Stichtelijke overdenking.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden, en zeide tot hen : alzoo is er geschreven. Lukas 24 vers 45 en v.v.
Een onderwijzing Christi.
Als er één zaak is, die in de Paaschverhalen. in het oog springt, dan is het wel de onmisbaarheid van Christus,
Uit alles spreekt die onmisbaarheid. Uit der discipelen verslagenheid, nieuwsgierigheid, verwarring, hopen en vreezen.
Maria in haar smart, Thomas in zijn ongeloof, Johannes en Petrus in hun zoeken, zij bewijzen het dat zij Hem niet kunnen missen.
Te begrijipen ?
Drie jaar hadden zij met Hem gewandeld en verkeerd. Zooveel van Hem gehoord en geleerd. Banden waren er gevlochten en gelegd. Innig en teeder was de gemeenschap.
En nu die dood.
Die allen aardschen band afsnijdt, die het uitmaakt en afmaakt voor goed, scheiding maakt voor altijd.
Zij kunnen het niet overgeven ; blijven zoeken naar een verloren Jezus ; schoon gestorven, toch nog verborgen in hun hart.
Wat een mooi kenmerk van 't geestelijke leven is dat, dat blijven zoeken, dat rusteloos omloopen om te vinden, dat aanhoudend bidden : „Och, of Hij kwame in mijn hof!"
Voor een onverschillige wereld heeft Jezus geen beteekenis. Een eigengerechtige gaat Hem voorbij. De zelfgenoegzame ruimt geen plaats in voor Hem. Maar de ontdekte ziele, diep ontdekt en gansch verloren, schreit het uit, dagen lang : „geef mij Jezus of ik sterf! Och, of de Bruidegom kwame tot mijne vensteren !"
Op Paaschavond zitten de jongeren achter gesloten deuren.
Kamerdeuren en hartedeuren op slot. Er is licht en geen licht.
Onkundig zijn ze niet meer. Sommigen hebben Hem gezien, anderen van Hem gehoord. Ze weten meer dan, des morgens, maar 't rechte weten zij niet. Wat moeten zij van dat alles gelooven ? Zou de tijding der boodschappers waarheid bevatten ? Zij hopen — maar vreezen ! Twijfel en geen zekerheid.
Maar opeens staat Jezus in 't midden. De Vredevorst zelf, met den vredegroet, vrede gevende, vrede latende.
En daar gaat kracht uit van Zijn woord, want onmiddellijk wordt 't verstaan, en zij leven op ; de vreeze wijkt, de hoop herleeft. Zou het waar zijn ?
Nog blijft de twijfel. Een geest misschien ? Hoe was Hij dan binnengekomen ? 't Blijven verwarde gedachten, verschrikte blikken, ontroerde harten.
En Jezus bemerkt de onrust Zijner kinderen.
Hij kent ze in hun kleingeloof en wankelmoedigheid.
Meermalen had Hij ze getroost. Hij weet het wel, dat ze tastbare bewijzen behoeven.
En dan, o, als Jezus maar overtuigt, dan vallen ze bij, en zij gelooven, en belijden : Ja, Heere, Gij zijt mijn Heere en mijn God.
Te groot is het wel om te gelooven. Van blijdschap staan ze in stomme verbazing en aanschouwing, in enkele aanbidding.
Maar dan : „Heere, Gij zijt het ; toch zijt Gij het, Gij en geen ander ; Gij alleen !"
Kent gij die oogenblikken in uw leven? Er zijn van die wonderlijke gebeurtenissen soms. Dan staan wij ineens midden in de feiten. Een samenloop van omstandigheden. Verrassend groot. Te groot om waar te zijn en toch waar. Gods hand ! roepen we uit. Gods werk ! Gods zegening ! Hij deed het. Hij was het Zelf. O, weelde-oogenblik, ure van rijke ervaring, van wonderlijk aanbidden !
Voor weifelende zielen tot leering. Voor wankelmoedigen tot versterking.
Ondanks gesloten deuren stond Jezus in het midden, in gesloten harten openbaarde Hij zich, en toen alles vastgegrendeld en ommuurd scheen, verbrak Hij grendels en kluisters en trad toe, van vrede sprekende, vrede gevende, vrede latende.
