Stichtelijke overdenking.
„al Uwe baren en Uwe golven zijn over Mij heengegaan." Psalm 42 vers 8b.
Al Uwe baren.
Goede Vrijdag.
Gods waarachtige gemeente is eene Kruisgemeente. Zij leeft immers alleen door het Kruis en onder het Kruis. Zij leerde door Gods genade opwaken tot het besef, dat in het Kruis van den Christus Gods al haar heil ligt. Daarom is het geen wonder, dat de herdenking van dezen dag haar dierbaar is. De Goede Vrijdag is wel geen algemeen erkende Christelijke feestdag. Maar een dag van herinnering is hij toch. Het is altijd weer de dag, waarop Gods gemeente in den geest optrekt naar Golgotha, en zich schaart om het Kruis van Immanuël, om te betrachten Zijn weergaloos lijden en zich te koesteren aan Zijn borgtochtelijke liefde, die sterker is dan de dood ! Ja, waarlijk, een liefde sterker dan de dood licht op uit den nacht van Golgotha, ruischt omhoog uit de zee van lijden, welker golven en baren opbruischen om het naakte Kruis van den Christus Gods.
Van die zee van lijden gewaagt onze tekst. Misschien voelen wij dat niet zoo op het eerste gezicht.
Over Wien toch gaat 't in dit woord? Uit wiens benauwde en geprangde ziel werd het opgeperst ?
De tekst is een uiting van zielewee, dat koning David doorleed en doorstreed.
Hij verkeerde in bange omstandigheden. Hij was geworpen uit zijn eigen koningsstad. Verjaagd door zijn volk. Van den troon gestooten door zijn zoon, eens zijn trots. Een toonbeeld van ellende. In een oord van woeste natuur vond hij een wijkplaats. Daar neergehurkt, moest hij zijn bitter leed uitklagen. En om dat te kunnen greep hij als beeld het woeste gebeuren rondom hem. Hij zag de wateren van de wilde bergstroomen, Gods watergoten, zich naar beneden storten, onophoudelijk en onafgebroken, nimmer stilstaand. En in de diepte hoorde hij het koken en gisten als van de branding, een ontplooiing van meesleurend geweld, als van de golven, die breken op het strand.
Zóó geweldig waren voor zijn besef de stroomen van Gods verbolgenheid over hem in het leed en het lijden, dat hem trof. In alles wat hem wedervoer, proefde hij de hittigheid van Gods toorn en rechtmatige straf. En daarom klaagde hij het uit : „al Uwe baren en Uwe golven zijn over mij heengegaan."
Gaat het menig kind van God niet als hem ? Ach, ook zij kennen de tijden, dat het hun is alsof God vergeten heeft genadig te zijn. De toombaren des Heeren Heeren komen aanrollen ; onophoudelijk schier. Zij voelen 't als straf voor 't kwaad, dat zij bedreven. Zij worden er door overstelpt. Zij bezwijken er onder. Zij proeven het, dat de beker van Gods toorn veel inhoudt. En gebukt onder hun onduldbaar leed, grijpen zij naar de klacht van den psalmist.
En toch David heeft in zijn bitter leed nog niet geproefd en gepeild de volle diepte van het woord, dat als een jammerklacht zich losscheurde uit zijn ziel. Ook in dit woord ging hij uit boven zichzelf, evenals Gods kinderen, die het hem naweenen.
De volle maat van wat onze tekst inhoudt, is eerst het deel geworden van Immanuël, en van Hem alleen.
Al de baren en al de golven van den Almachtige, het is iets zoo ontzettends, het is iets zoo onbeschrijfelijks, dat wij, zelfs in het vreeselijkst lijden, als wij verbrijizeld worden onder Gods hand, zoodat wij niets, niets meer zijn voor Hem, er nog maar een gering deel van proeven.
In Gods doen is altijd het eeuwige, het oneindige. Dat is er dus ook in Zijn toom, wanneer die zich mateloos uitstort over het schepsel. In die schuimende en kokende baren brandt de ziedende gloed van eeuwige verbolgenheden. Twee, drie golfslagen daarvan zijn toereikend om ons er onder te doen verzinken.
