Stichtelijke overdenking.
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem : „Mijn Heere en mijn God !" Johannes 20 vers 28.
De genezen twijfelaar.
In het leven van Gods gunsteling komen meermalen tijden van doodigheid. Als hij verkeert onder het gemis der gevoelige, bevindelijke genade. Als de Allerhoogste Zijn aangezicht voor hem verbergt. Als de kracht en de zoetheid van Gods gunste niet langer wordt genoten. Als de hemel van koper is, zoodat er geen gebed door kan. Ook de smart des harten kan tot den dood neer drukken. Als hij door droefheid Is nedergebogen en de golven der verdrukking en beproeviag over hem heenslaan. En de twijfel kan hem, die werkzaam was, sluimerig maken, zoodat de dood door de vensteren des harten naar binnen klimt. Dan is zijn ziele als een land, dor en mat en zonder water, een woestijn des doods.
Maar de beminde des Heeren heeft daar geen rust bij. Uit den grafkelder schreit hij om leven. Met David rijst uit de diepste roerselen des harten de bede : „Laat mijne ziele leven, en zij zal U loven." „Verlicht mijne oogen, opdat ik in den dood niet ontslape." Er ontstaat in de ziele een bidden uit het gemis, een roepen uit den dood, een kermen om ontfermen.
Zalig de wachtende ziele voor welke herstelling in aantocht is.
Moge de groote Herder der schapen uwe ziele zoeken en zegenen, als wij elkander nu gaan herinneren, hoe de twijfelende Thomas door den Heere werd genezen.
Schenken wij er dan onze aandacht aan, dat er een groote ongestalte bij Thomas was, dat de Heere Jezus hem verschoonend bejegent en hem geeft de taal des geloofs en de zaligspreking des geloofs.
Het was de avond van den eersten dag der week, waarop de Heere uit het graf is verrezen. Welk een vreemde dag van onrust en slingering, van hope en vreeze, is het voor de Zijnen geweest ! Zij hebben aan elkanders gezelschap behoefte, zij moeten elkander hunne gewaarwordingen mededeelen. In welk 'n zonderlinge gemoedsstemming zijn de discipelen daar te zamen, sprekende over hetgeen zij vernomen hadden, dat dien morgen was geschied. En dan staat eensklaps Jezus in hun midden en opeens klinkt Zijn welbekende stem hun in de ooren, zeggende : „Vrede zij ulieden." Hoe Hij binnenkwam wordt niet gezegd, maar wie de kluisters van het graf verbrak, kan ook licht de dichtgegrendelde kamerdeur openen. Alleen Thomas is niet bij hen. Hij is tot zichzelven ingekeerd en kan nog niet deelen in de opgewektheid der meesten. De onderlinge bijeenkomsten, waarin zij elkanders geloof mochten versterken, woonde hij thans niet bij. Hij had zich teruggetrokken, en gelijk het nog zoo menigeen gaat, had hij zichzelven beroofd van het voorrecht, dat hun wacht, die in Zijnen Naam tezamen zijn, en aan wie Hij zich nog zoo menigmaal wil openbaren. Het ongeloof van den geloovige vertoont zich hier in den vorm van een zich onttrekken aan de gemeenschap der heiligen. Het woord van de Hoogste Wijsheid blijkt ook hier waarheid te zijn : „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij." Opdat de een den ander zou opbouwen in het allerheiligst geloof.
„En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam, "
Waar was hij dan wèl ? En was hij wettig verhinderd ? Had Thomas iets wettigs tegen Jezus, tegen de apostelen ? Indien neen, was het dan wel iets anders dan ongeloof, dat hem terughield ? O, dat niemand der broederen zich toch onttrekke ten verderve, wanneer en waar Christus en Zijne Gemeente samenkomen.
