De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

11 minuten leestijd

De Stemplicht.
Het is bekend, dat de Antirevolutionaire partij steeds geijverd heeft tegen den stemplicht en haast geen gelegenheid heeft laten voorbijgaan om het te doen uitkomen dat opkomst bij de stembus, door strafbedreiging als het ware af te dwingen, in onverzoenlijken strijd is met het begiinsel van vertegenwoordiging van het volk.
Daarom sprak zij in het program van actie zich onomwonden uit voor afschaffing van den stemplicht.
Behalve het beginsel, vraagt ook de practijk deze afschaffing.
En wel in de allervoornaamste plaats omdat de Kieswet op het stuk van den stemplicht niet is te handhaven.
De verkiezingen voor de Staten leverden daarvan een nieuw bewijs. Van de 3.291.065 kiezers, dié het kiezerskorps telt, bleven toch meer dan 500.000 mannen en vrouwen thuis.
Voor Amsterdam bedroeg het aantal thuisblijvers ongeveer 77.000.
Zoo de zaak staande, begrijpt men, dat vervolgingen niet kunnen plaats vinden. In de hoofdstad des lands denkt men er zelfs niet aan om strafvervolgingen in te stellen, laat staan deze te doen doorzetten.
Zoo wordt het wetsartikel, dat den stemplicht voorschrijft, een aanfluiting.
Maar daarbij komt, dat men hier en daar op het platteland de strafvervolgingen wel doorzet, omdat daar enkele overtreders verspreid wonen en men meent die wel te kunnen adhterhalen. Zulk een wijze van doen werkt onbillijk en schept rechtsongelijkheid.
In de groote steden doet men alsof er geen stemplicht bestaat, terwijl men ten plattelande tot strafvervolging overgaat.
Zoo heeft de kantonrechter op het eiland Flakkee de zaak het vorig jaar kras aangepakt en b.v. heel wat personen, waaronder niet weinige vrouwen, die tegen het stemmen gemoedsbezwaren aanvoerden, tot de hoogste boete veroordeeld. En gezien de houding van den kantonrechter, vreest men, dat ditmaal heel wat zware straffen zullen worden uitgedeeld.
Nog eens, zulk een uitvoering van den stemplicht leidt tot onbillijkheid en tot rechtsongelijkheid.
Het is dan ook om al deze redenen, dat tot afschaffing van den stemplicht moet worden overgegaan.
Merkwaardig was het, toen de vorige week van Antirevolutionaire zijde opnieuw een poging gedaan werd om aan den stemdwang een einde te maken, de Christelijk Historischen met de Roomsch Katholieken hand in hand gingen om voor de zooveelste maal van hun liefde voor den stemplicht te doen blijken. Het gaf den indruk, dat jacht op succes aan dit samengaan niet vreemd was.
Tot den laatsten man toe waren de Roomsch Katholieken en de Christelijk Historischen opgeroepen om te zamen de poging van de Antirevolutionairen te verijdelen.
Jammer dat een enkele Antirevolutionair op het appèl ontbrak, want dan ware het met den stemplicht voor goed gedaan geweest.
Eerst staakten de stemmen en daarna bleef de stemplicht met 42 tegen 39 stemmen behouden.

Dankbaar.
„D e Ned e r l a n de r" van Zaterdag heeft ons de eer aangedaan door van ons artikel: „Handen thuis" in zijn kolommen melding te maken. Wel liet het blad het essentiëele uit het artikel onvermeld, maar wij zijn toch dankbaar, dat, ook al was het maar een enkele van onze opmerkingen, zijne aandacht had.
Maar nu is het opmerkelijke van de beschouwing van De Nederlander dat, waar wij schreven, „dat de Overheid de Hervormde Kerk heeft los te maken van de banden, die deze Kerk nog aan haar binden, omdat zij in de algeheele vrijheid van de Kerk de levensvoorwaarde ziet voor haren bloei", gevraagd wordt, wat wij daarmede bedoelen. Zelfs wordt prof. Fabius, met wiens denkbeelden De Nederlander nu niet altijd accoord gaat, ons voorgehouden als de man die bij het verbreken van die banden geen taak voor den Staat ziet weggelegd.
Wij hopen binnenkort de gelegenheid te hebben onze bedoeling nader uiteen te zetten ; voorshands verwijzen wij De Neder1ander naar hetgeen van Antirevolutionaire zijde in den laatsten tijd over het onderwerp is gezegd en geschreven geworden en naar het program van actie dezer partij met de toelichting, welke op dit program werd gegeven.

