Uit het kerkelijk leven.
De Kerk.
VIII.
Door de bij Koninklijk Besluit van 1816 bekrachtigde Reglementen, die, zooals we zagen, door allerlei vooraanstaande mannen van verschillende politieke kleur, eenstemmig als „ongrondwettig" zijn gekarakteriseerd, zijn de deGOereformeerde Kerken in dezen lande in een toestand gekomen, waaruit allerlei ellende is geboren.
Wij willen hiermee volstrekt niet zeggen, dat het er in 't begin van 1800 zoo héél mooi bijstond met de Gereformeerde Kerken hier en dat de Koning met zijn ongrondwettig handelen toen alles in de war gestuurd heeft, zoodat alles in deze voor zijn rekening zou komen. Want wanneer wij een zoodanige voorstelling van de geschiedenis onzer Gereformeerde Kerk gaven, zouden wij met recht zijn aan te klagen van een scheeve en valsche voorstelling der feiten te geven.
Neen — het stond niet zoo mooi met de Gereformeerde Kerken in het laatst van de 18de eeuw.
Wij hebben maar te herinneren aan de geschiedenis welke zich afspeelde ten opzichte van prof. J. H. Regenbogen, hoogleeraar in de Godgeleerdheid (van 1799—1812 te Franeker ; daarna hoogleeraar in de geschiedenis te Leiden van 1812—1814).
Reeds in 1806 had deze hoogleeraar de waarheid der Schrift openlijk bestreden, waarover velen ontstemd waren, maar toen in 1811 zijn boek : „Christelijke Godgeleerdheid naar de behoeften van den tijd" het licht zag, werd openbaar hoe ver hij — en velen met hem — waren afgeweken van de waarheid Gods ons in de Schrift geopenbaard. Het boek — 480 blz. groot, het uitvoerigste dat in die dagen het licht zag — bevatte een aantal rechtstreeksche of zijdelingsche aanvallen op de leer der Hervormde Kerk, bizonder wat betreft de leer der verdorvenheid van den mensch. der verzoening met God, der Godheid van Christus, enz.
De schrijver, die zijne afwijking van de belijdenis der Kerk geenszins bewimpelde, maar openlijk uitsprak, had het boek bestemd voor niet-geleerden, onder wie het niet weinig ergernis verwekte.
Drie classes in de provincie Utrecht verzochten den afgevaardigden van de Utreohtsche Synode bun beklag in te dienen op de vergadering van de Friesche Synode, die op 9 Januari 1812 gehouden werd en te vragen of er door de Friesche Synode tegen het genoemde werk van prof. Regenbogen (het was te Workum, in Friesland, uitgegeven) reeds iets gedaan was, of anders nog gedaan zou worden, om de schadelijke gevolgen te voorkomen, welke het zou kunnen hebben — met bijvoeging, dat zij anders daartoe de noodige maatregelen zouden beramen.
Wat was het antwoord van de Provinciale Synode ?
Dat men de afwijkende stellingen des hoogleeraars ten zeerste afkeurde ; dat ook iedere godsdienstleeraar moest vasthouden aan de zuivere belijdenis des geloofs ; dat in elke gemeente alles moest worden gedaan, om het nadeel van bekend geworden dwalingen en wangevoelens op de meest gevoegelijke wijze te keer te gaan. Maar — om meer dan één reden achtte Frieslands Synode het onvoorzichtig om in het publiek het boek van prof. Regenbogen af te keuren en hem openlijk te veroordeelen. De vijanden der Kerk zouden daar gebruik van maken om de Kerk groote schade te berokkenen.
En daar is 't bij gebleven èn in Friesland èn ook in Utrecht. Men was van oordeel, ook toen in 1814 er nog weer eens op werd aangedrongen, om het geschrift van prof. Regenbogen kerkelijk in het openbaar te veroordeelen, dat "de aangename kalmte" niet moest worden gestoord.
Men hield dus vast aan de belijdenis der Kerk.
Men vond de afwijkingen van de leer der Kerk schadelijk.
Ieder werd tot getrouwheid in deze vermaand.
Maar intusschen was ieder vrij om te leeren wat hij wilde ; in de practijk vierde de leervrijheid in de Gereform. Kerken (vóór 1816) hoogtij.
Want het geval met prof. Regenbogen staat niet op zichzelf. Er zouden tal van dergelijke feiten kunnen genoemd worden. En het is jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman, die er dezer dagen in „De N e d e r 1 a n d e r" de aandacht op vestigde, hoe in het Handboek der Geschiedenis van het Vaderland door mr. Groen van Prinsterer in onderscheidene paragrafen deze intreurige toestanden der Gereformeerde Kerk beschreven zijn.
