Van 's Levenspad.
Wat een ongeloovige zegt.
Dezer dagen kwam mij een brief in handen, door een ongeloovige geschreven aan een, die door genade met Job mocht zeggen : „Want ik weet dat mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over dit stof opstaan, en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben zal ik uit mijn vle
sch God aanschouwen"; waarin onder meer het volgende voorkwam :
Velen uit mijn geboorteplaats zijn reeds heengegaan, sinds den tijd dat ik daaruit ben vertrokken, maar dit is ook reeds langen tijd geleden, een stuk van het leven. Dikwijls komt de gedachte op : wanneer zal het mijn tijd zijn, wat nog meer het geval is, wanneer er heengaan, welke men goed gekend heeft.
Ik kom hier nogal eens op het kerkhof óf met het begraven van een vriend of kennis óf met de begrafenis van een publiek persoon.
Daar dan zijnde, denk ik altijd weer : wanneer zal de dag komen, dat ik hierheen word gebracht. Doch hetzelfde oogenblik denk ik weer : ik hoop, dat dat moment nog verre is. Alleen de gedachte aan wat achterblijft is reeds voldoende te verlangen nog lang te blijven leven, en dan het bewustzijn niets te hebben bereikt, doet de wensch nog meer naar boven komen, dat het uur van sterven nog heel ver weg is. Maar ik weet het niet en intusschen doe ik wat ik kan ; steeds maar werken en bezig zijn ; nu eens in voorspoed en dan weer vol tegenspoed ; doch altijd weer met de hoop op beter. Menigmaal denk ik : wat geeft al dat geworm en al dat geploeter, want als men in de wereld leeft zooals ik, krijgt die iets weg van een schouwburg, waar al de bewoners in meespelen en dan gaat alles hoe langer ho'e kleiner voorkomen. Al dat gedoe hier is om geld te verdienen, rijk te worden ; niemand is tevreden als hij zijn dagelijksch brood verdient ; ieder wil geld verdienen, steeds meer ; maar 80%(? ? ? ) mislukt dat. En toch gaat men maar steeds voort met hetzelfde doel voor oogen, om morgen dezelfde ontgoocheling te ondervinden als al de anderen.
Nu zult ge uzelven kunnen voorstellen, met welk gevoel ik uw brief heb gelezen, welke getuigt van een rustig afwachten, vertrouwend op Hem, in Wien ge door uw geloof uzelven geheel hebt overgegeven. Het treft mij dat gij, zoo onverwachts op het ziekbed neergeworpen zijnde, niets anders verwachtende dan dat de dood weldra uw leven afsnijdt, zoo kalm kunt schrijven : „indien ik er nog ben wanneer uw antwoord komt." Ge hebt een groot geluk, zoo'n vertrouwen te bezitten. Lezende, dat ge daar op uw ziekbed ligt, dag aan dag die schier ondraagbare pijn en smart, in de lange nachten zoo stil en tevreden terneder ligt. Anderen door de straten te zien gaan, alles leven en beweging om u heen, terwijl gij vastgebonden zijt aan 't leger, o, daaraan denkeu'de heb ik diep medelijden met u. Maar dat medelijden wordt weggevaagd, wanneer ik lees van uw volkomen tevredenheid met uw lot en het volle vertrouwen, waarmee ge in „uw" God gelooft. Dan geef ik mij rekenschap dat gij iets groots bezit, dat anderen missen, dat anderen niet kunnen zeggen.
Spreekt dit gedeelte van dien brief niet genoeg voor zichzelf ?
Een ongeloovige is hier aan 't woord, die allen godsdienst heeft weggeworpen en die moet van een in Christus Jezus geborgene erkennen : Gij bezit iets groots, dat anderen missen.
Zulk een woord uit den mond van een ongeloovige, is dat niet een duidielijk bewijs, dat hij, ofschoon zeggende niets te gelooven, toch gevoelt dat die bewering geheel verkeerd is ? Hij haakt naar het leven, het leven op deze aarde en alle gedachten aan den dood worden ver weggedrongen, omdat hij voor niets anders leeft dan voor den tijd, voor niets anders oog heeft. Hoe arm, hoe ongelukkig toch, zoo voort te gaan over 's levenspad, zelf erkennende, dat het leven in de wereld gelijk is aan een schouwburg, waar ieder in meespeelt, en dan tóch nog daarin voort te gaan; tóch nog die dwaze bewering vast te houden, dat niets anders bestaat dan dit leven, dat bij den dood alles ophoudt.
