Uit de Pers.
In het „Maandblad voor Kerkelijke Armenzorg", orgaan van de Federatie van Diaconieën in de Ned. Hervormde Kerk (no. 3, Maart '23) lazen wij onderstaand artikel van de hand van ds. Woelderink, dat we gaarne hier overnemen.
Op den goeden weg.
Geen wetten of verordeningen kunnen liefde en barmhartigheid te voorschijn roepen, maar uit de innerlijke levenskracht der herboren menschenziel komen ze voort als vruchten des Geestes.
Daarom zoekt men deze levensstroomen tevergeefs bij het heidendom van vroeger of van nu; men heeft zelfs haar goddelijken aard niet gekend. De Gemeente van Christus is door de inwoning van Zijn genade en Geest de draagster van deze heilbrengende kracht, waardoor zoo menig leed is verzacht en zoo menige wonde verbonden.
Als in onze dagen de Overheid zich met het vraagstuk van de Armenzorg inlaat en de Armenzorg krachtig ter hand neemt, hebben we daarin den invloed van de Christelijke levensbeschouwing te zien, ook al wordt dat door vele voorstanders van de Overheidsarmenzorg niet erkend.
Zoo krachtig zelfs wordt tegenwoordig in verschillende plaatsen de Armenzorg vanwege de burgerlijke Gemeente behartigd, dat ze de kerkelijke Armenzorg geheel dreigt te overvleugelen en verdringen.
Menigeen ziet daarin dreigend gevaar ; en zonder twijfel, dat gevaar is er ; ofschoon aan de andere zijde deze concurrentie misschien velen zal dringen om zich rekenschap te geven van 't onderscheid tusschen Overheids-en kerkelijke Armenzorg. Dan toch zal duidelijk worden, dat de groote vlucht, die de burgerlijke armenzorg genomen heeft, niet alleen aan onkerkelijke motieven moet worden toegeschreven, maar ook aan het diep verval, dat zich van de Diaconale Armenzorg heeft meester gemaakt.
Op de meeste plaatsen toch was en is de Diaconie niets anders dan, wat een der vooraanstaande diakenen terecht genoemd heeft, een bedeelingsinstituut. De taak der diakenen bestond en bestaat nog vaak alleen in geld ophalen en geld uitdeelen. En dat zonder eenig systeem.
Om de vraag of werkelijk afdoende hulp was verleend, bekommerde men zich weinig. De verleende bijdragen waren en zijn nog vaak zoo gering, dat men kan spreken van een kwistig uitdeelen van fooien onder alle armen, die de hand geliefden op te houden.
Op deze wijze kwamen als vanzelfsprekend de paupers in de voorste rijen te staan. Is het wonder, dat het door velen als een diepe vernedering wordt beschouwd hulp te ontvangen van de Diaconie ? De Diaconie was immers alleen gewoon de minderwaardigen te helpen ! En zóó was de publieke kerkelijke meening van dit feit doordrongen, dat eenige jaren geleden allen, die hulp hadden ontvangen van de Diaconie, van 't kerkelijk stemrecht waren uitgesloten.
Wie zich deze dingen en geheel het diepe verval van de Diaconale Armenzorg indenkt, moet zich wegschamen voor den Heere. Want men heeft een kwaden naam gebracht over de hulp, die in den naam des Heeren werd verstrekt. De liefde, de ware Christelijke liefde, die de inwendige kracht uitmaakt van alle Christelijk hulpbetoon en haar zoo gezegend in uitwerking kan doen zijn, is als niets geacht ; de uitwendige gave in geld of natura werd het een en het al.
Geen wonder, dat het de burgerlijke armenzorg gemakkelijk viel met de kerkelijke te concurreeren. Want komt het slechts op het uitdeelen van uitwendige gaven aan, dan heeft de burgerlijke armenzorg zelfs een grooten voorsprong ; haar kas immers is beter gevuld en vult zich immer weer vanzelf.
