Stichtelijke overdenking.
Een rijke belofte. *)
*) Predikatie, .gehouden te Veenendaal op Zondag 8 April 1923, ter gelegenheid van de openbare geloofsbelijdenis van vrouwelijke lidmaten weten we niet. Sommigen denken aan den berg Tabor, ten oosten van Nazareth ; anderen aan den berg waarop eenmaal de bergrede was uitgesproken ; weer anderen aan den berg der verheerlijking, waar de Heiland met Mozes en Elia gesproken had en waar de discipelen tenslotte ook niemand gezien hadden dan Jezus alleen.
I.
Toen eens aan iemand gevraagd werd welk volk hier op aarde het armste volk zou wezen, gaf hij ten antwoord : daar is geen armer volk dan het volk van God. Toen hem echter daarna gevraagd werd welk volk hier op aarde dan wel het rijkste volk zou wezen, gaf hij wederom ten antwoord: daar is geen rijker volk dan het volk van God.
Geen armer en toch ook weer geen rijker volk dan het volk dat in leven en in sterven het eigendom des heeren is. Bovenal als gij zelf tot dat volk behoort, dan zult gij het schijnbaar tegenstrijdige antwoord van dien man begrijpen en beamen, niet waar ?
Ja, eenerzijds is daar geen armer volk. Niet alleen toch dat Gods kinderen niet zeiden arm naar de wereld zijn, en dat, als de Heere nog aardsche goederen verleende, die goederen dan toch als het wettig eigendom des Heeren worden beschouwd, maar bovenal in geestelijk opzicht, dan is er geen ding waar het Gods kindeken van nature niet aan ontbreekt. Dan zijn zij arm aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, arm aan kennis, arm aan gerechtigheid, arm aan heiligheid. Ja, waaraan zijn zij dan niet arm. Neen, dan was het geen wonder dat de profeet reeds sprak van een arm en een ellendig volk en dat de Mond der Waarbeid zelf ze eens armen van geest heeft genoemd.
Maar anderzijds is daar toch ook weer geen rijker volk. Of zijn zij niet de bezitters van al wat liefelijk, van al wat schoon en van al wat kostelijk is ?
Worden zij niet bestraald door een licht dat verre schittert boven den glans der zon? Zijn zij niet de dragers van een edelgesteente dat in waarde alle kostelijke steenen verre overtreft ? Zijn zij niet de bezitters van een schat, die alle schatten dezer aarde verre te boven gaat ?
Blijken zij niet telkens weer rijk in geloof, rijk in hoop en rijk in liefde, maar dan ook rijk in kennis, rijk in gerechtigheid en rijk in heiligheid te zijn ?
En vraagt ge nu hoe het komt dat van de leden van Gods Gemeente, van de levende lidmaten van Gods Kerk gezegd kan worden ; niets hebbende en nochtans alles bezittende ; arm en velen rijk makende ?
Op die vraag zal ons tekstwoord ons een antwoord geven.
„En zie, Ik ben met Ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen." Matth. 28 vers 20.
Deze woorden zijn ontleend aan de afscheidsrede van den Zaligmaker.
Zooals we weten had de engel des Heeren het op den dag der opstanding den vrouwen reeds aangezegd dat de verrezen Heiland Zijne discipelen zou voorgaan naar Galilea ; daar zouden zij Hem zien. En zoo waren de elf discipelen dus heengegaan naar Galilea, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had.
Welke berg in Galilea dat geweest is,
Maar hoe dit ook zij, in ieder geval' hebben de discipelen op dien berg den opgestanen Christus aanschouwd. Immers als zij Hem zagen, baden zij Hem aan, doch sommigen twijfelden. Of dit nu dezelfde verschijning is geweest als de verschijning aan de vijfhonderd, waar van Paulus gewag maakt, weten we niet. Wèl spreekt Mattheus uitdrukkelijk van de elf discipelen, maar dat sluit natuurlijk niet uit dat ook anderen zich bij hen kunnen hebben aangesloten en dat er dus in 't geheel een schare van vijfhonderd menschen tegenwoordig is geweest.
In ieder geval heeft de Heiland daar woorden gesproken, die voor de geschiedenis van Kerk en wereld van de allergrootste beteekenis zijn. In de eerste plaats deed Hij een belijdenis. Die belijdenis was deze : Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. In de tweede plaats gaf Hij een bevel. Dat bevel luidde aldus : Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En in de derde plaats sprak Hij een belofte. Die belofte was deze : En zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.
