De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Zelfs toen hij de kleeren en schoenen al had aangepast, wist hij nog van niets. Eerst toen Mark zei, dat hij die kleeren nu maar aan moest houden en zijn eigen pakje en klompen onder den arm nemen, begon hij te vermoeden, dat het nu zijn eigen Zondagsche kleeren waren, iets wat hij tot nog toe niet had gekend.
„Dat krijg |e nu van een goed vriend, hoor ! Wees er nu maar netjes op en dank er den Heere voor."
Ja, maar hij wilde toch ook Mark Mons bedanken.
Wat plaagde Koen 't deftige ventje, toen ze naast elkander op den wagen zaten.
„Hêh ? Watte ? Ben jij Paul ? Harie, larie ! Jij bent een burger perfesterke ! Hilda zal jou niet meer kennen. Hoppe kijkt nou en dan 's om ; hij weet niet wat voor raars er naast Koen zit. Hoppe ! dat is nou Paul, hoor ! Als 't perfesterke nou maar niet vies van je ouwe pilaren is. Watte ? Als Hilda je ziet, en ik zeg haar, dat jij Paul bent, zal ze 't niet willen gelooven !"
En Paul had een schik ! Want hij kende zijn baas en kon plagen verdragen.
Hilda stond alweer uit te zien.
„Hil, je moet niet schrikken. Ik heb een perfesterke op den wagen. Heb je nog kleeden over den vloer ? Want van je leven heb je zoo'n fijn heertje niet in je huis gehad."
Ze lachten allen, 't Was nog niet zoo donker, of de vrouw kon het heertje nog wel goed op nemen. Wat ze nog nooit gedaan had, deed ze nu : ze stak beide handen naar hem uit en nam hem als een kind van den wagen, en als een soort liefkoozing klopte ze hem op den rug. De jongen voelde zich ingelukkig.
Paard en wagen werden aan hun lot over gelaten en het drietal trok het huis in, om bij 't volle lamplicht in de kamer het nieuwe pak eens goed te bekijken.
't Bewonderen was ernstig en stemmig.
Daarna begon Koen de oude plagerij, doch Paul haastte zich om het mooie pak uit en de oude kleeren weer aan te trekken, want het paard stond nog eenzaam en verlaten buiten. Gezwind spande hij het uit, en 't beest liefkoozend zachtjes, met de platte hand tegen den kop slaand, zei hij :
„Zondag mag jij 't zien, hoor, hoppe !"
Daarop diep hij voor 't beest uit, zei : ,, Kom !" en 't volgde hem tot in de wei.
Den volgenden Zondagmiddag was hij al weer vroeg op weg zijn vriend tegemoet. En deze zou hem waarlijk niet herkend hebben, indien hij den knaap ergens anders had gezien.
„Pas nu maar op, dat je niet trotsch wordt !"
Mark Mons wees naar een pakje dat hij onder den arm droeg.
„'k Heb een tweede boekje voor je meegebracht en een lei en griffel, want je moet ook leeren schrijven."
Dat bracht den gevoeligen jongen van streek : hij pakte de hand van zijn vriend en zei geroerd :
,,God is toch wonderlijk goed, meester ! 't houdt nooit op."
„Nee mijn jongen, 't houdt nooit op." Stil liepen ze verder.
Koen en Hilda stonden aan 't hek, om „hun" jongen te zien voorbijgaan.
„Dag Mons ! dag perfesterke !" " Er werd hartelijk gelachen.
Eerst in 't gezelschap der kinderen werd de knaap met zich zelf verlegen, want als uit één mond klonk het :
,,Kijk Paul 's, hoe mooi !" Doch 't wende wel.
Paul was al gauw ook door zijn tweede, zijn derde en vierde leesboek. Als Kerstgeschenk kreeg hij een groot, stevig en mooi gebonden Nieuw Testament.
Met zijn naam vóórin : Paul. Niets meer. Met geen mogelijkheid had men te weten kunnen komen, hoe zijn familienaam was. Hij zelf had gezegd, dat Teun Dolle het wist, maar toen men daar was gaan vragen, was die op reis en zou in geen week terug zijn.
Dat was nu voor den jongen eerst het boek.
't Boek van God, dat tot zijn verstand en hart sprak. O, hij was er zoo gelukkig mee. En spoedig las hij er in als de beste lezer. En immer had hij nu veel te vragen aan zijn vriend over wat hij gelezen had.
Koen en Hilda kende hij door en door en wilde ook hen gaarne nu en dan iets voorlezen ; maar hij wist wel, dat zij niets anders zouden kunnen verstaan dan allereenvoudigste verhalen. En — ook hij zelf zou alleen daaruit iets voor hen kunnen verklaren, als ze dat eens mochten vragen. Hij ging dus zoeken, wat hij hen kon voorlezen.
„Hilda, wil je eens hooren, of ik goed leer met lezen ? "
„Welja, dat is goed."
Hij las eenige uitgezochte gedeelten uit de Evangeliën, en Hilda zei, dat hij al mooi kon lezen. En als Koen thuis was, moest ook hij weer eens oordeelen, of Paul vorderingen maakte.
„Koen, mag ik je nu eens voorlezen ? " Koen zei, dat hij goed las ; maar van dat „Bijbelboek" wilde hij niet meer hooren.
Koen zou wel een ander boek voor hem „opsnorren". En Hilda had ook spoedig genoeg van 't „kerkboek".
En waarlijk, daar kwam Koen eindelijk aan met een „veedoktersboek", en Paul moest er soms avond aan avond uit lezen en dan ook nog trachten, den man het gelezene eenigszins te verklaren. En als het iets was, dat Koen voor zijn patiënten meen de te kunnen gebruiken, kommandeerde hij:
„Hêh ? Watte ? Schrijf dat op ! Advekaat, schrijf dat op !"
Maar dan werd het mieren. „Wat moet ik opschrijven. Koen ? " „Hêh ? Hier in mijn zakboek !" „Watte, Koen? "
„Dat je daar gelezen hebt : van dat medi­cament !"
„Hoe moet ik dat dan schrijven ? "
„Watte ? Als 't perfesterke dat niet weet, hoe zal Koen het dan weten ? Hilda, is die oliebol dronken ? Kan jij ook niet wat meehelpen ? Zeg jij nou 'r 's, hoe die augurk dat moet schrijven !"
„Wat ? "
„Dat onze dominee heeft gelezen. Drabbelkoek, lees het nog 's ! — Hil, nou moet je goed luisteren, en dan moet jij zeggen, hoe de advekaat het schrijven moet !"
Hilda zette zich ook neer, om te luisteren naar wat Paul uit het geleerde boek voorlas. En de vrouw wist raad : de jongen moest het eerst maar eens naar zijn eigen goedvinden op de lei schrijven, het daarna voorlezen, en dan konden ze samen zien, of 't goed was, of dat er iets in veranderd moest worden.
Eindelijk kon het recept geboekt worden. Maar hoe ?
Of Hilda zich voelde ! Zij toch besliste over den vorm van het geneeskundig voorschrift. En Kóén ! Hij kon zijn zakboekje den knapsten veedokter onder den neus hou den ! Hêh ? Watte ?
En Paul ? Hij leerde toch lezen, denken en schrijven !
Mark Mons zorgde steeds voor boeken en Zondagsche kleeren. Met Pinkster bracht hij voor Paul een Bijbel mee. En de jongen las, of hij al zijn schade in een jaar tijds wilde inhalen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's