Thomas kan ook wel door zijn karakter teruggehouden zijn. Hij had een aard, waarin diepe klaarheid en vastheid lag, een afgrond van zwaarmoedigheid, maar ook vooral een heilige diepte der liefde tot Christus. Deze verbrokene en verslagene van hart had al zijn hope op Jezus gevestigd, en had nu met Jezus al zijne hope verloren.
Heviger dan ooit tevoren drukt hem thans den looden last zijner zondeschuld. Ook hij had op den kruisheuvel gestaan en het folterend lijden en de doodsworsteling van den Man van smarten aanschouwd. Daar op Golgotha werd hij ten hoogste aan Jezus geërgerd Een Heere, die sterft, een Verlosser, die zichzelf niet kan verlossen, een Messias, die niet gekroond wordt, maar gekruisigd! Hoe is dat overeen te brengen, met wat hem als kind verheugde, als man vervoerde, als apostel verrukte? Bittere vragen waren voor Thomas de voorzeggingen van het kruislijden des Heeren. Hetgeen in de laatste dagen was gebeurd, druischte in tegen zijn eigen vleeschelijke verwachtingen van een aardsch koninkrijk van den Messias, 's Heeren dood onder zulke vreeselijke omstandiigheden ergerde hem, had hem geheel terneder geslagen, ai zijn hope doen uiteenspatten. Zijn geloof in Christus was omvergeworpen. Hij kon het raadsel van het sterven van Jezus niet verklaren. Somber en voortdurend staarde hij op dat afschuwelijke vloekhout en op die duistere grafspelonk, die nog altijd voor hem gesloten was en in zijne arme geslingerde ziele was telkens twijfel. Zonder troost en zonder hope ginig de arme Thomas zijn weg. Zijn ergernis en zijn zondeschuld drukten hem neer ; zijn schuld, die hij sedert lang vergeven meende te zijn, en die hij had vermeerderd met nieuwe schuld, begaan jegens een Vriend, dien hij niet ophouden kon lief te hebben. Zijn smart was zoo groot, dat hij weigerde getroost te worden. Hij zoekt de eenzaamheid op. Troosteloos onttrekt hij zich aan de bijeenkomst der discipelen. Maar op Zijn tijd dat is ter rechtertijd, voert de Heere hem terug.
Thans echter dwaalt Thomas nog verwijderd van het gezelschap der discipelen eenzaam rond. Hij wenscht met zijn droefheid alleen te zijn en in den donkeren avond zwerft hij rond op eenzame wegen.
Sedert het laatste woord van den stervenden Gekruisigde was gehoord, waren negen dagen voorbijgegaan. De tiende avond was nedergedaald sedert den avond van den dag der kruisiging, toen in Jozefs hof de steen voor dat graf was gewenteld, waarin zooveel hope lag begraven. En nog altijd doolde Thomas rond in zijne droefheid, alleen zwierf hij rond met terneergeslagen blik en met neergebogen gestalte.
Met het sterven van Jezus, was hij gestorven. Hoe hadden Jezus' woorden diepe sporen van licht in zijn hart nagelaten. Maar nu was alles verzonken in het duistere, sombere graf. O, het zwarte rouwfloers van zwaarmoedigheid bedekt het licht in zijne ziele ; het is voor hem van binnen donkere nacht !
Maar was er dan niets gebeurd in de dagen, die voorbijgingen on op den derden dag, waarop de Heere zelve tevoren zoo in het bijzonder had gewezen ? Was er geen teeken geschied ? Was er geen gerucht gehoord ? Het geruisch van engelenvleugelen op den derden dag ? Was de stilte in den hof van Jozef van Arimathea niet gestoord door het geluid van hemelstemmen ?
Ja ; allen, behalve Thomas, zeiden, dat er iets was geschied. Het graf was door sommige discipelen ledig gevonden. De opstanding door engelenstem aan enkele vrouwen verkondigd. En de discipelen waren van lieverlede allen van de waarheid der opstanding overtuigd geworden en hadden Thomas gezocht. De eenzamen zwerveling, die verslagen in wegen van droefheid doolde, deelden zij mede, dat zij den Heere hadden gezien ; dat Hij waarlijk was opgestaan ! Zij omringen Hem en beleden eenstemmig : „De Heere is waarlijk opgestaan !" Hij was met ons, wij zagen Hem, wij hoorden Zijne stem !
