geest had tot hem gezegd : Paul ! kruip er over op handen en voeten. Toen had hij zijn klompen uitgetrokken, met een touw op zijn rug gebonden, en was kruipend heel gemakkelijk over de plank gekomen.
„Hoh hoppe !" Daar groeide kool ! Koen en Hilda hadden gezegd, dat kool bij maanlicht nog harder groeide dan bij zonlicht : je kon 't dan zien en hooren groeien.
't Paard bleef terstond stil staan, boog den kop omlaag en hapte in 't malsch bedauwde gras.
Stil ! hij hoorde 't groeien ! Rikketikketik •— stil even hoppe ! — rikket nu hoorde je 't hier, dan daar. Of je 't ook zien kon ! Hoe was groeien toch eigenlijk ? 't Moest toch iets wonderlijks zijn : groeien. Je kon 't maar alleen zien bij maanlicht, en bij maanlicht was 't toch te donker om 't goed te zien. En wachtte je tot den lichten dag, dan was 't al gegroeid en dan kon je 't weer niet zien, omdat dan de maan niet scheen, 't Was zeker net als met Koens horloge : hij had er wel eens een uur naar gekeken : de wijzers vergingen heelemaal niets, niets, — en als je er niet aan gedacht had, waren ze toch vergaan. Hoe groeien wel was !
„Kom, beste hoppe ! in de wei kan je je buikje vol eten ! Kom ! ol moet ik alleen gaan ?
't Gras was daar wel lekker, maar dat kon 't beest over zijn hart niet krijgen, om zijn jongen meester alleen te laten gaan : hij stapte terstond mee.
Hier ergens onder deze boomen had hij 't gezien ; nu was 't daar ginder ! Misschien waren 't maar spelende geesten, die altijd voor de menschen uitgingen, evenals de maan. Ging je, dan ging de maan ook, en bleef je staan, dan wachtte de maan ook eventjes.
Zóó deden 't ook de gezellige sijsjes over dag : altijd waren ze in de boomen langs den weg een eindje voor !
Dat alles toch zoo mooi was, en zoo wonderlijk ! Zoo heel, héél mooi, en je kon niet zeggen hoe. Eigenlijk was 't nóg mooier, als er iemand bij je was. Nu moest Virginie hier eens langs 't pad staan ! Niet zoo in 't donker van de boomen ; maar in 't licht, daar ! Dan zou hij wel tot haar durven spreken, en ze zou hem zeker nog wel kennen en anders zou hij haar zeggen, wie hij was. Hij zou haar vragen naar haar getrouwen Vader, 't Zou wel God zijn, de groote, goede Geest, want had ze niet zóó kunnen zingen, perdi met Ferdi zou hij toch gemakkelijker kunnen spreken: hij zou niet zoo beverig zijn zooals met Virginie.
„Hoh hoppe ! 'k zal je 't hek open doen!" Paul deed het hek open en 't paard ging er door. En als de jongen 't hek weer sloot, kwam het beest er met den kop overheen, om nog even door zijn kleinen vriend gestreeld en troetelend toegesproken te worden.
„Nou moet je maar lekker eten, hoor ! Nee, ik kan hier niet bij je blijven, want Koen of Hilda zullen me noodig hebben. Nou, dag hoor ! Morgen haal ik je weer. Dag m'n beste beest!"
De jongen ging heen ; maar telkens omziende, want het paard glunderde hem steeds na. 't Scheiden viel hard.
Op een drafje aanvaardde hij de reis naar huis. Dit weidepad liep evenwijdig langs het kreupelbosch, waar doorheen 't smalle wegje zich slingerde naar 't algemeene gaan pad. Over dat boschje ook zag hij de lichtnevels drijven, 't Was zoo nachtelijk, roerloos stil. Nergens dook eenig geluid op. Ja toch, ginder heel ver loeide 'n rund de heele wereld vol: 't klonk zoo mooi in de stilte. Ja, alles was mooi, maar er heerschte toch overal iets angstigs.
Hij liep snel het eerste en tweede weidestuk door ; het derde grensde aan 't gaanpad : daar was 't niet meer zoo angstig eenzaam, want 't licht van 't eenig huis hier in de omgeving, zijn eigen huis, flikkerde al soms door de dorrende elzebladeren.
In draf loopend, meende hij op 't zandpad zich iets te zien voortbewegen : misschien iemand, die nog naar Oldouwe moest, 't Was •— een vrouw ! neen — een meisje I Even bleef ze staan. Misschien had ze hem in de wei gezien en was ze bang voor een struikroover. Dat zou toch jammer zijn ! Hij liep nu op zijn snelst. Maar 't meisje liep nu ook sneller ; doch hij kon haar nog vóór zijn bij 't hek.
„Ben jij 't, Paul ? " „Ha, Marie ! was je bang voor me ? "
„Voor jou niet; maar 'k wist niet, dat jij het was !"
„Waar ga je naar toe ? " „Onze koe is ziek, de witkop. Is Koen thuis ? "
„Ja, moet hij komen ? " „Ja !"
„Dan ga 'k misschien wel mee ; 'k moet meestal met hem mee naar ziek vee en vooral bij avond en nacht !"
„O, gelukkig ! want ik zou met Koen niet alleen willen gaan."
„Maar Koen is een goeie man ; is hij een beetje dronken, dan is hij op zijn allergoedst. Ik ben nooit bang voor hem : jij moet ook niet bang wezen".
„En hij is een beetje dronken, zeg je ! — 'k Zou voor geen geld in de wereld alleen met hem door 't boschje gaan. Paul, als jij mee gaat, ga ik mee ; maar anders loop ik nu terug, en dan moet jij maar zeggen, dat onze witkop ziek is, en dat Koen dadelijk moet komen ; dadelijk !"
„Marie ! kom maar mee naar Koen en zeg het zelf aan hem ; God zal wel maken, dat ik mee moet : kom maar !"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's