Aan die belofte zij in deze ure onze bijzondere aandacht gewijd. Geven we achtereenvolgens een antwoord op deze drie vragen :
1. Door Wien werd zij gegeven ?
2. Aan wie werd zij verpand ?
3. Waarin ligt haar beteekenis ?
Als iemand mij iets belooft, vooral als het iets van groote waarde en rijke beteekenis is, dan is er mij natuurlijk in de eerste plaats alles aan gelegen of hij zijn belofte ook zal kunnen en zal willen vervullen. Immers wat heb ik aan een belofte, waarvan de vervulling steeds achterwege zal blijven ?
Zoo is het ook met de belofte waarvan ons tekstwoord de inhoud is. Wie heeft deze belofte gegeven ? Is 't iemand die haar niet alleen gaf, maar die haar ook zal kunnen en zal willen vervullen ?
Op die vraag heeft het „Ik" van onzen tekst ons een antwoord gegeven. Die „Ik" is de opgestane Christus, de levende Zaligmaker, die nog zoo kort geleden den dood tot overwinning verslond en die zoo juist deze 'koninklijke proclamatie had uitgevaardigd : „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde."
Toen de Zaligmaker dit woord sprak, stond Hij gereed om Zijn troon te beklimmen. O, we weten allen hoe diep Hij zich had moeten vernederen voor en aleer deze uitspraak van Zijne lippen vernomen kon worden. Hij had zich daartoe moeten ontledigen, moeten vernietigen ; Hij had daartoe gehoorzaam moeten worden tot den dood, ja tot den dood des kruises. Dat was de weg geweest waarlangs Hem een naam gegeven was boven allen naam. Maar nu Hij dien weg der vernedering dan ook tot het einde toe betreden had, nu dan ook het „het is volbracht" van Zijn stervende lippen vernomen was, nu bleek op Zijn kleed en op Zijn dijen ook de naam „Koning der koningen en Heere der heeren" geschreven te staan. Alle macht in hemel en op aarde was nu door den Vader op de schouders van den Middelaar gelegd.
O, we weten, niet waar, dat hemel en aarde in den regel beschouwd worden als de twee deelen van 't gansche heelal. Wanneer we van hemel en aarde spreken dan bedoelen we daarmede alles wat zich beweegt en leeft, alles wat is en bestaat.
Welnu, over dat alles was de verheerlijkte Middelaar toen Hij de belofte van ons tekstwoord uitsprak met macht en majesteit bekleed. Alles wat we ons maar eenigszins kunnen indenken was onderworpen aan Zijn Middelaarsvoet.
In de eerste plaats alles in den hemel. Neen, in den hemel heeft behalve Hij, nooit iemand iets te zeggen gehad. Geen Farao, geen Nebukadnezar, geen David, geen Salomo, of hoe de namen van de andere beroemde vorsten dezer aarde ook geweest mogen zijn, heeft ooit over een enkele plaats in den hemel kunnen beschikken. Hun rijk was van deze aarde en met hoeveel macht zij hier ook bekleed waren, tot den hemel strekte het gebied van geen hunner zich uit. Maar aan den verheerlijkten Middelaar was ook, was in de eerste plaats alle macht in den hemel verleend. Ook de engelen, de hemelsche troongeesten waren Hem onderworpen. Ook de gezaligden in den hemel zongen tot Zijn lof. Ook over de schatten van den hemel had Hij te beschikken. Ook de plaatsen in den hemel waren door Hem bereid. Of dus ook wij in den hemel zullen komen, of ook wij zullen deelen in den schat die daar weggelegd is, of ook onze stem zich zal paren in het lied dat daar wordt gezongen, dat hangt niet van onszelf en niet van de menschen, maar van Hem alleen af. Ja, alle macht in den hemel is den verheerlijkten Christus overgegeven. En zoo blijkt het ook met alle macht hier op aarde te zijn. Hier op aarde zijn vaak machtige koningen geweest, die over een groot deel dezer aarde hun scepter gezwaaid hebben. Van sommigen hunner wordt zelfs verhaald, dat de zon in hunne Staten nooit onderging.
Maar wie was er onder hen, die over de gansche wereld gebood ? Niet waar, altoos was hun macht meer of minder door de macht van anderen beperkt.
Maar wat geen van de machtigen dezer aarde ooit heeft kunnen bereiken, hoeveel pogingen zij er ook voor aangewend en hoeveel bloed zij er ook voor vergoten hebben, dat heeft Jezus bereikt. Hij heeft de wereld overwonnen. De gansche aarde ligt verslagen aan Zijn koninklijken voet. Vandaar dat dan ook geen enkele maoht dezer wereld aan Hem onttrokken mag worden en dat Zijn macht zich uitstrekt niet slechts over het bezielde, maar ook over het onbezielde creatuur. Ja, vandaar dat voor de èer van dezen Koning dan ook iedere levenskring moet opgeëischt worden.
