De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De Kerk.
IX.
Liefde voor de Waarheid en zorg voor de handhaving der zuivere leer was er nog wel in die dagen. Aan de verdrukking der Voetianen, die voorstanders waren van een presbyteriale Kerkregeering, werd een einde gemaakt. Ook door Willem III werd onderlinge verdraagzaamheid gewenscht; wat o.a. blijkt uiit een placaat der Staten van Holland, die, na raadpleging met den Stadhouder, 't volgende bevalen : „dat de hoogleeraren en predikanten zich houden zouden aan de gewone leer der Hervormde Kerken, vervat in den Catechismus, de belijdenissen en de regels der Nationale Dordtsche Synode, maar de punten die deze onbeslist gelaten had, op hun eigen oordeel niet zouden voorgeven van zulk een gewicht te zijn dat, zonder die, de Schrift niet wel noch genoegzaam ter zaligheid zou kunnen worden verstaan."
In die dagen treedt Witsius (1636— 1708) op als boetprediker met groote geleerdheid en hartelijke Godsvrucht, predikende : „verrader zijns Heeren is elk, die onraad vernemende, de wapens niet aangordt en anderen in de wapenen roept ; de vrede dien wij zoeken, is de vrede van Jeruzalem, die in zich bevat den oorlog tegen den duivel, de wereld en de zonde."
Desniettegenstaande volgt weer groote afval. Mannen als Roëll (1653—1718) hoogleeraar te Franeker, die de uitspraak der rede boven het eenvoudig geloof aan de Heilige Schrift stelt, treden op. Balthazar Bekker (1634—1698), die het bestaan en de werking van engelen en duivelen loochent, schrijft zijn boek van de Betooverde Wereld. Spinoza — Jood van geboorte — komt met een wijsbegeerte, die van God en Zijn Woord afvoert. Bayle (1647—1706), hoogleeraar in de wijsbegeerte te Rotterdam, verspreidt leeringen, die niet overeenstemmen met het Christelijk geloof en zoo wordt Nederland voorbereid voor de ongeloofstheorieën, waarbij de doode orthodoxie spoedig plaats zou ruimen voor een wijsbegeerte in Godverloochening gegrond.
Op het gebied des geloofs werd aan de rede het oppergezag gelaten, op het terrein van den Staat aan de volkssouvereiniteit. De Nederlandsche Maagd, met de vrijheidsspeer in de hand, vond niet meer haar steun en sterkte in het leunen op het eeuwig blijvend Woord van God. Verflauwing van geloof vond men allerwege. En op de verflauwing van geloof volgde zedenbederf ; en op bederf van zeden voortgang van twijfel en van ongeloof. Waarbij de wijsheid dezer eeuw ontdekt had, dat de mensch zijn eigen wetgever is en dat elke openbaring bedrog is.
Dat hadden de Sociniaansche en Cartesiaansche begrippen gedaan. Dat was zoo geworden onder den invloed van de Engelsche deïsten en naturalisten, waartegenover doode orthodoxie niet genoegzame tegenweer was geweest.
Ja — wel bleef nog veelszins in naam de oude Waarheid bestaan. Nederland had ook te veel van den Heere ontvangen, dan dat hier zoo gemakkelijk, ook wat den vorm aangaat, alle geloof en godsvrucht zou kunnen worden uitgeroeid. Maar ook daar wist de goddelooze wijsbegeerte wel weg op. De stukken der Waarheid werden door de ongeloovige wetenschap op eigen manier uitgelegd en verklaard ; zoodat het oude werd bewaard, maar toch tegelijk werd vernietigd.
Waarheden, wier verloochening ten allen tijde door de Christelijke Kerk als ketterij en afval aangemerkt was (niet enkel de leer der verkiezing, maar ook die der Drieëenbeid, der verzoening door het bloed van Christus, der rechtvaardiging door het geloof alleen) achtte men onwaar, overdreven, bespottelijk, ongerijmd ; ja, gevaarlijk voor zedelijkheid en echte godsvrucht. God had zich — zoo leerde men — naar de van de heidenen ontleende begrippen van het nog ruwe volk der Joden, geschikt (b.v. wat betreft de leer van satan, van het offer, den losprijs, den vloek, enz.) De erfzonde — zoo zei men — was zedelijk bederf, de verdorvenheid en onmacht des menschen was zwakheid en gebrek ; de wedergeboorte zedelijke verbetering, de heiligmaking deugdbetrachting, de ingeving der Heilige Schrift een hoog verlicht zijn van Profeten en Apostelen. Gods Woord is niet de Bijbel, maar wat de mensch in den Bijbel voor goddelijk erkent. De Bijbel is een boek door menschen voor menschen, dat menschelijk moet verklaard worden, met dezelfde hulpmiddelen als elk ander boek. En nu de rede, inplaats van zich aan de leiding van den Heiligen Geest en aan het gezag des geschreven Woords te onderwerpen, naast en boven de H. Schrift. kwam te staan, was Gods Woord niet meer levend en krachtig en scherp snijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, aan een oordeeler te zijn der gedachten ; en der overleggingen des harten.
