Uit het kerkelijk leven.
De oude Vaderlandsche Kerk.
Wij zijn wel eens boos aangezien als wij een enkele maal die uitdrukking gebruikten „de oude Vaderlandsche Kerk"; maar tot onze blijdschap gaan diezelfde menschen, die blijkbaar nogal bezwaren hadden, nu ook die omschrijving van „de oude Vaderlandsche Kerk" bezigen.
Als wij spreken van „de oude Vaderlandsche Kerk" of „de Kerk onzer vaderen", dan bedoelen wij daarmede aan te geven, dat naar Gods wonder bestel, de Hervormde Kerk, ook in haar tegenwoordigen vorm, wortelt in de oude Gereformeerde Kerk, door den Heere in dezen lande geplant ; in welke Kerk sinds gebleven is een zeer groot deel van het gereformeerde volk, dat aan die Kerk, als plantinge des Heeren zeer gehecht is.
Die „oude Vaderlandsche Kerk" is wel zeer misvormd. Zij is ontluisterd. Zij is krank. Maar zij is niet geworden een valsche Kerk.
En in de wijze van Kerkregeering en in haar belijden en in haar Sacramentsbediening en in haar tuchtoefening is zij zeer verbasterd.
Maar zij is in wezen niet een valsche Kerk.
Zij is krank ; ernstig krank.
En dat voelt het gereformeerde volk, dat nog in de Hervormde Kerk gebleven is.
Een deel van dat volk is er uitgegaan in 1834. En weer een deel van dat gereformeende volk is er uitgegaan in 1886. Zij hebben dat, naar hun eerlijk getuigenis gedaan, omdat zij moesten.
Wij zijn gebleven en velen met ons ; met een eerlijk getuigenis, dat het ons niet om de bevrijding van een aantal gereformeerden te doen moet zijn, maar om de vrijmaking van „de oude Vaderlandsche Kerk", waaraan een zoo wondere historie verbonden is en waarnaar een zoo groot deel van ons Nederlandsche gereformeerde volk uitziet.
Wij wandelen dus in een anderen weg dan onze vaders en onze broeders van 1834 en 1886.
Wij zijn welbewust gebleven, waar zij heengingen.
Wat natuurlijk vele moeilijkheden mee brengt voor ons.
Want zij zijn vrij in hun vrije Kerk ; wij zijn niet vrij in „de oude Vaderlandsche Kerk", die zoozeer gedrukt en gebukt gaat onder zooveel wat er in de Kerkregeering èn in het belijden èn in de Sacramentsbediening èn in de oefening der christelijke tucht niet is naar de beginselen van de oude, gereformeerde waarheid.
Dat is in óns nadeel. Wat wij elk oogenblik pijnlijk ervaren.
Maar wij zijn welbewust gebleven. En blijven nog. Wiilen ook blijven in de toekomst. Juist omdat het ons te doen is om de vrijmaking van „de oude Vaderlandsche Kerk."
Of het begrijpelijk Is, dat wij gebleven zijn en willen blijven ?
Wij meenen van : ja !
Juist omdat het om „de oude Vaderlandsche Kerk" gaat.
Gold het een Kerkgemeenschap, waar van men kon zeggen, dat wij die in 1816 „aangegaan" zijn en was dan de taak om dat Kerkgenootschap van 1816 radicaal „om te zetten" in een Gereformeerde Kerk, dan zou het door ons niet verdedigd worden, om te blijven.
Wij waren reeds lang heengegaan. Om in een gereformeerde Kerkgemeenschap ons te bewegen. Waarom zouden wij al die narigheden dragen en al die verdrietelijkheden blijven verduren en al dien strijd blijven strijden ? Er zou geen reden voor zijn. Wij zonden mee uitgetreden zijn.
Maar het gaat niet om een Kerkgenootschap dat in 1816 „gesticht" is. Het gaat om „de oude Vaderlandsche Kerk", die de Heere eeuwen terug hier geplant heeft in een door martelarenbloed gedrenkten bodem. Onze kerkgebouwen — want steenen kunnen ook spreken — zeggen ons dat. De historie getuigt in deze.
Die „oude Vaderlandsche Kerk" heeft men verknoeid ; en die „oude Vaderlandsche Kerk" heeft zich laten brengen onder 't juk, gelijk „de oude Vaderlandsche Kerk" ook in vorige eeuwen toegelaten heeft, dat zij aan allerlei banden gelegd werd. Nooit heeft zij zich, ook in haar besten tijd, als Gereformeerde Kerk geheel ontplooid ; zij is geringeloord en zij heeft het toegelaten ; zij meende het, mee om financiëele voordeelen te moeten dulden en dragen ; ook omdat „men" in alles niet zuiver gereformeerd voelde of het niet dorst voorstaan soms.
Zoo is zij zelf in banden gegaan, om toen in 1816 geheel onder 't juk te worden gebracht.