Aan Jezus alle macht, ook op de aarde. Dat beteekent : alle macht over koningen en onderdanen, over aanzienlijken en geringen, over geleerden en ongeleerden, over rijken en armen, over vijanden en vrienden ; over de visschen der zee, over de vogelen des hemels en over de dieren des velds ; alle macht in hart en in huis, in Kerk en in Staat, m wetenschap en in kunst, in maatschappij en in school.
Niet, dat hier op aarde geen machten buiten en zelfs tegen Christus zouden bestaan, machten die het Koningschap van den verheerlijkten Middelaar rusteloos pogen afbreuk te doen. Ach, ieder die zijn eigen hart heeft leeren kennen, hij weet maar al te goed hoeveel stemmen daar zijn, die niet gesmoord kunnen worden : wij willen niet, dat deze Koning over ons zij.
En niet alleen daarbinnen in het hart van den mensch, maar ook daarbuiten in het midden der wereld hoort ge telkens de kreten tegen den Heere en tegen Zijnen Gezalfde weer opgaan : laat ons hunne, banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen. En o, de wereld is vaak zoo machtig ; machtig met haar zwaardgekletter en wapengeweld, machtig met haar wetenschap en haar kunst ; machtig met haar kapitaal en haar pers; machtig met de vaak schoone talenten die zij onbewust uit de schatten van den Koning ontving. Maar Christus zal ten slotte blijken oppermachtig, ja almachtig te zijn. Aan dien Christus immers heeft God den scepter Zijner sterkte gezonden, zeggende : Heersch in het midden Uwer vijanden. En daarom zal die Christus ook heerschen van de zee tot aan de zee ; van de rivieren tot aan de einden der aarde. Daarom zullen de koningen van Tharsis en de eilanden ook geschenken aanbrengen, en zullen de koningen van Scheba en Seba vereeringen toevoeren. Ja, daarom zullen alle koningen zich voor Hem nederbuigen en zullen alle heidenen Hem dienen.
Zie, zulk een Koning is nu de „Ik" van ons tekstwoord. Door Hem is nu de belofte van ons tekstwoord gegeven. Zoudt gij dan twijfelen of Hij machtig is haar ook te vervullen ? En of Hij gewillig en getrouw daartoe is ? Vraag dat aan allen aan wie Hij deze belofte verpand heeft. Over hen dient in de tweede plaats door ons gesproken te worden.
Ik ben met u. Dit woord heeft de Heiland oorspronkelijk gesproken tot den kring Zijner jongeren, hetzij dan dat dit de meer intieme kring der elve of de meer uitgebreide kring der vijfhonderd is geweest.
Tusschen die discipelen bestond, zooals we weten, niet weinig verschil. Wat een verschil in afkomst, in aanleg, in gaven, in kennis, in karakter, in toeleiding tot Jezus, in genot tot Jezus, in het opkomen voor Jezus. Ja, wat een verschil in leven en in levensopénbaring tusschen de discipelen des Heeren, zelfs als wij ons nu maar beperken tot den meer intiemen kring. Maar toch waren er verschillende dingen, waarin degenen aan wie de belofte van ons tekstwoord verpand werd, met elkander overeenkwamen.
Het eerste punt van overeenkomst was dat zij allen waren saamgekomen op den berg waar Jezus hen bescheiden had. Dat was een bewijs, dat er in aller hart iets leefde van het geloof, van het waarachtig geloof in de opstanding van Christus. Immers als zij niet geloofd hadden dat de Heere waarlijk was opgestaan, dan zouden zij zich naar die plaats niet begeven hebben. Hetzij zij dus den verheerlijkten Middelaar persoonlijk reeds hadden gezien, zooals dat — Thomas inbegrepen — met de elve wel het geval zal zijn geweest, hetzij zij de tijding van 's Heeren opstanding nog slechts van anderen vernomen hadden, maar daar leefde in aller hart, zij het misschien ook maar een korrel van het waarachtig geloof dat Christus de kluisters van dood en graf had verbroken en dat Hij het leven verworven had.
En daarmee ging bij allen gepaard een behoefte om ook persoonlijk in Hem de opstanding en het leven te vinden, om Hem in de kracht Zijner opstanding bij aanvang of bij vernieuwing te kennen.
Een tweede punt van overeenkomst tusschen degenen aan wie de belofte van ons tekstwoord verpand werd, was dit, dat zij ook allen den verheerlijkten Middelaar hebben gezien en dat zij Hem daarna hebben aangebeden. De Heere Jezus stelde Zijne discipelen niet teleur. Toen Hij ze op dien berg bescheiden had, toen is Hij daar ook gekomen en toen heeft Hij zich in de kracht Zijner opstanding ook aan hen geopenbaard.