Wat moet het dan zijn, als ze allen komen aanbranden ?
Dat ontzettende is over den Christus, Sions Borg, gekomen, toen Hij aan het vloekhout hing te sterven. In de ure der groote duisternis, toen de hel waande eeuwig het pleit te hebben gewonnen, toen greep het plaats. Al Gods toornbaren kwamen aanrollen over den Man van Smarten. In eeuwig koken spatten ze tegen Hem op. Hij zonk weg tusschen de afgronden der verbolgenheden des Heeren Heeren. En in die diepten was het: golf na golf: de eene baar was niet weg of de andere volgde. Eeuwig diep. Onbegrepen, onpeilbaar voor engel en mensch.
Zóó nameloos diep, dat God alleen het verstond en uw Borg, o, volk van God, het doorzwoegde, zóó, dat Hij uitkermde-: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ?
Dat is het lijden, waarvan de tekst gewaagt. Dat is het lijden, dat eeuwig uitvloeit over de rampzaligen in het oord van weening en knersing der tanden. Dat is 't lijden hetwelk Golgotha geeft te aanschouwen : waarin Immanuël verzonk !
„Al Uwe baren en al Uwe golven zijn ver Mij heengegaan " Dit is alzoo een tekst van onpeilbare diepte.
Heeft hij u al aangegrepen, reeds ontroerd ?
Of staat gij er nog beseffeloos tegenover ?
Ach, blijf niet in koudheid en onverschilligheid, en dus in vijandschap, van verre staan: Want dan, o zondaar, en zondares, zult gij zijn diepte eens in de oorden der duisternis en eeuwige scheiding van God leeren kennen tot uw ramp en verdoemenis.
Ach, dat gij nog heden leerdet bekennen, wat tot uwen eeuwigen vrede is dienende en zoo met Gods waarachtige gemeente den troost van dezen tekst, den troost van Golgotha, mocht smaken.
O, er zij daartoe een opgaan naar Golgotha, met een verslagen hart. Er zij een opzien maar het heilig Godslam, met een smeeking, opklimmend uit een verbrijzelde ziele.
Dan zult gij deelen in den troost dien Immanuël voor de Zijnen verwierf !
Want wat zegt de tekst ? „Al Uwe baren en al Uwe golven zijn over Mij heengegaan Aan het golven en bruischen van Gods toorn is dus een einde gekomen. De eeuwige toomoceaan des Heeren is door den Christus doorworsteld.
Dat is de zalige paradox van den tekst. Onbegrijpelijk ! Maar werkelijk ! Uit het slot van den tekst klinkt de jubelkreet op, die de Christus Gods nog met veege lippen uitte : „Het is volbracht." Al Gods baren en al Gods golven, ze zijn over Hem heengegaan. En Hij, Immanuël, droeg in Zich al Zijne verlosten, heel Zijne waarachtige Gemeente !
Al Gods baren en al Gods golven, zij zijn dus ook heengegaan over Zijn Kruiskerk. En daarom mag zij, en moet zij, ingaande tot Zijn volbrachte werk, uitroepen : „Zoo is er dan geen verdoemenis meer, voor degenen die in Christus Jezus zijn !"
Gelooft gij dat, arme zondaar ? Die zalige, rijke vrucht is het deel van wie met een hart, wegvlietend in tranen des berouws, als een armgemaakte door Gods Geest, optrekt naar Golgotha, om met Hem gekruist, gedood en begraven te worden.
Wie schuldverslagen. met Immanuël ondergaat in al Gods baren en golven, die zal ervaren dat Hij leeft door Christus, uit Wiens dood zijn leven oprees !
Wie op Golgotha verschijnt als een zondaar voor God, leert bij Jezus' Kruis gena heett en Zichzelven voor mi] heeft overgegeven."
Dan komt er waarachtige vreugde glanzen in de ziel. En de stille hope hecht zich vast aan het Kruis, om te midden van de levensworsteling te getuigen : „In dat Kruis zal ik eeuwig roemen !"
H.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's