Waar was nu het eenmaal den heiligen overgeleverd geloof (Jud. 3) ? Het kon niet meer met Paulus blijmoedig worden getuigd ; „wij danken God zonder ophouden, dat gij het woord der prediking aangenomen hebt, niet als der menschen woord, maar gelijk het waarlijk is, als Gods Woord (1 Thess. 2). En het werd niet meer zoo hartelijk nagezegd in dezen lande : „Deze zijn geschreven, opdat gij gelooven zoudt, dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij geloovende het leven hebben zoudt in Zijn Naam." (Joh. 20 vers 31).
Men was gekomen tot een overeenstemming van geloof en wijsbegeerte.
En zoo was men gekomen tot een Christendom boven geloofsverdeeldheid.
En toen werd elke grondwaarheid van het Evangelie in de practijk door de toongevers dezer eeuw op de rij der biigeloovigheden gesteld. Terwijl er niemand was, die zich daartegen verzette.
Het was stil in dezen lande. En zoo kwam men hoe langer hoe meer tot een toestand, dat God verlaat die Hem verlaten.
(Zie voor bovenstaand Het Handboek van Groen van Prinsterer, 6de druk, blz. 333—492). (Wordt voortgezet)

Dominé of Gemeente?
Onder de huidige Synodale organisatie — welke onze Hervormde Kerk zoo onnoemelijk veel kwaad gedaan heeft — is het zóó geregeld, dat in vele gevallen de gemeente is overgeleverd aan de willekeur, aan de grillen, aan de ideeën van den dominé.
Wil de dominé Gezangen zingen — de gemeente heeft niets te zeggen.
Wil de dominé het formulier bij de Doopsbediening niet lezen — de gemeente heeft niets te zeggen.
Wil de dominé allerlei wijsheid — of dwaasheid — verkondigen, in strijd met Gods Woord en de leer der Kerk — de gemeente mag niets zeggen.
Er zijn wèl dominé's in onze Hervormde Kerk. Of er ook gemeenten zijn, staat nog te bezien
Ds. T h e e s i n g heeft het nog weer bewezen in 't groot. Wat geeft het of de Hervormde Kerk in opspraak gebracht wordt ? Of meerderen haar den rug toe gaan keeren ?
Men trekt er zich niets van aan. Als de dominé maar vrij is om te leeren — of te loochenen — wat hij wil, dan is de zaak gezond !
Zoo gaat het in 't groot. Zoo gaat het ook in 't klein.
Men heeft dat weer gezien in de kwestie met ds. James te Delfshaven.
Daar was het — en is het — nog gewoonte, om 's avonds den Heidelbergschen Catechismus te behandelen.
Maar op een gegeven oogenblik zegt ds. James in de vergadering van den Kerkeraad, dat hij voortaan niet meer uit den Catechismus zal preeken.
De Gemeente heeft hier niets te zeggen.
De Kerkeraad kan zwijgen. De Dominé — met een groote D. geschreven ! — is hier alles. Die heeft maar te zeggen hoe hij 't wèl of hoe hij 't niet wil ; en daarmee is alles uit.
Wonderlijk, dat men toch zoo strijdt voor de vrijheid van den dominé en dat men niet voelt, dat de gemeente op deze wijze maar naar de pijpen van den dominé heeft te dansen en dat de Kerkeraad op die manier machteloos wordt gemaakt. — Wat op den duur geen enkele gemeente en geen enkele Kerkeraad dulden kan èn mag.
Door de vrijheid van den dominé — niet zelden willekeur en bandeloosheid — gaat de vrijheid van de gemeente verloren en wordt de kracht van den Kerkeraad gebroken.
Wie heeft het ooit gehoord dat de dominé — zonder de gemeente en zonder den Kerkeraad — doen kan wat hij wil !
Waarbij dan niet zelden duidelijk uitkomt dat de dominé zoo geweldig op z'n vrijheid staat, niet zoozeer nog, omdat hij vrij wil blijven van den Kerkeraad, maar omdat hij vrij wil blijven van.... den Bijbel, van den Catechismus, van de leer der Kerk.