Eere de Vereeniging van Diakenen, die reeds meer dan tien jaar geleden haar stem tegen het diepe verval der kerkelijke armenzorg verhief en thans omgezet in de Federatie van Diaconieën met kracht en volharding deze Armenzorg weer zoekt te leiden in het rechte spoor. D
Op de waarde der Christelijke liefde als een geestelijke kracht, die de ellendige en zwakke en hulpelooze op allerlei wijze zoekt te helpen, desnoods ook met geld, maar in elk geval niet alleen met geld, wordt door haar weer de nadruk gelegd. In dezen weg zal men totaal moeten breken met alle massabedeeling, breken met het op rij staan van de ondersteunden voor het loket of in de gang van het perceel, waar de wekelijksche onderstand wordt uitgereikt, breken ook met het ondersteunen van de z.g.n. paupers. Waar geen afdoende ondersteuning kan worden gegeven of alle verleende hulp vruchteloos blijkt te zijn, om den verarmde op te heffen, hetzij wegens zedelijke verwildering, hetzij om andere redenen, zal de Diaconale armenzorg zich terug hebben te trekken en deze personen moeten overlaten aan de burgerlijke armenzorg. Het persoonlijk contact tusschen den diaken en den hulpbehoevende dient op den voorgrond te staan ; dan alleen paart zedelijke steun zich aan de uitwendige hulpverleening.
De groote beteekenis van de nieuwe beweging op het gebied der kerkelijke armenzorg komt mij voor in de eerste plaats daarin gelegen te zijn, dat ze er den nadruk op gelegd heeft, dat de Diaconale hulp volstrekt niet gebonden is aan een uitwendige gave en ook waar een ondersteuning in geld wordt gegeven, toch verre boven die gave als zoodanig behoort uit te gaan. Om deze reden wordt ze ten gevolge aan de uitgebreide armenzorg niet overbodig, blijft zelfs onmisbaar en gaat hoog boven het doel der burgerlijke armenzorg uit. De Diaconale armenzorg heeft een zedelijkgeestelijke strekking en bij rechte beoefening ook een zedelijk-geestelijke vrucht, die de Overheidsarmenzorg met haar bezoldigde ambtenaren in haar onpersoonlijke behandeling immer mist.
In de tweede plaats acht ik die beweging van zoo groot gewicht, wijl ze in aansluithig aan de oud-Christelijke Gemeente de diaconale hulp wijder terrein wil laten beslaan dan het verleenen van hulp aan armen door hun geldelijke ondersteuning uit te reiken, wijl ze de Diaconie geroepen acht op allerlei wijze de hulpbehoevenden, ellendigen en verlatenen de helpende hand te bieden.
In verband daarmee is de Vereeniging „Vredeheim" opgericht om ouden van dagen geschikte tehuizen en passende verpleging te verschaffen.
Ook tot het oprichten van de Vereeniging „Zonnegloren" heeft de Federatie van Diaconieën den stoot gegeven. Er zijn nog zooveel tuberculose-lijders, die het aan doeltreffende verpleging ontbreekt, voor wie geen plaats meer is in de bestaande Sanatoria. Behoort de Gemeente des Heeren hier niet met ontferming bewogen te zijn ?
De Vereeniging „Zonnegloren" gaat niet rechtstreeks van de Federatie van Diaconieën uit, ofschoon ze er wel in vertegenwoordigd is. Men heeft het wenschelijk geacht velerlei kerkelijke krachten in de Vereeniging „Zonnegloren" saam te binden om deze onderneming des te spoediger te doen slagen. Niettemin ligt hier een roeping voor onze Diaconieën. Daarom wekken wij de diakenen bij dezen in de eerste plaats op om zich voor „Zonnegloren" te interesseeren. Laat men deze Vereeniging zooveel mogelijk steunen, middellijk en onmiddellijk ; door belangstelling in de gemeente te wekken voor dezen arbeid en door de Diaconie te doen toetreden als buitengewoon lid der Vereeniging. Ook hierdoor kan een stap in de richting worden gedaan, waardoor de Diaconale arbeid in eere wordt hersteld.
