De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RAPPORT van de Commissie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RAPPORT van de Commissie

12 minuten leestijd

RAPPORT van de Commissie van Advies aan het Hoofdbestuur van den Geref. Bond inzake het Vrouwenkiesrecht in de Kerk.

Artikel I.
Het Kerkelijk Kiesstelsel in het algemeen.
De Commissie van Advies heeft gemeend in verband met het onderwerp niet te mogen nalaten om te wijzen op de ernstige bezwaren, die het Kerkelijk Kiesstelsel in het algemeen aanhangen.
1". Het optreden van Kiescolleges en Kiesvereenigingen in de Kerkelijke organisatie verraadt een Kerkbegrip, dat met de belijdenis in strijd is en de Kerk niet houdt voor het organisch verband en de plaatselijke gemeenten als openbaring van het lichaam van Christus en daarom in leer en leven aan Zijn Goddelijk Woord gebonden, maar die als een vereeniging van personen beschouwt, die individueel verschillend van inzicht in godsdienstige en kerkelijke zaken, bij meerderheid van stemmen hebben uit te maken, welke prediking en kerkregeerinig in practijk zullen worden gebracht.
Door deze practijk heeft men zich derhalve principieel losgemaakt van de Schriftuurlijke orde, zoodat ook het wezen der Kerk wordt miskend en het karakter van haar Openbaring prijs gegeven, zooals deze in de belijdenis zijn geformuleerd. De Synodale organisatie is in dezen weg steeds verder gegaan, daar zij practisch de belijdenis liet varen, hoewel zij werd opgelegd aan de Kerk, die blijkens het reglement van de Synodale organisatie toch de Kerk der belijdenis was. De belijdenis onderscheidt de Kerk der Heilige Schrift toch van de secten, die zich met den naam van Kerk bedekken en spreekt zeer bepaald van de kenmerken harer openbaring, regeering en bediening der ambten (Art. 29, 30 en 31 Ned. Gel. Bel.).
Krachtens deze belijdenis is het dus aan de personen niet overgelaten naar persoonlijk inzicht en willekeur een andere prediking en Kerkregeering te stellen, dan die met de belijdenis overeenkomen.
2°. Aan de practijk van het kiesstelsel kleeft het gevaar van ongerechtigheid jegens een minderheid, die aan de belijdenis wenscht trouw te blijven en dóór de meerderheid wordt overstemd, zoodat zij van de bediening des Woords naar de belijdenis verstoken blijft, ofschoon zij daarop naar zuiver Kerkrechterlijk inzicht het volste recht heeft. Zoolang men toch de Kerk nog als Kerk wenscht beschouwd te zien, heeft men zich aan haar belijdenis te houden ; wil men haar maken tot een religieuse vereeniging, dan zie men van de confessie af en geve haar statuten, door haar leden vastgesteld. Van juister inzicht in het wezen der Kerk zou het blijk geven, als men de Kerk als zoodanig eerbiedigde en wanneer men haar belijdenis met het Woord Gods in strijd acht, naar verbetering streefde, of, zoo men zich bij de Kerk der belijdenis niet voegen kan, elders zijn religieuse behoefte zocht te vervuilen.
Krachtens het wezen der Kerk naar de conceptie der belijdenis doet men onrecht, indien men, zoolang die belijdenis nog de belijdenis der Kerk is, den kansel en de ambten inneemt of doet innemen om een bediening des Woords en een Kerkregeering te steunen, die daarmede in strijd zijn, ten koste van hen, die aan de belijdenis vasthouden. Dit moest het gevolg zijn van het feit, dat aan de Kerk een organisatie werd opgelegd, die, zijnde in strijd met den aard der Kerk zelve, haar belijdenis niet kan handhaven. Daartegenover kanhet op dezelfde gronden nimmer onrecht heeten, wanneer men aan eenige plaats, zelfs onder de Synodale organisatie, niet anders dan de prediking over eenkomstig de belijdenis der Kerk kan beluisteren. Die daarmede geen vrede heeft. kan zich misschien volgens de beginsefen van de Synodale organisatie een recht trachten te vindiceeren, doch hij censureert zichzelf dan ten aanzien van de Kerk der belijdenis.
Schoon volgens de belijdenis allen schuldig zijn zich bij de ware Kerk te voegen (Art. XXVIII), erkent zij ook een scheiding van de Kerk en van hen die van de Kerk niet zijn.
3e. Het Kerkelijk Kiesstelsel is een voortdurende oorzaak van conflicten. rengevölge van een streven der partijen naar de macht. Hierdoor wordt de strijd die in beginsel gaat óf voor de belijdenis óf voor een persoonlijk gevoelen, veelzijds onzuiver en aanleiding tot verbittering en partijzucht die slechts schade brengen aan het kerkelijk leven ook van hen, die behooren samen te werken.