Het Stadhouderloos Bewind (1650—, 1672) — aldus Groen — was voor de Hervormde Kerk een tijd van vernedering en verval. Zij werd verdrukt door Regenten, waaronder het niet aan Remonstrantsgezinden ontbrak. De rechtzinnige leer werd niet altijd in de Kerk gehandhaafd. Predikanten werden tot ijveren voor eigen begripoen en opvattingen verleid. Daarbij kwam eene wijsbegeerte van gevaarlijke richting en werking.
Bij de aristocratie was minachting voor de predikanten. „In wat achting zijn zij ? Is er wel een edelman, ja, een geacht burger, die zijn zoon laat studeeren om predikant te worden.? Ja, het wordt voor een groote schande gerekend, zoo.een predikant een rijke dochter ten huwelijk vraagt.
Mannen als Voetius (geb. 1588) hoogleeraar te Utrecht (1634—1676), Coccejus (geb. 1603 : hoogleeraar te Franeker 1636 en te Leiden 1650—1669), Koelman, Lodensteijn en anderen hadden een gezegenden invloed. Maar de schriften van Réné Descartes (1596— 1650) wiens weten van twijfelen uitging, en die de rede boven de openbaring stelde, maakten ook hier te lande, waar hij geruimen tijd verkeerd had, merkbaren opgang. En het wangeloof schoot hoe langer hoe dieper wortelen in de Kerk. Navolging van Fransche manieren en ondeugden werd een kenmerk van fijne beschaving. Misbruik van wijn en brasserijen waren geen zeldzaamheid ; de uitspattingen der weelde moesten door wetten soms worden beperkt. Geen huizen en huisraad was te kostelijk, geen kleeren te opzichtig, geen bruiloften te weelderig — of het kon al onder Christenen worden geduld. (Zie Groen, Handboek, 6de druk, paragr. 338 tot 339, blz. 285 etc.)
Het verval van beginselen en zeden werd door de rampen van 1672 eenigermate gestuit ; later had de overkomst der Fransche Hervormden, wier geloof in zelfopoffering was gebleken, over 't algemeen gunstigen invloed ter verlevendiging van christelijken zin. De zelfstandigheid der Hervormde Kerk werd tegen de kwellingen der stedelijke Regenten ook door Willem II beschermd ; de rechtzinnigiheid in de leer werd tegen velerlei afwijking door treffelijke godgeleerden gehandhaafd ; doch de zaden van volksverbastering begonnen wortelen te schieten en het ontbrak niet aan verontrustende verschijnselen van wangeloof en twijfel.
(Wordt voortgezet).
Een aanklacht.
In Noord-Holland is de toestand in vele Hervormde gemeenten allertreurigst. Stofvergoding, onverschilligheid, enz. voeren daar den boventoon. Het heeten dan moderne gemeenten, maar men kan ze beter onverschillige gemeenten noemen ; en niet zelden gebeurt het, dat zelfs kerkvoogden en notabelen geheel van de Kerk vervreemd zijn en men niemand vinden kan, die als ouderling of diaken wil optreden. Wereldschgezind zoekt men 't geen van deze wereld is en om de geestelijke dingen bekommert men zich niet. Wat er des Zondags op den kansel verkondigd wordt, is niet zelden verschrikkelijk. Allerlei „onderwerpen" worden behandeld, omdat zooiets dan nog een heel klein beetje soms de belangstelling wekt en ook omdat men voor een preek of bediening des Woords absoluut niets gevoelt ; noch de dominé, noch de gemeente. Toen wij onlangs een schoolrede mochten houden in de Hervormde Kerk te Broek-op-Langendijk, — waarlijk een oase in de woestijn — hoorden wij daaromtrent nog enkele dingen, waarover wij versteld stonden.
Intusschen is ds. H. J. D. R. Theesing, predikant der Hervormde gemeente te Middelie door zijn lezingen bekend of berucht geworden. Een van zijn lezingen had hij bijv. gepubliceerd als „de „oude" God is gestorven." En bij die lezingen (18 Nov., 2 Dec. 1922 ; 3 Jan., 10 Jan. en 17 Jan. 1923 gehouden) schijnt hij de dingen nogal radicaal en forsch gezegd te hebben.
Dat muisje heeft een staartje. Want drie orthodoxe predikanten en een orthodox diaken hebben een aanklacht tegen ds. Theesing ingediend bij het Classicaal Bestuur van Edam.