Het is mijn hoop en wensch, dat de Diaconieën, ook op de dorpen, weer worden losgemaakt van den kerkeraad in den zin, waarin ze nu een integreerend deel daarvan uitmaken, en in een organisch verband met elkander worden vereenigd om te zamen te doen, wat iedere Diaconie afzonderlijk niet vermag.
Reeds eenige jaren is mij duidelijk geworden dat de samenvoeging van kerkeraad en diaconie verlammend werkt op den arbeid van ouderlingen en diakenen. Ouderlingen stellen menigmaal meer belang in de gevallen die de diakenen ter sprake brengen dan in hetgeen tot hun eigenlijke roeping behoort. Ofschoon ook omgekeerd menige diaken zich in de eerste plaats kerkeraadslid gevoelt en eerst daarna diaken.
Het komt mij voor, dat alleen in dien weg de taak, voor welke de Federatie van Diaconieën ijvert, tot volledige ontwikkeling kan worden gebracht.
Het heeft echter geen zin met de handen in den schoot te gaan zitten, zich overgevend aan toekomstdroomen. De hand is aan den ploeg geslagen en ieder, die begeert dat de Diaconie die plaats in ons kerkelijk leven innemen, die haar toekomt, steune den sympathieken arbeid dien „Vredeheim" heeft aangevangen.
Men doe het ook door de Vereeniging „Zonnegloren" te schragen met middellijke en onmiddellijke hulp, opdat er zoo spoedig mogelijk een nieuw Christelijk Sanatorium voor tuberculose-lijders verrijze.
Randwijk.
J. G. WOELDERINK.
') Dit kan helaas ook van vele stadsdiakenen gezegd \vo.rden. (iRed.)
De grond des geloofs.
In zijn brochure „Onze positie tegenover de Ethische Vereeniging" schrijft ds. J. van der Sluis over „den grond des geloofs" 't volgende :
„Wij onderscheiden ons ook van de Ethischen in de bepaling van den grond des geloofs. De ethische richting poneert de absolute zelfstandigheid van het geloofsleven, als hebbende zijn zekerheid alleen in zichzelf. Het geloof ervaart, geniet de geestelijke dingen. Daarom — door die ervaring en genieting — is de Christen er zeker van. Als iemand kleuren ziet, dan staat het voor hem vast, dat zij bestaan. Door een kleurenblinde laat hij zich niet aan het wankelen brengen. Op deze zelfde manier nu heeft een Christen zekerheid aangaande de hoogere, geestelijke-wereld in de ervaring des geloofs, bovenal in de Christus-ervaring. In de Christus-ervaring heeft hij de gewisheid, dat zijn Heiland leeft.
Volgens de Ethischen rust dus het geloof in zichzelf; maar volgens ons, Gereformeerden, rust het geloof op de Heilige Schrift.
En waarom kan het geloof alleen rusten op de Schrift ?
Geloof en ervaring zijn niet hetzelfde. Ervaring vergezelt en volgt het geloof, maar is er niet aan gelijk. Voor geen enkel der twaalf geloofsartikelen kan het.; „ik geloof, door het: „ik ervaar" vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en van aarde, dat Christus is Gods eeniggeboren Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, enz., is uiteraard voor geen ervaring vatbaar. Zelfs al gaat zeer zeker een rechtstreeksche werking in de gemeente uit van haar verheerlijkt Hoofd in den hemel, dat Christus opgestaan is en ten hemel gevaren en thans gezeten aan Gods rechterhand, weten wij enkel en alleen uit de Heilige Schrift. Ons hart kan aan al die feiten zeer zeker getuigenis geven, maar als feiten staan zij voor ons bewustzijn alleen vast door het getuigenis der apostelen.
Het geloof rust dus op het getuigenis Gods, de Schrift.
Maar — zoo vraagt de Ethische — steunt het geloof dan niet op het getuigenis des Heiligen Geestes in het hart ? Welk getuigenis in het hart immers niet de Schrift, maar de openbaring Gods in Christus geldt ? De Heilige Geest verbindt ons toch met den levenden Christus en getuigt in ons, dat wij kinderen Gods zijn. Dan eerst hebben wij rust, als wij de overtuiging met ons omdragen, dat we door Jezus Chrïstus kinderen Gods zijn geworden !