Waarbij de Heere hare belijdenis, de oud-Vaderlandsche gereformeerde belijdenis, bewaard heeft, waarvan zij zelfs nu nog belijdt, dat die oud-Vaderlandsche, gereformeerde confessie moet bewaard en gehandhaafd worden „waarbij niet zou worden geduld, dat de fundamentstukken zouden worden weggenomen."
In het Hervormd Kerkgenootschap gaat het bij het gereformeerde volk om op te komen voor de historische grondwaarheden, wat betreft de confessie, de wijze van Kerkregeering, de Sacramentsbediening, de oefening der tucht. En juist omdat „de oude Vaderlandsche Kerk" misvormd is geworden tot het huidig Herv. Kerkgenootschap, waarbij de historische grondwaarheden zijn gebleven, laat het gereformeerde volk die Hervormde Kerk, hoe misvormd ook, niet los en strijdt er voor, dat uitgezuiverd zal worden wat als gevolg van de historde vóór 1816 en als gevolg van de dingen die in 1816 geschied zijn is opgelegd en binnengeslopen, om „de oude Vaderlandsche Kerk" weer te herstellen, opdat zij, onder den zegen Gods, weder die plaats zal gaan innemen in het midden van het Nederlandsche volk, welke zij naar uitwijzen van Gods leidingen in de dagen van ouds, alhier in te nemen heeft.
Alle onrecht, gepaard met velerlei onwaarachtigheden, hebben wij te onderkennen en in 't licht te stellen.
En in „de oude Vaderlandsche Kerk", waarin de eeuwen spreken en het bloed der martelaren roept, blijven wij, ten spijt van allerlei moeilijkheden, om daar voor de eere van Gods Woord op te komen en de gereformeerde beginselen te verdedigen en te verbreiden.
Daarin heeft de Heere ons kennelijk gezegend, wat erkend mag en moet worden, ook temidden van allerlei klachten die worden geuit. Het gereformeerd beginsel wint ontegenzeggelijk in steden en in dorpen. En natuurlijk wil men dat werk nekken, door overmacht sterk.
Natuurlijk wil men het, — als laatste stuiptrekkingen, — zooveel mogelijk bemoeilijken, ja, schier onmogelijk maken om voort te arbeiden.
Maar het gaat om „de oude Vaderlandsche Kerk", waar de historie meespreekt en de stem des bloeds wordt gehoord. Het gaat om de Kerk, waarin nog zooveel duizenden en duizenden zijn, die, meer of minder bewust, gereformeerd voelen en die die Kerk ook niet willen loslaten en van die Kerk geen afscheid willen nemen. Het gaat om de Kerk, die, ten spijt van alles, zoo'n breede plaats inneemt in het midden van ons Nederlandsche volk.
Daarom laten wij ons door de moeilijkheden, ook door de groote moeilijkheden, niet uit het veld slaan en wij blijven in „de oude Vaderlandsche Kerk", hoe ontredderd, hoe ontaard, hoe verbasterd, hoe krank ook, niets anders bedoelende, dan daar te strijden voor hetgeen de historie bewijst te zijn als het wettig eigendom des Heeren in deze, naar uitwijzen van Zijn Woord.
Niet om ons van die Kerk los te maken zijn wij den strijd begonnen. Niet om een deel van het volk, dat in die Kerk leeft, Van die Kerkgemeenschap los te weeken, heeft bij ons voorgezeten toen wij den strijd aanbonden.
Niet om de handen in. den schoot te leggen en het zwaard in de scheede te steken.
En hoemeer het naar de crisis gaat, zullen wij al het gereformeerde volk, jongen en ouden, mannen en vrouwen, oproepen, om met ons te strijden.
Moeten wij het dan verliezen, welnu, dan zullen wij het strijdende verliezen ; dan zullen wij het verliezen in den strijd om „de oude Vaderlandsche Kerk" op te eischen, waarbij de historie ons mede getuigenis geeft ; en waarbij wij de consciëntie van ons volk ook mee hebben. Ons kerkgaand volk, ons gereformeerd volk, wil niet loslaten, wil niet afscheiden, wil niet afzonderlijk gaan staan.
Ons nog godsdienstig voelend volk, ons volk, dat de prediking der Waarheid liefheeft, voelt voor „de oude Vaderlandsche Kerk" ; wil de moeiten door de vijanden aangedaan, dragen, wil de smaadheid van gescheiden vrienden verduren, om te blijven en te strijden op de erve der Vaderen, waar de eere Gods vraagt om herstel van 't geen Hij plante en waar ons volk een Kerk ontving, die in het midden der natie een plaats hield, welke niet onderschat mag woren. Hierin verschillen wij dus principieel van de vrijzinnigen, die óók zegen, dat zij willen en zullen blijven.
Die blijven, om te strijden voor 't geen in „de oude Vaderlandsche Kerk" rechtens niet thuis hoort en niet gegrond is in de consciëntie van ons volk.
Die blijven, om te strijden voor 't geen vierkant in strijd is met Gods Woord ; voor 't geen flagrant in strijd is met 't geen zij zelf beloven te zullen belijden, verkondigen, verdedigen en handhaven.