Hervormd zijnde, wil men vrij blijven om van de Hervormde leer te verschillen en te verwerpen wat daarin geleerd wordt en te prediken wat daarin verworpen wordt.
Daarin wil men vrij zijn. En dan wil men de vrije beschikking hebben over den kansel ; ook om te laten preeken, wien men wil ; zonder dat de Gemeente eenig recht daartegenover heeft; zonder dat de Kerkeraad daarbij iets te zeggen heeft!
Dit moet op den duur hoe langs hoe meer spaak loopen.
De rechten van de gemeente, de rechten van den Kerkeraad moeten meer worden omschreven en vastgelegd.
En dan natuurlijk in gebondenheid in het midden van de Hervormde Kerk aan de Hervormde leer, neergelegd in de drie Formulieren van Eenigheid.
Want zonder dat die band aangelegd en nader vastgesteld wordt, zouden de rechten van den Kerkeraad ook weer leiden tot allerlei willekeur.
Daarom moet in de Hervormde Kerk de Hervormde leer weer meer tot eere komen voor gemeente en dominé, voor Kerkeraad en predikant, en als dan de onderlinge verhoudingen nader worden vastgesteld en omschreven, dan kan het een andere en betere richting uitgaan in het midden van onze Hervormde Kerk, die nu door dwaze willekeur en afkeurenswaardige bandeloosheid hoe langer hoe meer wordt een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is en een huis, dat de achting van velen hoe langs hoe meer verliest.
Niet onaardig vonden we, wat „Onze Vaan", het Rotterd. Orgaan tot verbreiding van de gereformeerde beginselen, schreef naar aanleiding van de nuchtere mededeeling van ds. James in den Kerkeraad, dat hij voortaan geen Catechismusprediking zou houden.
"Onze Vaan" schreef o.m: „Er wonen in de Hervormde Kerk twee soorten van menschen : Hervormden en ....... andersdenkenden. De Hervormden zijn zij, die instemmen met de beginselen der Hervormde Kerk. Behalve Hervormden zijn er in de Hervormde Kerk ook nog andersdenkenden.
Deze andersdenkenden hebben voor zich mooie namen bedacht, waarmee ze gaarne worden aangesproken ; ze zijn ethisch, óf evangelisch (Groningsch), óf modern. Hoe ook verschillend, met de Hervormde Schriftbeschouwing zijn ze het niet eens. Wel ligt er op de kansels een Bijbel, juist zooals echte Hervormden hem begeeren. Deze Bijbel wordt door de andersdenkenden gebruikt, omdat er nog geen ethische, evangelische of moderne is. Wat hun aanstaat, aanvaarden ze ; wat hun niet bevalt, verwerpen ze.
Dè Hervormde Kerk heeft een belijdenis. Deze belijdenisgeschriften zijn : de Ned. Geloofsbelijdenis (in 37 artikelen) ; de Heidelbergsche Catechismus (in 52 Zondagen) ; en de Vijf artikelen tegen de Remonstranten. (Dordtsche leerregels). De Hervormden hebben deze belijdenisgeschriften lief, omdat ze Schriftuurlijk zijn ; omdat ze de Waarheid Gods zoo krachtig staande houden tegen de dwaalleer. Maar de andersdenkenden hebben met deze geschriften niet veel op. Ze vinden ze te dogmatisch.
De Hervormden verwachten van hun medeleden instemming met de Hervormde beginselen. De Hervormden verwachten van de predikanten der Hervormde Kerk, dat ze de leer der Heilige Schrift, de leer der Hervormde Kerk, liefhebben en prediken.
Dat ze prediken uit den heerlijken Catechismus.
Ze kijken verwonderd op, de Hervormden, wanneer een dominé verklaart dit niet te willen doen en ze vragen : „Waarom niet ? "
Hun verwondering stijgt ten top als een predikant zegt : „Ik heb bezwaar op formeele en principiëele gronden."
„Maar dominé", vragen ze, „zijn er dan Zondagen die niet Schriftuurlijk zijn ? "
Dit hangt af van ieders persoonlijke beschouwing en staat met de Schriftbeschouwing in verband.
Hoeveel respect een Hervormde ook heeft voor iemands persoonlijk inzicht, zoo verwacht hij toch van een dienaar van de Kerk instemming met de beginselen der Kerk."

De Anti-Christ.
De Anti-Christ staat te komen, gelijk er reeds vele anti-christussen zijn geweest en nog zijn.
Tegen God, tegen Christus zal een brutaal verzet komen, vol venijnige vijandschap. En tegen Christus' Gemeente zal de hel uittrekken met niet gekende machten, listen, krachten.