Daartegenover plaatsen wij, Gereformeerden, het volgende.
Kern en middelpunt van het getuigenis des Heiligen Geestes, is het getuigenis van ons Kindschap, maar daarmede in onmiddellijk verband verzekert het ons ook de waarheid van de openbaring Gods in Christus, 't Is al voor mij geschied, zegt de Christen, als hij geniet in de verlossing door zijn Heiland hem verworven. Niet alleen de liefde Gods, die in Christus tot eene verlorene wereld kwam, wordt nu dankbaar aanvaard, maar alles, wat Christus deed en leed voor zondaren, wordt binnen den kring van den inhoud des geloofs gebracht.
Is dat dan geen onmiddellijke zekerheid ? zoo vraagt een Ethische.
Wij, Gereformeerdïen, antwoorden daarop : wel neen !, Tusschen ons en de openbaring Gods in Christus staat de Schrift. Wij weten niet van de openbaring Gods in Christus dan door de Heilige Schrift. En de Heilige Geest doet dan ook twee dingen : zij verzekert van de openbaring Gods in Christus en tegelijkertijd daarin en daardoor van de goddelijkheid der Schrift. Daardoor verkrijgt de Christen de stellige overtuiging : „De Schrift is mij persoonlijk het Woord Gods. Ik beluister er Zijn levende stem in."
Het geloof steunt dus op de Schrift."
In het Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden, schrijft de moderne Hervormde predikant van Oudshoorn (aan den Rijn) een stukje, dat we hier overnemen, 't Kan geen kwaad als we ook eens beluisteren wat Vrijz. Hervormden zoo onder elkaar en tegenover elkaar in het midden brengen in betrekking tot de dingen van ons kerkelijk leven.
Ds. Deetman schrijft dan dit „Ingezonden" :
„Vrouwelijke hulptroepen."
In zijn , De kerkelijke kwestie" (voorkomend dn het vorige nummer) roept ds. Priester op tot een laatsten stormloop van Vrijzinnigen! Best! Desnoods tot meerdere stormloopen; is men voor volhouden en blijven in de Hervormde Kerk, graag doe ik mee ! Als er maar een lijn wordt uitgestippeld, waarlangs we hebben te gaan. En dan „eensgezind" — niet de een zus en de ander zoo, want dat breekt af !
Maar nu iets over die „vrouwelijke hulptroepen", die straks onze gelederen zullen versterken. Alsof die „vrouwelijke hulptroepen" ook niet in de rechtsche gelederen zullen staan.
Ik verwacht van dat Vrouwenstemrecht voor ons. Vrijzinnigen, niet veel heil ! We hebben dat Vrouwenstemrecht zelf gewild — zelf doorgedreven, tegen den zin der Orthodoxie in maar, ik geloof, we brengen er onszelf mee om 't leven ! Zien we 't niet in den Staat, hoe rechts — mede dank zij de vrouwen — met 60 tegen 40 won !
En zullen nu, bij de kerkelijke verkiezingen, de rechtsche vrouwen weer niet worden opgeroepen, onder klinkende leuzen, als „Voor of tegen Christus", enz. ? ! En ze zullen komen, in breede scharen — de Bondsvrouwen voorop, en dan de Confessioneele vrouwen en achteraan de Ethische zusters !
En wij zullen ook onze vrouwen oproepen en.... ze komen ? Ik hoop het van harte maar ik ben o zoo bang ! En dan nog dit : ik meen, dat we ook dit niet uit het oog moeten verliezen, dat over 't algemeen de vrouw conservatiever is dan de man. In mijn eigen gemeente zie ik dit : een Orthodoxe jongen trouwt met een Vrijzinnig meisje — tien tegen een, 't meisje wordt Orthodox ! Een Vrijzinnige jongen ttouwt met een Orthodox meisje — 't meisje, vrouw geworden, blijft naar de Evangelisatie gaan ; de jongen, man geworden, blijft Vrijzinnig: ; de kinderen meest Orthodox.. Ik verwacht dus in gemeenten, waar rechts en links zoowat tegen elkaar opwegen, door het Vrouwenkiesrecht een overwinning van rechts!