Artikel 2.
Het Vrouwenkiesrecht.
Reeds in verband met het onder artikel I gestelde, kan de Commissie van Advies de invoering van het vrouwenkiesrecht toejuichen, ondanks de verwachtingen, die van links en rechts worden geuit, dat dit aan den orthodoxen vleugel de meerderheid zou kunnen bezorgen. Krachtens het revolutionair beginsel, waaruit het kiesstelsel is opgekomen, dient het veeleer bestreden en verworpen, dan versterkt. Het onderwerpt de Gereformeerde mannen en thans ook de vrouwen aan een beginsel, dat met dat van een Gereformeerde Kerkorde in strijd is, doch ook als zoodanig wordt het Vrouwenkiesrecht door principiêele bezwaren gedrukt, zoodra dit wordt gezien in het licht der Heilige Schriftuur. Ten aanzien van het passief stemrecht der vrouw hebben wij slechts te herinneren aan 1 Cor. 14 vers 34 en 35 en 1 Tim. 2 vers 11 en 12. waar aan de vrouw het zwijgen in de gemeente wordt opgelegd en het regeerambt en de bediening des Woords haar wordt ontzegd. Van den diaconale arbeid wordt hier niet gerept. De uitspraak, dat de vrouwen tehuis haar eigene mannen zullen vragen, wijst haar naar den kring van het huisgezin waar haar roeping ligt.
De vraag echter of ook in actieven zin het stemrecht der vrouw, niet toekomt, is hiermede echter nog niet beantwoord. De consequentie van het actieve kiesrecht zal zeer zeker niet uitblijven, doch nog blijft de vraag. of bij een afzien van die consequentie en de vermijding van het passief kiesrecht, het actief recht voor de vrouw is geoorloofd. De beantwoording van deze vraag hangt samen met een andere, n.l : moet het kiezen van gemachtigden en ambtsdragers worden beschouwd als een daad van regeeren ? Dit is zij zeer zeker en reeds uit dien hoofde dus niet toelaatbaar, tenzij de Schrift zelf grond geve voor het tegendeel, zoodat deze wijze van mede-regeeren en mede bepalen van de orde der Kerk en de bediening des Woords moet worden toegestaan.
Ook zoo gesteld, blijkt echter veeleer dat ook in dit opzicht de VROUW behoort thuis te blijven. De keuze van Matthias geschiedde blijkens Hand. 1 vers 16 door mannenbroeders. Eveneens de verkiezing der zeven diakenen Hand. 6 vers 3). Sprekende aangaande de bediening der gemeente zegt 1 Tim. 4 vers 6 : "als gij deze dingen den broederen voorstelt", zoodat het overleg dus met de mannen en niet met de vrouwen wordt gepleegd, gelijk ook 1 Tim. 2 vers S het gebed in de gemeente bijzonderlijk aan de mannen opdraagt.
Bij de officiëele handelingen in de regeering der gemeente blijft dus de vrouw thuis en zelfs de electie der ambtsdragers door de mannen schijnt eer 't karakter te dragen van instemming met de door de voorgangers verkorenen. Men vergelijke Hand. 14 vers 23 en Titus 1 vers 5.
Van te meer gewicht wordt de conclusie. die zich opdringt nl. dat het kiesrecht der vrouw in de Kerk des Heeren niet past, wijl de apostel Paulus te Corinthe zich kennelijk verzet tegen een optreden der vrouwen in de gemeente, dat men zocht op geestelijke gronden te verdedigen. In 1 Cor. 14 vers 36 en 37 beroept de apostel zich op het Woord Gods en zegt : ., Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat, hetgeen ik schrijf, des Heeren geboden zijn." In verband daarmede is het goed, te letten op hetgeen geschreven staat in denzelfden brief (1 Cor. 11 vers 2—16) omtrent de houding van de vrouw in de gemeente, waar deze wordt bepaald naar de orde der schepping, die de vrouw stelt onder de macht van den man.
Die zich dan ook aan Gods Woord willen onderwerpen en de gave der onderscheiding ontvangen, zullen hiertegen geen redenen opheffen. In een welgeordende Kerk is geen plaats voor het kiesrecht der vrouwen, wijl het Woord zulks buiten de orde stelt.

