De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

De houding van de Vrijzinnige Hervormden.
Op de buitengewone vergadering van de Vrijzinnig Hervormden te Amsterdam, dezer dagen gehouden, is de vraag behandeld : „Wat moeten de Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk doen, blijven of gaan ? "
Dr. M e i n d e r s m a van Maastricht zou die vraag beantwoorden en heeft aldus gesproken :
Kerkgenootschap met meer dan twee millioen leden — groot verschil bestaat, juist wat betreft godsdienstige opvattingen. Dit is zeker bewijs van werkelijk leven. Verschillen leiden echter licht tot conflicten en deze zijn in de Hervormde Kerk niet uitgebleven.
Nu is de groote moeilijkheid : hoe kan bij erkenning van het recht van verschil de uiterlijke eenheid bewaard blijven en innerlijk de opbouwing van het godsdienstig leven worden bevorderd naar ieders diepst gevoelde behoefte. Dit is 't kerkelijk vraagstuk, dat tegenwoordig weer zoozeer op den voorgrond staat. De samenwerking van orthodoxen en vrijzinnigen in één Kerkverband levert bezwaren op. Ook van vrijzinnige zijde wordt de toestand ondragelijk geacht en zijn er, die meenen, dat uit de Kerk te gaan geboden is, omdat de maat der verdrukking vol is en omdat niet langer geduld kan worden dat van vrijzinnigen geld gevorderd wordt voor orthodoxe doeleinden.
Er zijn er nu die een nieuw Vrijzinnig Kerkgenootschap wenschen te stichten en de raad wordt gegeven vrijwillig, met prijsgeving aller rechten, de Ned. Herv. Kerk te verlaten. 0ver de materiëele moeilijkheid ziet men heen, maar dat mogen wij niet doen. Daar zijn meer dan 400 vrijzinnige gemeenten; tezamen hebben deze een groot kapitaal, dat laat men los. Daar zijn meer dan 370 predikanten, rekent lïien het gemiddeld tractement op ƒ 3500.—, dan maakt dat f 1.295.000. Voor pensioen en weduwengeld komt daar toch wel bij ƒ 715.000. Dus de nieuwe kerk begint met jaarlijks op te brengen twee millioen. Wij krijgen verder kerk-en pastoriebouw, salarieering van beambten enz., jaarlijks drie millioen. Stel dat ook zich aansluiten de Remonstrantsche, Doopsgezinde en Luthersche ambtsbroeders. Voor dezen is zeker één millioen benoodigd. Dus een jaarlijksche uitgaaf van zes millioen komt ten laste van het nieuwe kerkgenootschap.
En welke vaste inkomsten staan daar tegenover ? Zoo goed als niets. Uit financiëele redenen is dus dit vrijzinnig kerkgenootschap onmogelijk. Anderen zeggen : er moet boedelscheiding plaats hebben en de vrijzinnigen krijgen het hun toekomende mede. Hoe dit zou kunnen geschieden, begrijpt de inleider niet, en als men ooit deze zaak aanpakt, zou het zooveel tijd vorderen, dat gansch de kerk verliep tijdens de afwikkeling.
Eischen nu echter redenen van anderen aard de nieuwe kerk ? Maar dan moeten ook alle vrijzinnigen toetreden. Zullen echter alle leden der vrije gemeenten het doen, de Remonstranten, de Doopsgezinden ? Inleider betwijfelt het en vele vrijzinnige Hervormden zouden zeggen : eens uit de kerk, voorgoed uit de kerk ; terwijl anderen door de macht der traditie toch in de kerk zouden blijven. Het nieuwe kerkgenootschap ware niets anders dan een ziekelijk kasplantje en het vrijzinnig godsdienstig leven werd daardoor niet bevorderd. Is nu een zoodanig kerkgenootschap gewenscht ? Neen, want onder de vrijzinnigen is volstrekt niet genoegzame geestelijke overeenstemming en besef van saamhoorigheid en spoedig zouden verschillen opkomen, niet minder scherp dan de tegenwoordige. Zoo iets ligt nu eenmaal in het vrezen van het Protestantisme.