De aanklagers zijn ds. J. E. Koopmans te Zuiderwolde, zelf lid van genoemd Classicaal Bestuur, ds. B. N. J. Roskott te Buiksloot, ds. M. D. Gijsman te Zuiderdorp en diens diaken, de heer Meerveldt. Zij hebben den volgenden brief ingezonden :
Ondergeteekenden, leden van de Ned. Hervormde Kerk, overwegende, dat de heer H. J. D. R. Theesing, predikant bij de Ned. Hervormde gemeente te Kwadijk-Middelie (Noord-Holland) in toespraken over verschillende onderwerpen in het openbaar gehouden in het kerkgebouw der Ned. Hervormde gemeente te Middelie, volgens de hierbij ingesloten en niet door genoemden heer Theesing weersproken verslagen, gepuliceerd in het weekblad „Waterlander" en in het Woensdags en Zaterdags verschijnend blad de „Provinciale Noordhollandsche Courant" te Edam, de volgende uitdrukkingen heeft gebezigd :
(Lezing van 18 Nov. 1922) : Tusschen het evangelie van Jezus en het Christendom is een absolute tegenstelling, de leer van het Christendom is te verklaren uit een vanouds bestaande ceremoniëele wet om zich door gebeden en offers God tot vriend te maken — bij de vroegere menschheid was geloof in de onsterfelijkheid, maar dan moest de Mensch zijn God in zich krijgen — deze gedachten zijn terug te vinden in de Christelijke leer. — Er is verlossing bij Gods Zoon, die opstond uit den dood, wie in Hem gelooft zal ook opstaan uit den dood — door den laatsten maaltijd krijgt men Jezus in zich. Dit is de oude tooverij die overgegaan is in de Christelijke leer — zoo komt de groote fabel over Christus. De oude goden bestaan niet en zoo is ook de opstanding van Gods Zoon in de Christelijke leer, een fabel. Tenslotte hangt alles aan die eene fabel. Was die oude fabel er niet geweest, dan was de fabel over Jezus Christus er ook niet geweest. Het Christendom kan niets zijn zonder nieuwe fabelen en tooverij. Door het Christendom is Europa tot verderf, tot den chaos gebracht. Eerst als die oude fabel dood is, zal het evangelie kunnen leven. Als het Avondmaal er niet was, zou niemand er aan denken het uit te vinden.
(Lezing over de innerlijke eenheid van Roomsch-Katholicisme en Protestantisme, 2 Dec. 1922).
Beide zijn gezagsgodsdiensten, Rome door index en biecht, het protestantisme door belijdenisdwang en Christelijke scholen. — De moderne mensch kan niet aannemen dat de absoluutheid van de hoogste openbaring er reeds geweest is. — De moderne mensch dwaalt liever dan zich de waarheid te laten voorzeggen. Inzake godsdienst is alle twijfel een zegen. De Eeuwige heeft liever twijfelaars dan verzekerden die slapen.
(Lezing Godsdienst en Wetenschap 3 Jan. 1923). ledere godsdienst is gegroeid uit bepaalde factoren. Er is een eeuwige wording in de richting van de nooit bereikte waarheid. De Christelijke leer is geworden langs den weg der evolutie. Dé Christelijke leer is causaal bepaald en gegroeid uit de voorstellingen, gedachten der natuur-, wereld-en Godsbeschouwing in die dagen in omloop. De Christelijke leer is gefundeerd op de antieke natuur-en wereldbeschouwing. De Christelijke leer kiest de antieke wereldbeschouwing. De voltooide en bereikte waarheid door een beroep op den Bijbel is een fictie. De vraag of Jezus persoonlijk bestaan heeft is moeilijk op te lossen. De evangeliën zijn tendenzgesehrlften. De moderne mensch behoeft niet te draaien om de oude overlevering pasklaar te maken.
(Lezing over Godsdienst en Maatschappij. 10 Jan, 1923).
Jezus was maatschappelijk een revolutionair. Is door de menigte gekruisigd omdat de ommekeer, dien hij beloofd had, niet kwam. De Christelijke leer heeft dezen revolutionairen Jezus met de legenden van de oude godsdiensten omhangen. Omdat de Christelijke Kerk eeuwenlang de evolutie moedwillig tegenhield, vervalt de menigte, tot revolutie.
De schuld van de Fransche revolutie, het socialisme, de omwenteling in Rusland van wraak, geweld, moord, valt niet op de menigte, maar op het Christendom.
(Lezing : de „oude" God is gestorven, 17 Januari 1923).