De uitslag.
De uitslag van de Statenverkiezing levert veel stof tot dank.
De vrees, dat tengevolge van de mindere activiteit en de meerdere lauwheid der kiezers bij deze stembus, vergeleken bij de warme belangstelling, welke de Kamerverkiezingen van het vorig jaar hadden, de positie .der rechtsche partijen in de Statencolleges zou verzwakken, is beschaamd geworden.
De groepen der rechterzijde zijn versterkt uit het strijdperk gekomen.
Daarvoor danken wij in de eerste plaats onzen God, die ook weer ditmaal zoo genadiglijk uitkomst gaf.
Beschouwen wij nu het resultaat der verkiezingen, dan is ree.ds thans vast te stellen, dat in de Eerste Kamer op een sterke rechtsche meerderheid valt te rekenen, en dat in de Colleges van de Gedeputeerde Staten, die een meerderheid van rechtsche leden hadden, deze over de geheele linie is versterkt. Zelfs de provincie Friesland, die steeds met zooveel krachten energie ijverde om de Staten om te zetten, zag haar wensch ditmaal vervuld. Overal was er voorspoed en vooruitgang.
Wel gingen de Christelijk Historischen met het leeuwendeel van den buit strijken. Wat de Vrijheidsbond aan terrein verloor, wist de Unie te bemachtigen, maar ook voor de Antirevolutionaire partij was de uitslag van de stembus bevredigen.d. Zij handhaafde over het algemeen haar positie van 1922.
Het is zoo juist, wat het hoofdorgaan van deze partij in zijn overzicht over het resultaat der verkiezingen in dit verband opmerkte :
Wij (Antirevolutionairen) zijn niet gewend aan schommelingen. Veel z.g.n. middenstof, die van wankeling nog al eens weet, heeft men in onze partij niet. De Antirevolutionaire beginselen vragen een besliste overtuiging. En het liberale blad, dat constateerde een overhelling van de meer of minder kleurlooze middenstof tot de rechterzijde (d.i. naar den kant van de Christelijk Historischen), maar tevens opmerkte, dat de Antirevolutionaire partij voor die massa niet veel aantrekkingskracht heeft, vergist zich niet.
Wij cursiveerden twee woorden uit hetgeen „De Standaard" schreef, om duidelijk te doen uitkomen, wat het karakter van de Antirevolutionaire partij is.
Zij heeft in haar optreden niet de soepelheid, die andere politieke partijen kenmerkt. Zij stoot meer af, dan dat zij aantrekt.
Met dezen factor behoort bij het vaststellen van eiken verkiezingsuitslag terdege te worden gerekend.