Wij moeten in de Hervormde Kerk blijven. Natuurlijk hebben wij te streven naar verandering, verbetering. Hierover wordt echter in onze algemeene vergadering op 24 Mei te Arnhem gesproken als „ons program" behandeld wordt. Wij hebben te vragen of de toestand ons tot heengaan dwingt. Is deze toestand ondragelijker dan vroeger ? In tal van gemeenten heeft men geen last van de orthodoxie. Speuren wij ook niet iets van toenadering ? En het drieste optreden van een onverdraagzame orthodoxie is vaak een spreken voor het publiek en een overschreeuwen van betere gedachten.
Maar onze rechten dienen erkend te worden ! De geest werkt langzaam en wij zien den geest van vrijzinnigheid toch groeien in onze kerk, al zijn in de groote gemeenten schier uitsluitend orthodoxe predikanten.
De vrijzinnigheid heeft er in onze kerk wel slechter voorgestaan. Maar de hoofdelijke omslag ! Is dat dan iets nieuws ? Gaat het om 't spel of om de knikkers ? En verlaat men de kerk, nu men wat meer knikkers moet opbrengen ? Zeker, het is zuur, enkel te betalen voor de orthodoxie. Maar het is beter onrecht te lijden dan het te doen en juist de hoofdelijke omslag maakt de gewetens van kerkvoogden wakker en daarvan verwacht de inleider veel goeds. Üw geld zal ook rente opleveren. Blijft dus in de kerk ; daarin hebt gij recht.
Spreker herinnert aan de brochures van Révilie en Kuenen uit 1866 : „Wij blijven" en „Het goed recht der Modernen.'" Door God zijn wij geroepen. De menschheid heeft behoefte aan geloof. Evenwel in een geloof, dat met de rede in strijd is, is geen kracht. En nu is het onze taak in de Ned. Hervormde Kerk te prediken dat geloof, hetwelk verstand en hart bevredigt. Hier ligt ons arbeidsveld, hier in de volkskerk hebben wij te werken tot heil voor ons volk.
Spreker eindigt met aan te halen enkele coupletten uit ter Haar's gedicht : „Aan de Hervormde Kerk van Nederland : Wie angstig mogen vliên — wij blijven u beschermen."
Wij willen dit woord van den modernen dominé Meindersma eenvoudig geven, zooals hij 't gesproken heeft.
De modernen blijven dus ; blijven om de Hervormde Kerk te beschermen.
Zij blijven en zullen strijden voor hunne rechten.
Welnu — wij blijven ook.
Niet om te strijden voor „onze" rechten ; maar om te strijden voor de Waarheid, die naar Gods Woord is en overeenkomstig de belijdenisschriften der Kerk.
„Wie angstig mogen vliên — wij blijven !"
De Heere regeert !

Een opgewekt, geestelijk leven.
In de brochure „Onze positie tegenover de Ethische Vereeniging", geschreven door ds. J. van der Sluis, Gereformeerd predikant te Genderen, lezen we ook een stukje over „opgewekt, geestelijk leven", dat we hier willen ovememen zonder er iets in te veranderen of er iets bij te voegen. Het spreke tot ons, zooals het er staat, hoewel het allereerst gericht is tot de leden die behooren tot deGQereformeerde Kerken. Het luidt :
„Om den invloed van de Ethische Vereeniging tegen te houden in onze Gereformeerde kringen, moeten wij hebben een opgewekt, geestelijk leven, dat zijn kracht toont in woord en in daad.
Ontbreekt dat dan ?