Daar dachten we aan, toen we lazen wat zich in Rusland nu afspeelt.
Daar is een aartsbisschop, Mgr. Budkiewicz, gefusileerd. Kort geleden. Den dag vóór Paschen, den 31 Maart j.l.
Doch dat vermoorden van dien aartsbisschop op zichzelf genomen, reeds vreeselijk, is het ergste nog niet. De omstandigheden waaronder die moord geschied is ; de motieven die tot dien moord geleid hebben, dat maakt het zoo God onteerend ; dat doet het uitkomen, dat er in Rusland een brandende, vlammende haat is tegen God en Christus ; dat men in één van degenen, die tot de dienaren van den godsdienst behoort, den godsdienst zelf heeft willen vertrappen en dat men Christus heeft willen vermoorden, dat men God heeft willen verbranden.
Als men de uitvoerige verslagen van het rechtsgeding leest, dan siddert men ; dan ontroert men tot in 't diepst van z'n ziel. 't Is alsof men heeft willen herhalen, wat er met den Heiland zelf is geschied. Men heeft al z'n haat en vijandschap willen uitspuwen en op de grofste wijze heeft men alles wat heilig is beleedigd en onteerd — om, na dagen en dagen den bijna 70-jarigen bisschop van de gevangenis naar de rechtzaal en van de gevangenis naar de rechtszaal en van de rechtszaal naar de gevangenis te hebben gevoerd, hem tenslotte met een pistool door den beul te laten doodschieten.
Dit is alles ingegaan tegen het uitdrukkelijk verzoek van onderscheidene Regeeringen, die aan de Bolsjewistische Russische Regeering gevraagd hadden den ouden prelaat Budkiewicz, die enkel en alleen uit haat tegen den godsdienst veroordeeld was, gratie te verleenen.
En het is duidelijk, dat de Russische Regeering ook daarin heel de Christenlieid wil tarten en hoonen.
Intusschen zijn er wetten uitgevaardigd, die het geven van godsdienstonderwijs aan personen beneden de 18 jaar verbieden. Zelfs het bidden in den familiekring en het godsdienstonderrichi, door moeders aan haar kleine kinderen gegeven, wordt er door verboden.
Als bewijs van den godsdiensthaat wordt tevens bericht, dat een bureau voor de levensmiddelen - voorziening, waarvoor de Paus geld gezonden had, te Moskou door de Bolsjewisten vol beplakt was met anti-christelijke en godslasterlijke opschriften, als : „Godsdienst is opium voor het volk" ; „God bestaat niet" ; „Godsdienst is de theorie van den wilde" enz.
En dat alles wordt hier in Nederland door mannen als Wijnkoop en Van Ravesteijn met vreugde begroet, gelijk wel blijkt uit een „Paaschartikel" in de „Tribune", het blad van deze Nederlandsche anarchistische bolsjewiki.
Laat ons een paar gedeelten uit dat Paaschartikel aanhalen :
„Terwijl men hier in dit land inplaats van den godsdienst Ie bestrijden, dezen noodzakelijken strijd meer en meer schijnt te willen ontwijken op de meest laffe wijze, zien we in Rusland iets geheel anders.
In Rusland voelt de arbeidersklasse zich als wat ze is, de overwinnares, en terwijl in geheel Rusland op elk gebied de macht der arbeidersklasse met den dag steviger wordt, worden de oude banden van het geloof zwakker.
De Kerstdagen van het afgeloopen jaar leverden hiervan weer het bewijs. Sedert 1917 zijn de religieuse feestdagen stille en angstige biieenkomsten geworden en de weinige geloovigen en contra-revolutionairen voelden den kolf der proletarische macht voelbaar in den nek. De burgeroorlog heeft thans opgehouden, de burgerlijke macht is vernietigd en de Sovjetmacht wendt al haar kracht bij den economischen opbouw aan. Maar de ijzeren bezem moet nog gehanteerd worden. Er zijn nog genoeg gebieden, waar de bourgeosie heerscht. En een van zijn meest belangrijke laatste steunpunten is de godsdienst. Daarom bestrijdt het proletariaat scherp en onbarmhartig den godsdienst en zijn organisatie : de Kerk."
„De proletarische dictatuur kan nadat zij de macht der Kerk heeft verpletterd, nu met alle kracht optreden tegen de zwarte schaar der bedriegers, die het volk vergiftigen en zich aan het volk vetmesten. De Sovjetmacht heeft de trotsche Kerk gedwongen haar goederen aan de hongerenden af te staan ; heeft de contra-revolutionaire hitsers zonder pardon voor het revolutionaire tribunaal gesteld, ook als ze bisschopsmijters droegen en heeft de jeugd van de Sovjetmacht de Kerstdagen gebruikt voor een groote antiklerikale campagne.