De School en de ouders.
Het systeem van de Openbare School berust hierop, dat de school van den Staat uitgaat. Het onderwijs is Staatszaak. De Overheid moet voor de school zorgen, die inrichten en besturen ; waarbij de ouders er totaal buiten staan. Het Rijk bepaalt alles ; B. en W. besturen alles. Onderwijzers worden door den Gemeenteraad benoemd. Alles zooals de Overheid wil.
Dat heeft in den loop van de vorige eeuw geleid tot de z.g.n. neutrale school. De Bijbel moest buiten de school blijven. Want de Overheid oordeelde, dat zóó dan 't gemakkelijkst al de kinderen van Nederland in één school konden worden ondergebraoht. Met een Bijbel in school waren de vrijzinnigen niet te vangen. Dan maar zonder Bijbel — om der modernen wil — en de geloovige ouders moesten dan maar in dien weg gedwongen worden. Zij waren toch maar een minderheid en die minderheid moest maar aan 't dwangjuk .gehoorzamen. Ze kregen tot troost de verzekering : er zou geen Bijbel zijn en er zou niet over den Christus der Schriften gesproken worden, maar voor een onderwijs tot „maatschappelijke en christelijke deugden" zou worden gezorgd. Kon men nog meer verlangen ?
Velen waren niet tevrêe.
Niet zoozeer dat de Overheid schooltje speelde veroordeelde men, als wel dat de Bijbel van school was. En daarom begon een vragen aan de Overheid : geef ons op de (Overheids) school den Bijbel ; laat ons daar Gods Woord voor onze kinderen.
Men vroeg aanvankelijk niet om een geheel ander systeem van het schoolwezen. Men streed niet voor de vrije school. Men kwam niet met de leuze : „de school aan de ouders" ; en „de vrije school voor heel de natie." Men had vree met de gewone Overheidsschool als daar maar de Bijbel mocht zijn.
Ook Groen van Prinsterer — „de Standaard" wees er dezer dagen in een degelijk hoofdartikel op —pleitte in zijn eerste periode voor de facultatieve splitsing der Staatsschool, Een school dus van de Overheid uitgaande, maar dan gesplitst, naar de behoefte van de bevolking, in een neutrale, in een Protestantsche en in een Roomsche school. En eigenlijk heeft Groen die gedachte nooit prijs gegeven. Ja, uit nood, toen hij zag, dat het onmogelijk was, om te komen tot een facultatieve splitsing van de Overheidssohool, pleitte hij na 1857 voor de vrije school. Maar dat was niet het doel, dat hem eigenlijk voor oogen stond. Dat was een noodweg welken hij bewandelde, daar hij zag, dat de weg welken hij begeerde, gesloten was en gesloten bleef. En dat Groen tegen het eind van zijn leven weer terugkeerde tot de eerste formule van „facultatieve splitsing van de Overscheidsschool" behoeft op zichzelf dan ook geen verwondering te baren. Die oplossing toch lag geheel in zijn lijn. (Standaard 17 April j.L). Het Staatsinstituut zóó inrichten, dat het voor allen bruikbaar werd — de Overheidsschool, mits slechts op die school met den eisch van het christelijk beginsel gerekend kon worden.
Naast die gedachte, waarbij men vasthield aan het bestaande, dat de Overheid schoolmeesteren moest, kwam echter van lieverlede een andere op. Het begon aan velen duidelijk te worden, dat toch eigenlijk niet de Staat geroepen was om de kinderen des volks te onderwijzen, te doen en te helpen onderwijzen, maar dat de ouders hierin van God geroepen zijn de eerste en meeste zorgen te geven, opdat het kind, tot het gezin behoorend, op school zou worden onderwezen en opgevoed in denzelfden geest als in bet huisgezin leefde, Natuurlijk heeft ook de Staat belang bij het onderwijs. Maar ons kind is geen kind van den Staat en voor den Staat — zooals de heidensche Grieken dat leerden — en daarom, naar heidensch idéé was de Overheidsschool ; en naar christelijke opvatting : de school aan de ouders.
Nog eens : 't spreekt vanzelf, dat de Staat belang heeft bij goed onderwijs, aan de kinderen des volks gegeven. Het mag hier maar niet wild en dwars door elkaar gaan. Bovendien moeten de Vereeniglngen van ouders van schoolgaande kinderen ook door de Overheid gesteund en geholpen worden. En daarom blijft bij de leuze : „de vrije school voor héél de natie" ook , de noodzakelijkheid van Staatshulp en Staatscontrole, alleen maar, dat betreft de algemeene dingen bij het onderwijs.
De richting van het onderwijs moet aan de ouders blijven ; en gelijkgezinde ouders hebben zidh hierin te vereenigen. De benoeming van onderwijzers moet aan de Vereeniging van ouders (Schoolvereeniging) blijven. Boeken, leermiddelen, moeten blijyen van het bestuur der Vereeniging. Het salaris aan de onderwijzers te betalen, moet door handen van het bestuur gaan. Bouw en inrichting van het schoolgebouw moet aan het bestuur blijven. Inning van schoolgeld moet door het bestuur geschieden. De Overheid moet niet bepalen of ons kind Fransch mag leeren op school of niet.
Neen, op het terrein van het schoolwezen moet de Overheid niet willen baas spelen, om te zeggen : ik ben de schoolmeester, die voor de kinderen des volks zorgen moet.
Het karakter van de Overheidssohool is voor ons onaannemelijk, 't Wordt noodzakelijk een ambtelijke alleen-heerschappij en een uitschakeling van het bestuur en dus van den invloed der ouders.
Wanneer dus onder ons gesproken wordt van de christelijke school of van de School met den Bijbel, dan bedoelen wij „de vrije school voor heel de natie" en dus de christelijke school voor die ouders, die zich rondom de H. Schrift scharen en voor hun kinderen christelijk onderwijs begeeren.
Wij bedoelen dan niet : een Overheidsschool, met de Overheid als Opperschoolmeester, die aan de vrijzinnigen een school geeft en aan de Protestantsche christenen en aan de Roomschen. Dat is de Overheidsschool waar de Overheidssfeer leeft, pasklaar gemaakt voor ongeloovigen, Protestanten en Roomschen. En die school, waarin de ouders niets te zeggen hebben, begeeren wij niet. Kunnen wij niet gebruiken. Wij kunnen en mogen niet anders, dan er naar staan, dat overal kome de school uitgaande van de ouders, waarbij de Overheid die scholen voor de kinderen des volks steunt en ook controleert, voor zoover het algemeen belang dat eischt.
De wet van 1920 — de wet-De Visser — heeft ons veel te veel gebracht in de richting van : de Overheid alles in de hand houdend en dan aan de neutralen, aan de christelijken en aan de Roomschen gevend wat een ieder zoowat begeert. Doch de ambtelijke alleen-heerschappij zooveel mogelijk èn in de openbare neutrale school èn in de bijzondere scholen ; waarbij de bijzondere school zooveel mogelijk de openbare school moet achterna wandelen.
Daarom heeft de wet van 1920 — die veel, héél veel goeds bracht, als vrucht van den langen en bangen strijd voor liet christelijk onderwijs — ons niet gebracht, wat wij hebben moeten.
Daarom zeggen wij met „De Standaard" : tegen het bereikte willen wij niet ageeren. Maar wij willen iets meer dan wij verkregen."
De schoolstrijd is nog niet uit, al is hij van karakter veranderd.
Het is en blijft een strijd voor de rechten van de ouders ; voor de vrije school voor heel de natie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's