Ik hoop, dat ik me vergis !
Ds. J. DEETMAN.
In het Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden schrijft ds. A. Priester van Nieuw-Helvoet een artikel over de kerkelijke kwestie en zegt dan o.a. iets over de Modernen en het Reglement op de Predikantstractementen.
We knippen dit stukje uit :
Het is intusschen wel gebleken, hoe goed dr. Niemeijer destijds te Deventer den kerkelijken toestand overzag, toen hij de vrees uitsprak, dat de invoering van het Reglement op de Predikantstractementen zonder tegelijktijdige erkenning van de rechten der minderheden, voor de Vrijzinnigen nadeelig zou uitkomen! Dat zien wij thans reeds beginnen. Vooral in de grootere gemeenten, waar de Orthodoxie overheerscht, komen de bedankjes voor het lidmaatschap der Kerk bij tientallen binnen, nu tengevolge van de invoering van het Reglement op de Predikantstractementen de kerkelijke belasting óf ingevoerd óf verhoogd moest worden. Die bedankjes zijn voor een groot deel van de Vrijzinnigen afkomstig, al zijn er natuurlijk ook b.v. onverschilligen onder.
„De Nieuwe Rotterdamsche Courant" schrijft o.a. over de Kerkvoogdij en de pastoralia en zegt :
Een niet uitgemaakte kwestie is, in hoever de beheerscolleges iets over de pastorie-goederen hebben te zeggen. De Synode heeft in 1905 een Reglement op de Pastorie - goederen uitgevaardigd, maar het Algemeen College heeft bij missive van 19 December 1911 alle kerkvoogdijen er op gewezen, dat voor hen ook ten aanzien dier goederen onverkort de bepalingen van het Algemeen Reglement op het Beheer blijven gelden. En bij vonnis van 6 April 1920 heeft de rechtbank te Assen in een proces over pastoriegoed te Dwingeleo beslist, dat het Synodaal Reglement op de Pastoriegoedéren rechtskracht mist en het Beheersreglement ook te dezen opzichte bindend is. Een jaar vroeger had het gerechtshof te Leeuwarden een vonnis der rechtbank te Heerenveen bevestigd, waarbij rechtskracht aan het Synodaal Reglement op de Pastoralia was ontzegd.
Het beheer over de pastorie heeft verschillende kerkvoogdijen ook al moeilijkheden op den hals gehaald. Zoo is in 1913 een zaak door het Provinciaal College van Drenthe behandeld, betreffende de vraag, of een predikant een deel der pastorie voor de zomermaanden mocht verhuren. En in 1920 behandelde het Algemeen College de vraag, of een predikant het recht heeft boomen uit zijn tuin te vellen en te verkoopen.
Over de positie van de Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk wordt in den laatsten tijd nogal geschreven. De N.R. Courant haalt daarvan een en ander aan, ook wat ds. HuIsman, voorganger der Vrijzinnig Hervormden in Den Haag, heeft geadviseerd. De N.R. Courant zegt dan tenslotte :
Ds. Huisman overdrijft niet, als hij den toestand volgenderwijs schetst. „De jonge menschen", aldus zegt hij, „gevoelen hoe langer hoe meer tegenzin om opgenomen te worden in een gemeenschap, die begint met hun de deur te wijzen. De heer Boer moge nog zooveel gevoelen, gelijk hij zeide, voor de historische en godsdienstige beteekenis van de volkskerk, — jonge menschen vragen naar geen historie of religieusen invloed van een kerk ; zij vragen, wat zij persoonlijk hebben aan de gemeenschap, waarin zij worden opgenomen. En, hoeveel er theoretisch te zeggen is voor 'n groote Nationale Kerk, practisch ziet het er treurig uit voor een groepje van Vrijzinnigen, die moeten samenkomen in een gymnastieklokaal en die niet in staat zijn hun bijdrage aan den hoofdelijken omslag op te brengen en tevens nog hun eigen Vereeniging te steunen. Bij zulk een nijpenden toestand moet de geestdrift op den duur verloren gaan !.. De bestaande toestand is onhoudbaar. Er moet een einde aan komen. Laten we nu maar eens beginnen met betaling te weigeren en laten we eens afwachten wat h.h. kerkvoogden zullen doen."