Artikel 3.
Hoe men ook tegenover de practische zijde van het vraagstuk sta, krachtens het Gereformeerd beginsel van Kerkregeering met het Vrouwenkiesrecht als zoodanig bestreden worden. De snelle ontwikkeling in revolutionaire richting en het reeds zoo lang heerschende stelsel, waarin de helft plus één beslist ook over zoo principiëele zaken, die bij het licht der H. Schrift dienden te worden onderzocht en bepaald, is oorzaak, dat wij wederom achteraan komen en aan hen, die ons met dit verwijt zullen tegenkomen, zij opgemerkt, dat dit niet aan ons zij te wijten, maar aan het feit, dat de stem der minderheid eenvoudig wordt genegeerd. Onze mannen hebben daar, waar de plaats is, hun stem tegen deze nieuwigheid in de Kerk steeds doen hooren, doch werden overstemd door een meerderheid, die de argumeriten niet weegt, maar de stemmen telt.
Waar dit op zulke principiëele punten geschiedt is dit een onrecht, aangezien men hierdoor een stelsel oplegt aan hen, die naar de overtuiging des geloofs, dat niet kunnen aanvaarden. De Synodale organisatie, die zich terecht heeft onthouden van eenige uitspraak inzake de belijdenis (zie aanteekenirsg 1 bij artikel Il Alg. RegL), had ook hier geen beslissing mogen nemen in een vraagstuk van zoo groote dogmatische beteekenis, tengevolge waarvan de verwarring nog grooter dreigt te worden. Wil men wijzen op de persoonlijke vrijheid om te stemmen of niet dan wordt dit niet weggenomen, aangezien het gaat over een zaak, die de Kerk der belijdenis krachtens haar grondslag nimmer zou kunnen voorstellen. Tegenover die Kerk pleegt men een onrecht, dat op zijn minst diende te worden uitgewischt, zij 't ook ten deele, door de plaatselijke gemeente vrij te laten wat betreft de al of niet invoering van het kiesrecht der vrouw.
Wanneer de besturen trouw waren gebleven aan de belijdenis, kon er geen sprake van zijn geweest het vrouwenkiesrecht aan te nemen en mocht men uit welke gronden dan ook het Vrouwenkiesrecht aan de orde stellen, waarom heeft men de vrouw zelf niet laten spreken, zooals aan het beginsel waaruit het vrouwenkiesrecht opkomt, past thans wordt haar een recht geschonken, dat zij niet heeft begeerd en waarom zij niet heeft gevraagd. terwijl het kerkelijk leven door deze wetsverordening weer een schrede verder wordt afgevoerd van den weg die behoorde gevolgd en de Kerk andermaal van haar beginsel wordt afgetrokken.

Artikel 4.
Ziende op de practische zijde van het vraagstuk en overwegende de kerkelijke toestanden waaronder wij ons bevinden, dient ook de vraag onder de oogen gezien, of een en ander aanleiding kan zijn om ondanks de prmcipiëele bezwaren daaraan verbonden, toch van het stemrecht gebruik te maken.
Men wordt dus voor de vraag gesteld : niet stemmen wegens het beginsel of wèl stemmen, niettegenstaande het beginsel wegens den abnormalen toestand.
Velen zullen in twijfel verkeeren of het beginsel mag verzaakt : o.a. terwille van practisch voordeel, dat men hoopt te kunnen bereiken. Temeer nog. waar dit voordeel op zichzelf twijfelachtig is, want zal de rechtervleugel worden versterkt, kan dit inderdaad ook beteekenen, dat de Kerk tot een betere orde komt ? Bij de onzekerheid op dit punt is aan hen, die de redding der Kerk verwachten van de stemming der vrouwen, tegen te werpen, of de redding niet gelegen kan zijn in een daad van gehoorzaamheid, die blind voor de uitkomst en ziende in het gebod, de zaak in Gods hand overlaat. Voor de vrouwen kan het evenzeer een daad des geloofs zijn. om niet te stemmen, als om dit wèl te doen.
Mogen de mannen de vrouwen, die het stemrecht niet hebben verlangd, overhalen tot de stembus? Voor hen, wier leiding wordt verwacht, wordt het een zeer moeilijk geval om zulk een beweging te inaugureeren, terwijl de beginselen daartoe geen vrijmoedigheid kunnen schenken, tenzij dan door het geloof.
Prof. dr. J. A. C. VAN LEEUWEN, Voorzitter.
Dr. J. SEVERIJN. Secretaris.
UTRECHT. Maart 1923.