Gesteund door de levendigste sympathie der geheele arbeidersklasse heeft de communistische jeugd uit de religieuse feestdagen een feest der jeugd tegen den godsdienst gemaakt. En de papen, die 't ontstaan van hun godsdienst wilden inluiden, moesten met ontzetting waarnemen hoe in plaats van zich te buigen voor hun afgodsbeelden, de arbeidersjeugd trotsch het hoofd in den nek werpt.
Bij duizenden waren de jonge arbeiders naar de vergaderingen gegaan, waar de oorsprong en de beteekenis van den godsdienst werd uiteengezet. De geheele partijpers was dienstbaar gemaakt aan de anti-godsdienstige voorlichting en op scherpe wijze, in beeld, in artikelen en in gedichten, werden de fabelen der diverse popes, dominé's, rabbijnen, Mullah's, Lama's en dergelijke, uit elkaar gerafeld. Plakkaten met leuzen en karrikaturen versierden de vergaderingslokalen. En vaak genoeg kwam het voor dat deze vergaderingen werden gehouden in vroegere kerken of kloosters, waar op de plaats waar vroeger de goud-versierde heiligen-beelden hingen, nu in zwarte letters op rooden achtergrond de leuzen der Socialistische revolutie werden verkondigd."
„Na de ernstige redevoeringen en dis­cussies, waarbij men kon zien dat de jeugd zich had vrijgemaakt van het donker der onwetendheid, waarop alleen de godsdienst berust en dat zij thans in den strijd voor 't Communisme haar hoogste doel vindt, gaf de vroolijklieid den toon aan in deze vergaderingen. De jeugd lachte over deze papen en goden, die hun vaderen hadden onderdrukt en gepijnigd en die nu op het tooneel werden ontmaskerd en in hun werkelijke schaamteloosheid tentoongesteld.
Voor het irissche lachen der proletarische jeugd verstoven de nevelen van den godsdienst."
„Het vrije en onbevreesde lachen der arbeidende jeugd van Rusland zal de bourgeosie nog veel schrikkelijker in de ooren klinken. Want het was een vrome wensch van burgerlijke vrijdenkers, dat de godsdienst en zelfs de Kerk in de burgerlijke maatschappij kon worden overwonnen. Werkelijkheid is dit echter geworden in het proletarische Rusland, na de verplettering van de bourgeosie."
„Den volgenden morgen kwam de arbeidersjeugd op de straat en hield haar carneval. Er waren demonstratieve optochten, waarbij de deelnemers in de tienduizenden liepen. En ze droegen alle goden en afgoden met zich mee in den sloet, Boedha, Krischa, Allah, Isis, Christus, Jehova, Satan, de Engelen, duistere Geesten — de heele bende van dille tijden en landen. En de papen van alle soorten, alsmede de kapitalisten en officieren en de politie der burgerlijke maatschappij, ze werden als stroopop of harlekijn meegevoerd in den vroolijken optocht.
Men zong de oude gehate kerk-melodieën, maar men had er revolutionaire en satyrieke woorden op gemaakt. Steeds weer hielden de groepen in hun opmarsch halt en werden op de publieke straat vroolijke rondedansen gemaakt. De arbeiders zagen met welgevallen de demonstratie der jeugd. De bourgeoisie echter moest met nauw verbeten woede dit alles aanzien en de oude wijven huilden.
Maar 's avonds vlamden de brandstapels hoog op, waar de beelden der goden en afgoden tot asch werden verbrand."
Is het niet vreeselijk, dat in Nederland dit alles zóó geschreven, zóó gedrukt en zóó verspreid wordt ?
Is het te veel gezegd, als we hier gewagen van een Anti-Christ in Rusland, ook van een Anti-Christ in Nederland ?
Het artikel boven bedoeld, eindigde met deze vreeselijke passage :
„Het Paaschfeest is nu gekomen. Het Lentefeest, het feest der Opstanding in de natuur. Het heeft als godsdienstig feest grootere beteekenis gehad dan eenig ander feest in het groote Rusland.
„Christus is opgestaan !" luidde de groet op Paaschmorgen.
Voor het Russische volk is nu inderdaad de Verlosser gekomen en de godsdienst verdwijnt als een laffe schim.
Voor de strijdende en arbeidende menschen in Rusland is de godsdienst een inhoudloos ding geworden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's