Kerk en Staat.
Prof. Fabius heeft in „De Standaard" zeven artikelen geschreven over de Staat en het Ned. Hervormd Kerkgenootschap.
Tal van citaten komen daarin voor — zooals we dat van prof. Fabius gewoon zijn — waarop we nog wel eens terug komen.
Er staat heel wat in wat de moeite van het opmerken waard is.
Maar natuurlijk laat het betoog van prof. Fabius zich op die manier — 't is een citaten-regen ! — niet gemakkelijk lezen. Daarom is het wat waard een korte samenvatting van het betoog te hebben. En dat heeft ds. Rullman in de „Utrechtsche Kerkbode" gegeven, gelijk „De Heraut" en „De Wachter" ons dat voorleggen. We nemen het hier over ; dan weet men hoe prof. Fabius zich de dingen zoo ongeveer denkt.
Het résumé luidt aldus :
„De bij koninklijk besluit van 7 Januari 1816 vastgestelde organisatie van de Hervormde Kerk was tot stand gekomen geheel buiten de Kerk om. Toch is na eenigen tijd getracht den schijn te wekken, alsof de Kerk in de organisatie gekend was. Welk spel tot heden is voortgezet.
In 1842 tot 1852 gaat de regeering hare ongrondwettig geoefende macht overdragen aan de door haar aan de Kerken opgelegde Synode. De regeering, ofschoon erkennende niet bevoegd te zijn, speelt nu het recht der Kerk in handen van de door haar geschapen Synode. Herhaling alzoo van het onrecht van 1816 ; op een wijze, die het recht der Kerk nog meer verdonkert. De rechtstreeksche inmenging van de Regeering wordt nu een middellijke. Slechts schijnbaar trok de Regeering zich terug, nu zij in hare plaats de Synode tot hoogste kerkelijke autoriteit verklaarde. Deze zoogenaamde vrijmaking was verscherping van het jus in sacra : de Regeering leverde de Kerk, aan handen en voeten gebonden, over aan hare tegenpartij.
Maar wat klaagt men toch over gemis van vrijheid ? De Kerken hebben de haar opgelegde organisatie aanvaard. Wel niet uitdrukkelijk, — het is zoo ; maar toch feitelijk, middellijk.
Aldus hoort men telkens. Doch het is een logen. Tegenover de feiten der historie klinkt het als spotternij te zeggen, dat de Kerken destijds vrijwillig de Synodale organisatie hebben aanvaard. Ware, onverkorte vrijheid om de Synodale organisatie al dan niet te aanvaarden, heeft van 1816 tot heden door de schuld der Regeering nimmer bestaan.
Geef „De Waarheidsvriend" na lezing aan uw vrienden of kennissen en tracht hen abonné te maken op ons blad.
Van verschillende zijden is er telkens op gewezen, dat ook na 1852 de Haagsche Synode niet gelden kon als vertegenwoordiging van de Kerken, die onder hare macht besloten waren. Maar trots alles bleef de Regeering doof ; doof voor het onrecht, dat zij deed tegenover de Kerk ; doof voor de verwarring die zij daar aanrichtte, als wrange vrucht voor hare inmenging. Zij wilde nu eenmaal geene Hervormde Kerk buiten de aan deze opgelegde organisatie. De Synodale organisatie heet volgens velen in 1816 te zijn opgelegd vanwege de verwarring in de Kerk. Maar neen, het is juist de Regeering geweest, die door hare daad verwarring van onberekenbaar nadeel heeft gesticht. Zij is het geweest, die de Kerken van 1816 af in een kerker heeft opgesloten.