Thomas kende deze medediscipelen wel. Hij wist, dat zij niet lichtgeloovig waren, dat zij door het kruis waren verbrijzeld en het ergste hadden gevreesd. Maar thans aanschouwde hij hen, rustig en verheugd, vervuld met hope en geloof, doch hij kan hunne getuigenis niet aannemen. Met droevigen blik, smakende de bitterheid van hetgeen op Golgotha was geschied, heft hij afwerend de hand op en zegt : „Indien ik in Zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijne vingers steke in het teeken der nagelen, en steke mijn hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven." En met dat woord trekt hij zich somber terug.
O, Thomas — welk een donkere gestalte ! De discipelen hebben hun Heere terug ! Het liefelijk licht der opstanding mag hen toestralen ! De donkere nacht van Golgotha is voorbij en voor de bittere en bange smart is de vreugde van een nieuwen morgen gekomen ! Jezus leeft — o, wie kan de zaligheid der opstanding uitspreken ! Waar eindigt de heerlijkheid, daarin geschonken !
Maar hoe donker is de gestalte van Thomas tegenover dien morgenglans ! Alles is hij kwijt. Jezus is dood 1 Het is alles uitgebluscht, alles voorbij, alles weg ! Geen lichtglans op de aarde, geen heerlijkheid in het leven meer, maar verlaten en ledig de wereld en het hart ! Verbroken en troosteloos is hij. In Jezus staat of valt het al van zijn leven. En nu zijn oog Hem niet meer ziet en zijn hart Hem niet ervaart, nu is er 'n ledigheid gekomen in zijn gemoed. Bange vragen rijzen op in den storm des levens. De aanvechtingen worden zoo zwaar in den nacht des twijfels. Hij voelt het, dat Hij, dien zijne ziele liefheeft, is heengegaan. Hij is krank van liefde. Hij zoekt Hem, maar vindt Hemniet. Hij roept om Jezus, maar verslagen ven harte verneemt hij het antwoord niet.
En ziet nu de verschoonende bejegening van den Heere.
Het is een week van zwaarmoedig lijden voor den somberen en toch zoo welmeenenden en liefhebbenden Thomas geweest, gedurende welke de apostelen niet dan vruchtelooze pogingen hebben aangewend, om hem tot andere gedachten te brengen. Reeds is het de achtste dag sedert de laatste verschijning-van den Heere Jezus en zij hebben Thomas overreed, om dien avond met hen te zijn.
Den tweeden Zondag zal hij met de vrienden doorbrengen, hij de treurige met de blijden. Daartoe liet hij zich bewegen. Maar ook, de hand des Heeren bracht Thomas daar. Aan die plaats in die avondure waren hem bestraffing en genezing besteld. Thomas zou hier iets ondervinden van de almacht, de alwetendheid en de zelfvernedering van den Heere Jezus.
En als de deuren gesloten waren, kwam Jezus in het midden van hen en zet het stempel op hun viering van den Zondag. In stillen opstandingsglansstond plotseling de Verrezene in het midden. Op den welbekenden toon klinkt het op eens weder evenals de vorige maal : „Vrede zij ulieden !" dat is : Geluk en voorspoed zij u toegewenscht en toegeschikt. Hemelsche zegeningen mogen daarenboven uw aller deel zijn. Want de Heere Jezus is de ware Melchizedek, de Koning der gerechtigheid, die als Hij uit Zijn Salem, de hemelsche vredestad afdaalt. Zijn erfvolk zegent met het woord Zijner kracht : „Mijnen vrede geef ik u."