Was het wonder dat Zijn verschijning toen hun ziel in verrukking heeft gebracht en dat zij, tot Hem opziende, klanken van innige zielsbewondering gestameld hebben ? O, wat een aangrijpend tafereel zal dat op dien eenzamen Gallileeschen berg geweest zijn, al de discipelen neergebogen aan de voeten des Heeren, al de discipelen zich verliezend in de glorie van den levenden Verlosser ! Zou het niet geweest zijn als werd daar reeds iets vernomen van het lied waarin straks de aanbidding van Jezus haar hoogste stadium bereikt zal hebben : Het Lam dat geslacht is, als waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eere en heerlijkheid en dankzegging ?
Toch lezen we ook daar nog dat sommigen twijfelden. En daar blijkt uit, dat ook in de beste oogenblikken het geloof van Gods kinderen soms nog met allerlei twijfelingen gepaard kan gaan. Immers we zouden zeggen : hoe was het mogelijk dat er onder de discipelen van den Heere Jezus waren, die daar nog twijfelen konden ? Maar ach, als we aan de arglistigheid van eigen hart ontdekt zijn geworden, dan behoeft er over dien twijfel der discipelen toch ook weer niet zoo veel verwondering te zijn. Immers hoe dikwijls kan er ook in de harten van Gods kinderen aan de meest stellige en plechtige verzekeringen van den God der Waarheid, die niet liegen kan, nog weer allerlei twijfel bestaan. Als dan onze twijfel maar niet dezelfde twijfel is als de twijfel die in het midden der wereld bestaat. Immers de wereld kent ook twijfel ; dat is de twijfel die geboren wordt niet alleen uit ongeloof, maar ook uit haat tegen Jezus. En deze twijfel, die in de wereld niet zelden tot een stelsel verheven is, kan en zal tenslotte niet anders eindigen dan in den dood.
Hoe geheel anders echter is het met den twijfel van 's Heeren jongeren op den berg in Galilea, met den twijfel van hen aan wie de Heere de belofte van ons tekstwoord verpandt. Niet dat die twijfel zelf door ons vergoelijkt mag worden. Maar toch is deze twijfel niet zelden de worsteling van geloof tegen ongeloof; een worsteling, die zich niet zelden uit in de bede : ik geloof Heere, kom mijn ongeloof te hulp ; een worsteling die dan ook tenslotte nooit anders zal kunnen eindigen dan in den triumf des geloofs.
Maar daar was nog een punt van overeenkomst tusschen hen aan wie de belofte van ons tekstwoord verpand is geworden. En dat is dit, dat over allen aan de belofte een bevel vooraf is gegaan. Dat bevel was dat zij zouden moeten heengaan, heengaan om te onderwijzen, om te onderwijzen alle volkeren, dat zij dat onderwijs zouden moeten paren aan den Doop en dat zij de volkeren zouden moeten leeren rekenen, met de bevelen des Heeren opdat daar een wandelen in Zijne wegen zou zijn. Ernstige roeping, waaraan deze jongeren straks ook gehoor hebben gegeven. Immers straks zijn zij heengegaan om de volkeren bekend te maken met den eenigen Naam die onder den hemel gegeven is tot zaligheid. Straks zijn zij uitgegaan en dank zij Gods voorzienig bestel en Zijn bijzondere leiding, is het Woord van den Drieëenigen God in den loop der eeuwen ook in deze landen verkondigd geworden en heeft de Heere zich ook aan onze vaderen geopenbaard als de God des eeds en des Verbonds, zoodat ook wij geboren zijn onder het licht van Gods Waarheid, zoadat ook wij gebracht zijn onder den band des Verbonds, zoodat ook wij leven onder het aanbod van Gods rijke en souvereine genade, en er ook onder ons niemand is, die zal kunnen zeggen, dat hij de Schriften, die hem wijs kunnen maken tot zaligheid, niet van kindsbeen af geweten heeft.
Maar des te meer reden dan ook om, inzonderheid als we tot onderscheid van jaren zijn gekomen, ons zelf te onderzoeken of ook wij de hand des geloofs reeds leerden leggen op de belofte die de Heere in ons tekstwoord aan Zijne discipelen heeft verpand, en of het met het oog op die belofte ook onze bede reeds werd :
Geef dat mijn oog het goed aanschouw 't Welk Gij uit onbezweken trouw Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen, opdat ik U mijn rotssteem noem, En deelend in Uws volks genoegen Mij met Uw erfdeel blij beroem.
(Slotvoet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's