De Koning in 't midden, de Paaschkoning verschenen, de Paaschgroet verstaan, de Paaschvrede genoten.
Maar wie de waarheid der opstanding van Jezus Christus heeft verstaan en door de feiten overtuigd, zich geplaatst zag voor de machtige werkelijkheid Zijner lichamelijke verrijzenis, zoo dat het getuigenis weerklonk : „de Heere is waarlijk opgestaan !" die heeft ook nadere inleiding ontvangen en het woord der opstanding inbegrepen, waardoor het geloof in Hem versterkt werd.
Jezus, de opgestane Heiland, handelt zoo liefderijk met de Zijnen. Waar is een Leermeester, beter dan Hij ?
Nu moet de Bijbel eens op tafel.
En dan met den vinger er bij en allen er omheen en geluisterd, want Zijn mond brengt enkel wijsheid voort, oude en nieuwe dingen uit den schat Zijns harten en van Zijn Woord.
„Dat het alles moest geschieden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen."
Dan gaan zij het gansche Oude Testament door, al de bekende plaatsen langs, en 't wordt eene liefelijke leering van Jezus' lijden en opstanding, vernedering en verhooging.
Leerrijk voor onzen tijd !
Bij velen heeft dat Oude Testament afgedaan, en zij verstaan niet, dat het van Christus spreekt in al de woorden Gods, profetisch, typisch, ceremonieel. Zij zien Jezus niet in de openbaring aan de Vaderen, en gelooven niet al wat de Schriften hebben gesproken. Zij houden er maar een halven Bijbel op na.
Maar Jezus zegt : Mozes heeft van Mij gesproken.
Jezus zegt : „Zingt Psalmen, dan zingt ge van Mij."
Jezus zegt : „beluistert de profetieën, dan hoort ge Mijn Naam noemen."
Alles is daar van Christus, den beloofden, en aangewezen, en nu gekomen, en verschenen, toen aangekondigden en nu zich heerlijk openbarenden Heiland.
Alles van Christus, ook in het Oude Testament.
't Is de vraag maar, wie Hem daar weet te vinden. Maar de zoekende, rusteloos zoekende, vindt Hem zeker, en als de ziel begeerig gemaakt werd, en Jezus onmisbaar werd, spreekt ook dat oude Getuigenis woorden, die harten versterken en zielen vertroosten. Hebt gij bedenkingen ?
Ach, laat u door Hem onderrichten ! Bij Jezus ter schole ! Door Zijn Geest onderricht, vindt gij Zijn genade, en onvoorwaardelijk buigt gij, naar den eisoh van dat Woord, voor de waarheid en heerlijkheid van den Verrezen Koning, die het woord Zijner opstanding heiligt aan het hart.
Nóg geldt de leering : „Onderzoek de Schriften, die zijn het die van Mij getuigen !"
Nóg geldt de vermaning : „leg uw oor te luisteren aan de stem Zijner woorden", want zij brengt enkel wijsheid voort.
Wijsheid die zaligheid is, zaligheid, die vrede geeft.
Bijbelsche Christenen zijn de beste, discipelen met Schriftuurlij'ke bevinding de meest leerzame, leerjongens Christi op de school van Jezus gevormd de uitnemendste leermeesters in de Kerk des Heeren !
Maar ik weet het wel.
Gij blijft toch zeggen : „Wat baat mij dat Woord ! Ik heb den geheelen Bijbel doorgelezen van begin tot het einde, en Christus niet gevonden.
't Zal aan 't hart moeten worden geheiligd !"
Juist gezegd, verstandige opmerker ! Maar dat is dan ook de belooning, die Christus uitgeloofd heeft voor die het Woord recht onderzoeken, dat is ook de zegen waarmede Hij den arbeid der Zijnen kroont.
Want al lezende, opende Hij hun verstand opdat zij de Schriften verstonden."
O, als Christus onze Voorlezer is, gebeuren er zulke groote wonderen !
Wat gaat het dan eenvoudig, heerlijk en goed !
Zoo vanzelf gaan de oogen open.
Zoo vanzelf springen de hartegrendels los.