Hoe arm, hoe ongelukkig zoo voort te gaan over 's levenspad, maar nog veel verschrikkelijker zal het zijn eenmaal zoo te moeten sterven, want immers dan zal het oogenblik aanbreken, waarin wordt ervaren dat met den dood niet alles ophoudt, dat dan de eeuwigheid begint, die ontzaglijke, nimmer eindigende eeuwigheid, welke na zulk een leven zal zijn vol eindelooze wroeging en berouw.
Hoe arm, hoe ongelukkig zoo voort te gaan over 's levenspad, maar ook hoe rijk, hoe gelukkig daar op te mogen voortgaan als diegene, wien deze brief werd geschreven. Die toch kon 'n brief schrijven waarin voorkwam : „indien ik er nog ben wanneer uw antwoord komt." Daar geen vrees voor den dood, geen angst voor het sterven, geen verschrikking als het levenseind komt, omdat de wetenschap, dan te mogen ingaan in de eeuwige welgelukzaligheid, rust en vrede geeft aan het hart ; ja, doet verlangen spoedig het einde van 's levenspad bereikt te hebben, om dan verlost van alle droefheid en smart, moeite en druk, bij den Heere te mogen verkeeren.
En hoe gaat gij over 's levenspad ? Gaat ook gij voort, bewerende, dat met den dood alles afgeloopen is, dat na dit leven niets meer is ? O, wat zijt ook gij dan toch arm en ongelukkig ; zoo voortgaande, niets hebbende dan het vergankelijk goed dezer wereld. Straks is het voorbij ; moet ook gij sterven, en dan ? Wellicht roept gij in overmoed uit : dan houdt alles op, dan is alles gedaan ; maar weet, dat gij u bedriegt, dat na dit leven de eeuwigheid komt, waarin het zal wezen wel of wee, eeuwige vreugde of smart. Dan zult gij te laat ervaren dat met dit leven niet alles ophoudt, om vruchteloos te wenschen gehoord te hebben naar de roepstemmen, welke tot u kwamen. Hoor dan de roepstem, welke nu nog tot u komt, gij ongeloovige, gij, die voortgaat over 's levenspad jagende naar de dingen der wereld, zonder ooit voldoening te vinden. Hoor dan de roepstem, welke de Heere, de God van hemel en aarde u doet toekomen : „Laat u met God verzoenen !"
Hoe dat kan, hoe gij u met Hem moet verzoenen ?
Dat is zoo eenvoudig, zoo gemakkelijk, want gij behoeft niets anders te doen dan als een onwaardige voor Hem neder te (buigen, uitroepende : „Wees mij zondaar genadig." Dan, als gij tot Hem gaat, Hem aanschouwende in Zijn heiigheid en majesteit, welke u doen vreezen dat Hij zulk een als gij niet meer zal gedenken, zal Hij uw zielsoog openen om Zijnen eenigen Zoon, Christus Jezus, te zien, Die uit Zijn eeuwige woning daalde om u met Hem te verzoenen. Dan moogt gij zien dat de Christus, de Borg en Middelaar een weg baande, waardoor een zondaar als gij weer voor Hem kunt bestaan. Al zijt gij aan den avond van uw leven en al hebt gij dit doorgebracht, bewerende dat er geen God is, dat met den dood alles ophoudt, zelfs dan nog wil Hij letten op uw klacht, waarmede gij tot Hem vlucht, u betoonende dat Hij nimmer verstoot wie tot Hem roepen. Dan, in Christus Jezus, zal Hij u aanschouwen, u geven een rijkdom nooit te schatten, nooit te peilen ; want dan geeft Hij u vrede, vrede en rust voor uw ziel, vrede en rust om voort te gaan over 's levenspad, uzelf in Hem verblijdende, uitroepende : Maar na den dood is 't leven mij bereid. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's