En die wonderen gebeuren nog. Zijn er niet nog omstandigheden, die genoemd moeten worden, deuren, welke de ziele sluiten ? Nog zijn daar Gods vingeren, die gesloten deuren openen. Vanwaar zou anders Zijn Woord : „Vrede zij u !" de ziele binnendringen ? Nog gebeuren genadewonderen aan zondaarszielen.
Hebt gij wel eens gezucht, als gij dien schoenen tekst hoordet : „Zie ik sta aan de deur, en Ik klop...." Gezucht : „Ach Heere, ach kon Ik die roestige grendels eens wegschuiven en die zware deur openen...." O, indien gij waarlijk zoo zucht, troost u dan daarmede, dat de Heiland ook nog door gesloten deuren komt om Zijn vredegroet te brengen.
Soms heeft men jarenlang verzuimd om het Huis des Heeren te bezoeken. Doch daar slaat Gods uurwerk. En nu heeft ter bestemder tijd het wonder plaats. Later zal men van dat uur in Gods huis doorgebracht verklaren : „Christus zorgde, dat ik toen tegenwoordig was. En Hij ontsloot de deur mijns harten en trad binnen."
Maar, niet alleen door almacht, maar ook door alwetendheid genas de Heere Daar staat Jezus in het midden van Zijne discipelen. Om een enkele is het Hem ditmaal te doen. Hij, die naar Petrus omzag om met Hem alleen te zijn — Hij richt zich ook tot Thomas om hem liefderijk te bestraffen. O, de straf was zoo zwaar, omdat liefde haar oplegde, zoo zwaar, omdat zij het begeerde gaf — het begeerde, dat nu van schaamte doet branden. En aanstonds Zich van allen tot één wendende, tot Thomas, die daar verlegen, beschaamd verpletterd staat, geeft Hij, als de Alwetende, hem zijne eigen woorden terug en terwijl Hij Zijn vriendelijk oog vol genade en bestraffende liefde op Thomas geslagen houdt, zegt Hij : „Breng uwen vinger hier en zie mijne handen en breng uwe hand en steek ze in mijne zijde, en zijt niet ongeloovig, maar geloovig."
Welk een liefde ! Tihomas wordt er in versmolten. Hoe kon een Afwezige zoo letterlijk Thomas' eigen woorden herhalen ? Wonderlijk ! Ja, Jezus weet volkomen het woord onzer lippen en de overdenking van ons harte. Juist aldus kan Hij de Geneesmeester van geheime misdaad zijn.
Jezus had Thomas gevolgd op al die donkere eenzame wegen. Hij had hem, die zoo bitter over dat verlaten had gepeinsd, geen oogenblik verlaten. Jezus had hem, die zonder Jezus zich verloren zag, bewaard.
Jezus had gelezen al die booze gedachten — hoe hij zich geërgerd had — hoe hij meende, dat Jezus toch bitter was tegengevallen — dat Jezus het nu toch voor goed verloren had en dat Zijne vijanden triompheerden voor altijd. Al die gedachten had Jezus gelezen.
En Jezus had zijn woorden verstaan, toen de troost der discipelen zijn bitterheid deed volgroeien — Jezus had die woorden, met afwerend gebaar gesproken, vernomen — en nu.... wat Thomas eischte in de bittere ure met boos gemoed.... Jezus biedt het hem aan — niet boos, maar eenvoudig en oprecht. „Thomas, zie mijne handen."
O, welke straf komt zoo hard aan, gaat zoo diep door, als de liefdestraf van Jezus ? Geen roede verbreekt gelijk dat Jezus' liefde doet !
En hoe groot is de zelfvernedering van Jezus. Hoe kon Thomas genezen worden; ? Naar zijn eigen vermetel woord, alleen door betasten. Zijn dwingerige eisch gaf zooveel te kennen, als dat hij zelfs aan Jezus' woord niet genoeg had.