En wat heeft de Regeering nu te doen? Die vraag mag allereerst haarzelve worden voorgelegd. Zij toch is in hooge mate aansprakelijk voor de gestichte verwarring ; op haar rust zware verantwoordelijkheid door; nameloos veel kwaad. Zij is bij uitnemendheid geroepen, aan te wijzen, op welke manier zoo veel mogelijk kunnen worden te niet gedaan de gevolgen van hare ongeoorloofde inmenging op kerkelijk terrein. De Regeering dient te verstaan, dat het niet aangaat om, na eerst onder den naam van vrijmaking van de Kerk, deze in handen van hare Synodale organisatie te hebben gespeeld, — daarna te verklaren, dat het, vanwege de scheiding tusschen Staat en Kerk, en de zelfstandigheid der Kerk, voor haar onmogelijk is, aan dien toestand iets te verhelpen. Aan dit valsch gegoochel met het recht der Kerk moet een einde komen. In naam van de vrijheid der Kerken. In naam van de scheiding tusschen Kerk en Staat. In naam van waarheid en recht.
Aangedrongen moet worden op den eisch, dien ook Groen van Prinsterer herhaaldelijk heeft doen hooren, n.l. dat de Regeering niet langer samenspanne met de Synodale organisatie, en zich tegenover deze stelle in volkomen neutrale houding. Of nader : dat de Regeering ophoude met zonder meer de Haagsche Synode te erkennen als wettige vertegenwoordiging van de gemeenten die nog onder haar verkeeren, en de gemeenten te dwingen hetzelfde te doen.
Niets meer wordt gevraagd dan volkomen neutraliteit.
Zijn er gemeenten, die zich door genoemde Synode tegenover de Regeering willen laten vertegenwoordigen, — het recht daartoe blijve geheel onverkort. Maar de Regeering dient den gemeenten gelegenheid te bieden, zich bij haar te doen vertegenwoordigen buiten die Synode om.
Het zou dan kunnen gebeuren dat de gemeenten zich in twee groepen scheidden, waarvan de eene vertegenwoordigd werd door de Synode, de tweede op andere wijze. Dit echter zou waarlijk geen buitengewoon bezwaar opleveren.
Op die wijze bleef de Regeering geheel neutraal.
Mocht dan blijken, dat alle gemeenten wenschten vertegenwoordigd te worden door de Haagsche Synode, dan ware aan deze zelfs betere rechtsbasis gegeven, dan zij ooit bezeten heeft.
Het tweede wat van de Regeer ing geeischt kan worden is, dat zij zich openlijk bereid verklare, aan gemeenten, die z'.ch geheel losmaken van de Synodale organisatie, uit het Synodale kerk(er)verband treden, dezelfde uitkeering te doen, als zij thans uit 's Rijks kas genieten. Terwijl daarbij nog mogelijk, en waarschijnlijk wenschelijk ware, dat zulke uitgetreden gemeenten verklaarden, geene behoefte aan tractement uit 's Rijks schatkist te hebben.
Tenslotte concludeert prof. Fabius : Na een eeuw van oneerlijkheid en wetsverkrachting, tegenover de Kerk misdreven, dienen aan de Regeering, totdat zij zal hebben recht gedaan, voortdurend althans deze eischen te worden voorgehouden :
1. dat zij niet langer samenspanne met de Synodale organisatie tegenover de gemeenten ; zich tegenover die organisatie stelle waarlijk neutraal ; niet langer tegenover die gemeenten, welke zich onder die organisatie bevinden, deze handhave als hunne uitsluitende vertegenwoordiging ;
2. dat aan het bijna 50-jarig geknoei met de wet op het hooger onderwijs ten opzichte van de Theologische faculteit een einde worde gemaakt, en de Staat niet langer door een valsche praktijk bedektelijk inwerke op het kerkelijk leven in het Ned. Herv. Kerkgenootschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's