Zoo vanzelf wordt het waarheid en klaarheid van binnen !
Een onderwijzing Christi !
Vraag het eens aan de Lydia's, wier harten geopend werden, zoodat zij acht gaven op de woorden die door de Apostelen werden gesproken, en aan de Bereeërs, die den prijs hebben verdiend van 't volstandig, dagelijksch Schriftonderzoek, of deze dingen alzoo waren !
Zij allen getuigen : Ik heb de Schrift waarheid bevonden, ik heb de woorden Gods verstaan, en in dat alles gevonden bet leven voor mijne ziel.
Onderwijzing Christi ! Want blinden schenkt Hij het liefelijk licht, en die dwalen onderwijst Hij, hen brengende in het rechte spoor.
Door Zijn Geest geleid gingen zij zoeken, door Zijn Geest mochten zij vinden, en in de Waarheid leerden zij Hem kennen, die de Waarheid, de Weg en het Leven is.
Het werd Pinkster op Paschen ; als in de zaal, waar Jezus' discipelen vergaderd waren, en uitgaande hebben zij betuigd, dat zij nu wisten de dingen die hun van Godswege waren geopenbaard.
Zou dit niet de weg zijn om tot het ware Paaschleven te komen? Dan komt er Opstandingsleven, als Christus Zichzelf door Zijn Woord openbaart aan onze harten, en dan is er blijvende vrucht voor gansch het leven, omdat wij weten de dingen die ons van God geschonken zijn.
En dan blijft er maar één zaak te doen over. Die de onderwijzing Christi ontving, is geroepen om te gaan onderwijzen.
Het laatste woord dat de Goddelijke Onderwijzer hier tot Zijn jongeren zegt is : „En gij zijt getuigen van deze dingen."
Als wij het woord der opstanding hebben verstaan, en den geest der opstanding hebben ontvangen, dan zullen wij ook de boodschap der opstanding moeten en willen verbreiden.
Want als dezen zouden zwijgen, dan zouden de steenen gaan spreken.
En dat doen ze zeer zeker op Paschen, want de zware steen, die afgewenteld was, was een sprekend getuigenis van de waarheid van Christus' verrijzenis, en de nog zwaardere steenen, die van de harten der bezwaarde vrouwen zijn afgevallen, hebben hun tong aangezet tot een blijmare die door drong tot der discipelen oor, maar wat is dit allies nog vergeleken bij de heerlijke blijdschap, die gevonden wordt in het hart van allen, die met Christus op Paschen mogen getuigen : „ik ben dood geweest, maar ook ik leef met Hem tot in alle eeuwigheid", en die daarom zoo van harte gaarne getuigenis geven van het groote Paaschwonder aan eigen zijde volbracht.
O, 't zijn zulke wondere discipelen van Jezus ! Als ze uitgaan om te spreken, is er een stilzwij'gen vaak als het graf, en als zij zich voornamen om er gansch niet over te spreken, brak hun hart en mond los in een Paaschjubel : „de Heere is waarlijk opgestaan, en ook van mij gezien."
Onderwijzing Christi ? In gevolg, effect, zegen en vrucht.
Ik zie ze gaan, want alomme hebben zij de Paaschboodschap verbreid, den Paaschzegen uitgedeeld, den Paaschjubel verkondigd.
.Naar den wil van den Leermeester. „Opdat allen volken zou gepredikt worden in Zijn Naam bekeering, vergeving der zonden, beginnende van Jeruzalem."
Chrysostomus heeft er van gezegd : „'t is een bediening, waarvoor de Engelen zouden beven."
En gewis, als 's Konings Woord komt en dat zwaard des Geestes zijn slagen doet vallen, dan worden 's Konings vijanden geveld, en Koningskinderen toegebracht.
Opent dan uwe harten voor de Paaschwoorden van Jezus, den Opgestane !
Opdat de Vredevorst inrijde, de Koning der eere, die voortgaat in heerlijken triomph, en die al de Zijnen voert uit den hof van Jozef, over den Berg der Olijven naar het Huis des Vaders.
Geleerd door den Meester, geleid door den Leidsman, getroost door den Trooster, zal het einde van 's levens weg zeker zaligheid zijn.
L.
G. H. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's