Nu had de Heere Jezus ook aan Thomas kunnen verbieden : „Raak mij niet aan." Maar neen, opdat Zijn Thomas mocht behouden worden, reikt de Waarachtige en Getrouwe hem Zijne doorboorde handen ter betasting toe en uitsluitend vriendelijk, ongedwongen nederbuigend zegt Hij : „Wees niet ongeloovig, maar geloovig."
En de Heere Jezus schenkt de taal des geloofs en de zaligsprekimg des geloofs.
Was Thomas dan nu overtuigd ? Heeft hij, zonder het Woord des levens getast te hebben, aan de opstanding des Heeren geloofd ? Maar immers, dan ware zijn ongeloof niet grondig overwonnen. Menigeen stelt zich voor, dat Thomas, voor drie kwart overwonnen en diep beschaamd met afwijzend gebaar zich aan het tasten onttrokken heeft. Hoe verklaart men dan zijn uitroep der aanbidding ? Maar neen, hij heeft eerst getast en toen gejubeld. Door zijn eigen woord en 's-Heeren herhaling gebonden, nadert hij vol tegenstrijdige gewaarwordingen. Zijn vingertoppen betasten doorboorde handpalmen, zijn hand voelt het litteeken van een speerstoot. Als ontwakende uit een benauwden droom, staart hij ontzet zijn Heiland aan. Hij ontwaakt, ontwaakt genezen uit den diepen doodelijken slaap. Hij ontwaakt en voelt niet meer dien knellenden band, die sombere bekoring des twijfels, die hem het ongeloovige, maar niet lichtzinnige woord in het harte en op de lippen had gegeven. Thomas is beschaamd en overwonnen. Hij heeft Hem gezien, ja, Hij is het, Hij is het ! En in zalige verrukking valt hij in aanbiddende verwondering en verwonderende aanbidding aan Zijne voeten neder. De zonnestraal van den blik van den verrezen Heiland dringt door de harde ijskorst zijns harten heen, en het inwendige vuur van dat harte vlamt op in het vurige woord der aanbidding, dat uit de diepten opstijgt en zijn geheele inwendige leven uitdrukt : een woord, dat welsprekender was dan duizend andere woorden, het woord des geloofs, de juichkreet des geloofs : „Mijn Heere en mijn God !"
Dat is ware geloofstaal. De stem die zoo vriendelijk zijn naam noemde, was dezelfde die eens gezegd had: „Lazarus, kom uiit !" Het was alsof zij nu tot hem gesproken had : „Thomas, kom uit, uit het graf uwer twijfeling. Zijt niet ongeloovig, maar geloovig." Met dat woord was hem het leven teruggegeven. In den kreet „Heere" belijdt Thomas den Heere Christus als den Stedehouder Gods, als den Middelaar Gods en der menschen. In het woord „God" heeft het geloof zijn grootste hoogte bereikt. Wij zien in Thomas wel een plotselingen overgang van de duisternis tot het licht, van de twijfelmoedigheid tot het sterkste geloof, dat hem op eenmaal de heerlijkheid van zijn Heere doet aanschouwen. Hoe dieper de veer des geloofs was ingedrukt geweest, te hooger verhief zij zich thans. En in dat zalige „mijn" slaat hij den arm des geloofs om zijn Losser heen. Hij ziet door het geloof den Heere Jezus in Zijn volheid, en zijn band aan Hem. Alle beletselen vallen weg. Gods Geest triomfeert over Thomas' vleesch. En hij barst uit in blijden jubel : „Mijn Heere en mijn God !"
Nu is de ergernis verdwenen. Nu is Jezus „Heere", „Meester" in den vollen zin des woords. Wat al de liefde en de vreugde der discipelen niet vermocht, heeft Jezus nu gedaan. Nu wordt het duister door het licht van Jezus' liefde overwonnen. O, wonderzalig wederkeeren uit de bittere gevangenis van ongeloof in de ruimte van licht en van liefde. Thomas heeft nu geen bedenkingen meer. Zijn gansche hart, zijn ziel en zin, alles, alles wat in hem is, buigt zich nu neer : „Mijn Heere en mijn God !"