DORDT.

ADVIES.
Op grond van de bezwaren tegen het Kerkelijk Kiesstelsel in het algemeen het vrouweukiesrecht in het bijzonder. heeft de Commissie van Advies de eer Uw Bestuur erop te wijzen, hoezeer ook bij de behandeling van deze kwestie de noodzakelijkheid aan het licht treedt dat het kerkelijk vaagstuk in het algemeen tot een oplossing worde gebracht en geeft U het volgende in overweging :
1e. Uw Bestuur neme daarin aanleiding om te streven naar een oplossing der Kerkelijke vraagstukken, waar door een einde wordt gemaakt aan het onrecht jegens de Kerk der belijdenis, die nog steeds een breeden aanhang in het midden der Synodale organisatie heeft en zich gestadig uitbreidt, en waardoor de conflicten kunnen worden beëindigd, die uit den strijd om de macht voortvloeien.
Daartoe streve Uw Bestuur naar zulk een orde, dat het volk, dat trouw blijft aan de belijdenis en overeenkomstig deze ook kerkelijk wenscht te leven, zich kerkelijk alzoo kunne inrichten en gedragen als naar de voorgestelde orde betamelijk is. Zulk een orde zou zich uit de huidige omstandigheden kunnen ontwikkelen.
2". In afwachting van een dergelijke regeling, bevorderd Uw Bestuur, dat ten aanzien van het Vrouwenkiesrecht een petitionnement uit de gemeente ter Synode worde gebracht, inhoudende bezwaar tegen de invoering daarvan.
3*. Uw Bestuur overwege om aan de Synode te verzoeken en te doen verzoeken om intrekking van de bepaling, die vrouwenkiesrecht mogelijk maakt, subsidiair om aan de plaatselijke gemeenten vrijheid te laten tot het al of niet Invoeren van 't vrouwenkiesrecht.
4e. Uw Bestuur besluite en door publiceeren van dit rapport en door deskundige voorlichting op grond der Gereformeerde beginselen ons volk daarmede op de hoogte te stellen, terwijl het wellicht, gezien de huidige omstandigheden, aanbeveling zou verdienen, het al of niet deelnemen der vrouwen aan het kiesrecht aan de plaatselijke gemeenten over te laten en te adviseeren ook aan de personen in het algemeen : dat een iegelijk in zijn eigen geweten verzekerd zij.
De Commissie van Advies oordeelde, dat een en ander door de Gereformeerden Bond zou kunnen geschieden als vereeniging van personen, meent dat 't uit Kerkrechterlijk oogpunt gewenscht is, dat in de eerste plaats het Convent van Gereformeerde Kerkeraden in dien geest zou optreden en geeft Uw Bestuur in ernstige overweging om met het Moderamen van het Convent te overleggen om gezamenliik op te trekken voor de belangen van het Gereformeerde volk in de Hervormde Kerk.
De Commissie van Advies is gaarne bereid het onder ten 1'. bedoelde plan breeder uit te werken en nader toe te lichten en hoopt Uw Bestuur spoedig een en ander te doen toekomen.

De Commissie van Advies :
(w.g) J. A. C. VAN LEEUWEN, Voorzitter.

(w.g.) J. SEVERIJN, Secretaris.

UTRECHT. 2 Maart 1923.

DORDRECHT.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

RAPPORT van de Commissie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's