De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Ze had daarop wel gerekend ; de ketel was vol en het vuur brandde goed.
Paul had nu al bijna anderhalf uur leesles gehad. Nu poosde hij even om zich In 't vlugge, handige doen van Marie te verlustigen. Hoe rap nam ze dien ketel op en hoe secuur zette ze 'm in den ring. Daarna pakte zij den koffiemolen.
„Marie, zal ik voor je malen ? " „Nee, jij moet lezen ! 't Is nu je gouden uur !"
Alsof hij een kleine deugnieterij had uitgehaald, sloeg hij terstond, een beetje kleurend, de oogen weer in 't boek en begon van voren aan alles te herhalen.
Toen de koffie gezet was, bracht Marie ze in den stal en kwam met een vroolijk gelaat weer in de kamer.
„Nu moeten we nog wel een uur wachten, want de koffie moet nu eerst haar werking doen."
Paul had gaarne willen weten, hoe 't met de koe was, doch durfde 't niet te vragen, omdat zij gezegd had, dat het nu zijn gouden uur was.
„Heb je 't allemaal nog eens nagelezen ? „Al tweemaal."
„Dan verder. Kijk — " Ze zaten nu dicht tegen elkander aan ; zóó dicht, dat Paul voor zijn linkerhand geen andere plaats kon vinden dan om haar middel. Beiden waren geheel vervuld met de eene gedachte, dat nu elke minuut goud waard was. leder uur gold voor een week. Zij keek nu en dan even naar de klok, tot het uur om was. Daarop fluisterde ze :
„'k Verlang zoo om te weten, hoe 't met 't arme beest Is. Ik ga stil even kijken."
„Mag ik mee ? " vroeg hij fluisterend. „Ja, maar stil. Ze mogen 't niet weten."
Beider klompen stonden in 't voorhuis ; op hun sokken gingen ze naar den stal, om niet gehoord te worden. In 't voorhuis merk ten ze, dat de gangdeur open en de staldeur op een kier stond: , geen geluid zou hun komst verraden.
,, Daar, achter de groote lijnkoekkist kunnen we 't goed zien !"
In een wip waren z'er en loerden daar alles af ; de stallantaarn verlichtte het operatieterrein. De koe lag ; Koen ging plat op den grond liggen, vlak voor den kop van het beest. Kooijker zag bleek en deed beverig.
„'t Moet nu toch maar", zei Koen. Kooijker kwam naderbij en trok den bek van 't zieke beest open. Koen pakte toen de groote tong met beide handen vast, trok ze zoover mogelijk uit den bek, boog zich met zijn mond naar die uitgehaalde tong en beet er het uiterste tipje af.
„Los maar !" zei hij, zoodra hij het stukje tong had uitgespuwd.
Marie, achter de kist, zag het en ijsde. Paul had het ook gezien. Hij wilde, dat hij dat stukje tong had, dan wist hij, hoe groot het moest zijn, dat er afgebeten werd : want dat had betrekking op de genezing. Als hij 't ook eens moest doen ! Van de koffie wist hij 't nu al : hij had er goed op gelet, hoeveel maatjes koffieboonen Marie in den molen had gedaan. Misschien mocht hij straks wel naar de koe en dan zou hij 't stukje tong oprapen ; hij had wel gezien, waar Koen 't heenspoog.
„Nu nog maar een beetje geduld, Kooijker !"
„Zou hij 't halen ? " „Hêh ? Watte ? Halen ? Dacht je dan, dat Koen een oliebol is ? Over een kwartier staat hij weer te vreten."
De beide verspieders zagen, dat de mannen aanstalten maakten om naar binnen te gaan en schoten als vluchtende muizen naar de kamer. Marie nam terstond het boek weg : niemand behoefde te weten, dat zij tweeën daar aan 't leeren waren geweest. Koen en Kooijker kwamen nu ook binnen; ze wilden nu zelf wel eens de sterke koffie proeven. Marie schonk in, ook voor Paul en haarzelf en zorgde tevens, dat ze allemaal een paar flinke boterhammen kregen. Dat was een verkwikking !
Daarna gingen de boer en Koen weer naar den stal ; doch ze waren de deur nog niet uit, of Marie had het boekje al weer te pakken. Nog weer een half uur leesles !
Eindelijk kwamen de mannen vroolijk binnen : de witkop vrat alweer ! Nu waren allen blij ; moeder op bed ook, want zij wist het even spoedig als de anderen. Koen kreeg nu borreltjes, zooveel hij lustte, de boer zelf nam er ook eentje. En nog voor ze scheidden, wist Marie een gunstig oogenblikje te vinden, om Paul het boekje in handen te spelen en deze moffelde 't behendig in zijn zak.
In blijde stemming verlieten de menschen elkander en Koen en Paul gingen hand in hand naar huis, druk redeneerend over de veedokterskunst. De jongen kwam nu ook te weten, wat een meester Koen was in de verloskunde en op welke wondere manier hij kalveren en lammeren in de wereld had geholpen.
Hij sprak met zóó stijve tong, dat de jongen hem nauwelijks verstond. Doch het ging steeds luid en druk, telkens afwisselend met : „Hêh ? Watte ? — zag je daar wat ? Kroop daar een kerel over den berm ? " En hoe banger de man was, hoe luider hij sprak en met nog meer gerucht naar mate hij dichter bij huis kwam, want dan kon Hilda hem hooren.
En Hilda stond buiten, bij 't hek, te wachten.

Hoofdstuk VII.
Mark Mons had een vriend, die onderwijzer was en dezen gevraagd om een leerleesboekje voor eerstbeginnenden. Met dat boekje in den zak toog hij Zondag weer op weg naar Delberg, nu met meer verlangen dan anders, omdat hij alle dagen met welgevallen aan Paul had gedacht.
En Paul verlangde naar zijn vriend en naar de Zondagsschool. Hij was al vroeg van tafel opgestaan en wandelde zijn meester te gemoet. Toen hij al meer dan een kwartier geloopen had, zag hij eerst van verre den vriend met het roode zakdoektipje op de borst, en stapte terstond nog flinker aan.
Eindelijk. „Dag meester!" „Dag mijn jongen." „Zij schudden elkander de hand".
„Meester, nu heeft God het mooi verzonnen."
„Wat dan? "
„Koen zegt, dat ik hard moet leeren, want dat hij een veedoktersboek zal koopen en dat ik hem dan daaruit moet voorlezen : hij weet al een heeleboel van zieke koeien en schapen, varkens en geiten ; maar hij wil nog veel meer weten. En van zieke paarden wil hij ook leeren ; daar weet hij niet veel van. En Hilda zegt ook, dat ik hard moet leeren, om Koen te kunnen voorlezen."
„Zoo ? En waarom heeft God dat nu zoo mooi verzonnen ? "
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's