Mijn God ! — Was het juist dat niet, wat in zijn bittere ongeloof het bitterste was ? In Petrus' belijdenis : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", was immers ook Thomas' belijdenis opgesloten geweest. Maar wat was er van dat geloof in Jezus' Godheid overgebleven in die donkere ure, toen Thomas op zijn eenzame wegen altijd maar weer peinsde : „God — en dan verslagen ! God — en dan dood en begraven !"
Nu is die bittere kwelling weggenomen — het tot berstens toe gevulde harte voelde de smart en bitterheid wegvloeien. Nu jubelt zijn ziel — Ja Hij is. Hij is Gods Zoon — Hij Overwinnaar.
Mijn Heere en mijn God. Met de armen der liefde heeft hij Jezus omvat. O, zeker, steeds had hij Jezus liefgehad. Oók toen hij zich ergerde — toen Jezus bloedde aan het kruis — toen Zijn dood lichaam koud in het graf lag — Thomas had Jezus lief. Juist de liefde deed hem zoo bitter lijden.
Maar hoeveel dieper, machtiger werd nu zijne liefde. In het geloof mag hij nu „mijnen" en terwijl hij naar het lichaam ter aarde nederzinkt, mag hij met de armen der ziele Jezus aangrijpen om nooit, nooit meer Hem los te laten. O, zalige terugkeer ! Welk een ruste ! Nu geen eigen wegen meer, geen zelf strijden nu, geen verdwalen, geen verzinken. Nu immers het eigendom van den Eeuwige, den Almachtige.
Mijn Heere en mijn God ! — Welk een vooruitzicht ! Nu geen ondergang, maar overwinning in-en uitwendig. Nu een eeuwige liefde, de bron waaruit zijn liefde vloeit. Een eeuwige liefde, die hem volgt, hem omringt op al 's levens paden.
O, Thomas ! vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar de Vader in de hemelen. De Heilige Geest is in uwe ziele. Want niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
En daarbenevens schenkt de Heere ook de zaligspreking des geloofs. Tot den apostel in zijn overvloeiende blijdschap sprak Jezus : „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas ! hebt gij geloofd. Zalig, die niet gezien, en nochtans geloofd zullen hebben, "
Thomas moest het nog leeren en zou het ook leeren, dat al wat gezien wordt, onvast is en wisselend altijd, altijd meer. Wat gezien wordt, wat bij den mensch is — het zal alles vergaan. Maar de eeuwige vastigheden liggen buiten den mensch en buiten de historie — zij liggen vast in Jezus Christus, het Hoofd van Zijn uitverkoren gunstgenooten.
Thomas was onuitsprekelijk zalig, toen hij zijn Zaligmaker, aan Wien zijn gansche ziele hing, wedervond. Maar zaliger nog gij, zoo gij gelooven moogt.
Als het bij u is : „Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen." Ja, waarlijk, dan is het oog des geestes geopend, dan is er een zien van den On-Zienlijke. Zalig, die dien teederen, verborgen omgang met Hem mag kennen, waardoor het dikwijls is alsof gij Zijn stemme hoort, alsof Zijn levenwekkende adem over u heengaat, alsof gij Hem aanraakt, den Getuige van al Uwe daden, den Helper in nood, o, kind des Heeren ! Zalig, als gij oprecht gelooven moogt. Dan behoeft gij het lichamelijk zien van Thomas niet meer. Dan dankt gij den Heere, dat gij het in het land uwer vreemdelingschap mocht ontvangen om niet té zien en nochtans te gelooven, om er door te worden voor bereid om eenmaal te zien, te zien, wat geen oog gezien heeft. Hem te zien en eeuwig met Hem te zijn !
Dat is de zaligheid des hemels !
Schoonhoven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's