Hij, die in onze kringen geboren is, er in leeft en werkt, zal daarop met warmte antwoorden : Gode zij dank, neen ! Er is onder ons nog opgewekt geestelijk leven. Maar het moest er méér zijn. En dat opgewekte, geestelijke leven kan alleen de vrucht zijn van een verzekerd oprecht geloof. Maar daarnaar wordt in onze dagen te weinig gevraagd. Dr. H. Bavinck zegt in zijn schoone boekje „De zekerheid des geloofs" : „Wij zijn er heden ten dage op uit, om de gansche wereld te bekeeren, om alle levensterrein gelijk het heet, voor Christus te veroveren, maar wij laten menigmaal na te vragen, of wij zelven in waarheid tot God zijn bekeerd en in leven en sterven het eigendom van Christus zijn. En toch op die vraag komt het wel degelijk aan, zij mag niet onder het brandmerk van methodistische en piëtistische bekrompenheid uit ons persoonlijk of kerkelijk leven gebannen worden. Wat zou het een mensch baten, of hij de gansche wereld zelfs voor zijn Christelijk stelsel gewon, indien hij zijner eigene ziele schade leed? " (3de dr. blz. 100).
Die vraag „ben ik bekeerd", „ben ik het eigendom van Christus", moest niet alleen in alle Christelijke kringen, maar ook onder ons. Gereformeerden, meer worden gedaan. Niet om daarmede het gansche leven bezig te zijn, maar om door een spoedige overgave aan Gods genade in Christus te komen tot de volle zekerheid des geloofs. Dan kan er een blij, opgewekt, geestelijk leven zijn en dat blijde, opgewekte, geestelijke leven zal openbaar worden in woorden en in daden. Wamneer die opgewektheid ontbreekt, dan wordt er gezwegen over de dingen van het Koninkrijk Gods, zelfs na de ernstigste preek. Uit de kerk gekomen, wordt er terstond weer gepraat over aardsche dingen. En de jongeren voelen zich daardoor afgestooten. Zij wenschen het zoo gansch anders. In hun hart gaat dikwijls veel meer om, dan hun mond zegt. Zij zouden o zoo gaarne het levend geloof eens zien in hunne omgeving. Maar als er opgewekt geestelijk leven, ja, als er werkelijk geestelijk leven is, dan uit het zich in woorden en in werken. Het zet een stempel op geheel het leven. Het is immers onmogelijk, dat zij, die Christus door een oprecht geloof ingelijfd zijn, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Zulk een geloof is voor de jongeren onder ons tot zegen.

Liever Turksch dan Paapsch.
„De Heraut" schrijft :
Het antipapisme, dat in onze dagen weer op de meest onhebbelijke wijze tot uiting komt, nu de Roomschen een eigen Universiteit willen oprichten, vindt wel zijn meest kenmerkende leuze in het : liever Turksch dan Paapsch. Dat aan onze openbare Universiteiten het ongeloof verkondigd wordt, is zoo erg niet. Aan het gevaar, dat van dit ongeloof uitgaat, mogen de studenten wel blootgesteld worden. Maar dat de Roomsche Kerk een eigen Universiteit wil hebben, om haar jongelingschap voor dit gevaar te behoeden, is een misdrijf. En al wat Protestant heet wordt te wapen geroepen, om daartegen den strijd aan te binden.
Liever Turksch dan Paapsch.
ïntusschen vergist men zich wanneer men meent, dat deze leuze van de echte Calvinisten zou afkomstig wezen. Calvijn heeft het juist omgekeerd gezegd. Toen Coelius Socinus, die zelf met een Roomsch meisje in het huwelijk wilde traden, wat natuurlijk Calvijn hem ontried, Calvijn in het nauw wilde brengen door hem de vraag voor te leggen : of men zich dus evenzeer van een huwelijk met een paapsch meisje als met een Turksch meisje moest onthouden, gaf Calvijn daarop ten antwoord, dat hij er niet aan dacht om degenen, die nog 't meest in de Roomsche superstition bevangen waren, met de Turken op één lijn te stellen, omdat de Roomschen toch altoos dichter bij ons staan (brief van Dec. 1549).
De leuze: liever Turksch dan Paapsch is de ruwe uiting van de Geuzen geweest. Maar een man als Calvijn heeft ze beslist afgewezen. Hij stelde Turksch en Paapsch nooit op één lijn. Hij erkende, dat zelfs de meest bijgeloovige Roomsche toch nog altoos heel wat dichter bij ons staat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's