Tusschen het evangelie van Jezus en het Christendom is een absolute tegenstelling.. Alle godsdienst is menschelijk en in den menschengeest opgekomen. Er is geen bovennatuurlijke openbaring die absolute zekerheid geeft. Dit gansche heilsproces is onlogisch en moreel niet houdbaar. Wie de wereld aanschouwt van roof, moord, prostitutie, de wereldsteden kent en al haar vreeselijkheid, kan niet gelooven in een liefdevollen Vader, als 't hem niet eerst was voorgepraat. Ja, de profeet (Jezus) die getuigde van den Hemelschen Vader, heeft gebroken door de realiteit van het leven aan het kruis zijn Vader verloren en zijn twijfel uitgeschreeuwd in het aangrijpend woord: Mijn God, Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten. Dat drama der ziel is door geen tekstverdraaiing weg te cijferen, het staat geschreven en kan nooit meer worden uitgevorscht. De klacht aan het kruis, is de klacht der menschheid. God heeft ons verlaten. De „oude" God is gestorven. De zekerheid is verloren. — De Geest openbaart zich in de evolutie; van de natuur, de maatschappij, het geestesleven. Een God die strijdt groeit, worstelt in het geschapene, niet van den Mensch afgescheiden en door den God in ons zijn wij Gods medescheppers.
Overwegende, dat de toespraken publiekelijk zijn gedaan op bovengenoemde data en plaats, dat hij hiermede gekomen is in flagranten strijd met zijn beloften om tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en tot die van de Ned. Hervormde Kerk in het bizonder met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen volijverig mede te werken om (art. 27 : Reg. Examen) in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, in de evangelie-bediening met ijver daarin werkzaam te zijn overeenkomstig de beginselen en 't karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, met opvolging van hare verordeningen ; overwegende, dat genoemde heer Theesing, dit alles welbewust heeft verloochend, verzoeken u dringend over eenkomstig art. 6 van het Reglement voor Kerkelijk opzicht en tucht, alsook de artt. 44—46 van dit reglement, onverwijld te willen overgaan om aan dit verderfelijk streven van den heer Theesing perk te stellen.
Het verblijdt ons, dat deze aanklacht is ingediend.
Niet, dat wij onze tegenwoordige kerkelijke organisatie geschikt achten om naar behooren leergeschillen te behandelen. Daarvoor moeten we, naar Gereformeerd Kerkrecht, onze kerkelijke vergaderingen weer terug hebben, met de belijdenis als accoord van gemeenschap en met gelegenheid van beroep op Gods Woord.
Maar waar men ons deze Synodale organisatie opgelegd heeft, met duizend verzekeringen, dat men niet zou dulden, dat de fundamentstukken der belijdenis zouden worden ondergraven ; en waar men allen besturen nadrukkelijk heeft opgelegd, de leer der Kerk te handhaven en te waken voor verguizing van de stukken van ons Christelijk geloof, naar Gods Heilig Woord, daar moet nu maar eens een algemeene schreeuw gehoord worden in het midden van onze Hervormde gemeenten, opdat aan de lastering van de Christelijke Waarheid in ons midden paal en perk gesteld mag worden.
Als men spreekt van „de oude tooverij die overgegaan is in de Christelijke leer" ; als men zegt : „de , oude goden bestaan niet en zoo is ook de opstanding van Gods Zoon in de Christelijke leer een fabel. Tenslotte hangt alles aan die eene fabel. Was die oude fabel er niet geweest, dan was de fabel over Jezus Christus er óók niet geweest'" ; als men voortgaat te zeggen : ,, Door het Christendom is Europa tot verderf, tot den chaos gebracht. Eerst als die oude fabel dood is, zal het evangelie kunnen leven" enz. — als men zulke dingen leert, dan sluit men zichzelf buiten het Christendom, buiten de Christelijke Kerk in 't algemeen, buiten de Hervormde Kerk in 't bizonder. Dan komt men zóó in openbaren strijd met den geest en met het hoofdbeginsel van onze Hervormde belijdenis, dat men als eerlijk man zélf van die Kerk afscheid moest nemen, om zich in gansch ander gezelschap te gaan bewegen.
En als men dat dan niet doet.
Als men dan, in weerwil van zijn beloften en in strijd met zijn beroepsbrief, zich toch in die Kerk blijft bewegen, om daar openlijk alles af te breken en tegen te spreken, dan moet de Kerk, hoe ongelukkig ook georganiseerd, door middel van haar Besturen zoo iemand er maar uitzetten.
Wij zijn benieuwd hoe deze zaak nu verder voortgang zal hebben.
In het Classicaal Bestuur van Edam is de meerderheid der leden orthodox (6 orthodoxen en 3 vrijzinnigen). Het heeft ds. Theesing reeds aangeschreven en hem verzocht vóór 25 April verweer in te dienen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's