In prediking, sacramentsbediening, ja, in alles handelen zij tegen den geest en de hoofdzaak van de leer der Kerk en beleedigen en schenden zij het karakter der Kerk.
Daar kan geen zegen op rusten.
Terwijl wij opkomen voor een gereformeerd kerkelijk leven naar uitwijzen van de Schrift en van de belijdenis.
Om dat gereformeerd kerkelijk leven niet naast „de oude Vaderlandsche kerk" te krijgen, maar in „de oude Vaderlandsche Kerk,
Wat onzen strijd moeilijk maakt. Maar waarbij wij ons niet te schamen hebben in het midden van ons Nederlandsche volk ; in welken strijd wij belijden met een vrij geweten, dat onze hulpe staat in den Naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft en trouwe houdt tot in eeuwigheid.
REFERAAT GEHOUDEN OP DE 18e JAARVERGADERING VAN DEN GEREF. BOND, OP DONDERDAG 19 APRIL 1923, DOOR Ds. J. G. WOELDERINK TE RANDWIJK.
„Het wezen des geloofs".
Zonder twijfel neemt het geloof een centrale plaats in het religieuze leven van den Christen in. De Schrift karakteriseert heel dat leven als een leven des geloofs. Niet alleen doet men door het geloof zijn intrede in dit leven, waarom aan allen, die van de macht en het verderf der zonde begeeren verlost te worden, gezegd wordt, dat ze zullen gelooven in Christus Jezus tot behoudenis der ziel, maar heel dit leven wordt in zijn voortgaande ontwikkeling door het geloof gedragen. „Ik leef niet meer, zegt Paulus, maar Christus leeft in mij en hetgeen ik nu in het vleesch leef, leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij heeft lief gehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven." (Gal. 2 : 20). Geloof is den Christen noodig van het begin tot het eind ; erkend moet worden, dat een verlies van het geloof een verlies van het Christen-zijn zelf zou beteekenen. Daarom roept Paulus, aan het einde van de loopbaan gekomen, in blijden triumf uit, dat hij na veel strijds gestreden te hebben het geloof heeft behouden. Zonder geloof volgens de Schrift geen behoudenis ; zonder geloof geen leven voor Gods aangezicht, geen leven met Christus verborgen in God.
De Hervorming wortelt in een krachtig ontwakend religieus leven. De banden, waarmee de Roomsche Kerk dit leven had gebonden, werden doorbroken. Het groef zich weer in een eigen bedding ; 't zocht naar een nieuwen openbaringsvorm, in overeenstemming met zijn innerlijk wezen. Daarom greep het alomvattend in het leven der Westersche volken in en openbaarde zijn hervormingsen stuwkracht op velerlei terrein.
Het religieuze leven der hervorming draagt echter een bepaald karakter ; het is een speciaal Chrlstelijk leven. We hebben hier niet te doen met een openbaring van religie in het algemeen ; het religieuze leven, dat met zulk een wondere kracht opbloeit, wil erkend wezen als de ware religie, zooals, die door de genade van onzen lieve Jezus Christus in deze zondige wereld is hersteld. Daarom was het noodzakelijk, dat dit leven zich als een leven des geloofs openbaarde. Door het geloof wordt weer de centrale plaats ingenomen, die het volgens de Schrift in het religieuze leven behoort in te nemen! De 95 Stellingen van Luther, die het trompetgeschal zijn, waarmee de openbare strijd tusschen twee machtige geestesrichtingen wordt aangekondigd, toonen dat overduidelijk.
Men meene daarom niet, dat de strijd, die met Rome gevoerd werd, hoofdzakelijk over het geloof liep. Zonder eenigen twijfel was de strijd over heel de linie een geloofsstrijd. Rome had de beteekenis en het wezen van het ware Christelijk geloof miskend en verkracht. Het geloof stond eindelijk op uit de verdrukking en kwam zijn rechten opeischen ; maar juist wijl het geloof zelf den strijd streed, kwam het voorwerp des geloofs, waaraan het geloof den verschuldigden tol en eerbied wenscht te betalen, veel meer in het geding dan het geloof zelf. Gods genadige verlossing in Christus Jezus, de autoriteit der Schrift, de plaats en beteekenis der Kerk enz., waren stukken, waarover telkens opnieuw gestreden werd, soms tot op het oogenblik, waarop de vlammen van den brandstapel den martelaar verhinderden de taal des geloofs te spreken.
Met den strijd des geloofs moest evenwel noodzakelijk gepaard gaan de bezinning over de vraag, wat dit geloof was, dat zoo krachtig zijn rechten kwam opeischen. Ook de Roomsche Kerk erkende, dat het geloof onmisbaar was ; het zou ook in te pijnlijke tegenspraak met de Schrift zijn geweest, indien ze zulks niet had gedaan. Maar in hetgeen de Roomsche Kerk als geloof aanprees, kon het geloof der hervormers zichzelf niet herkennen ; het wist zich van andere natuur. Daarmede was als vanzelf de vraag gegeven : welke is de natuur en het wezen van het ware Christelijk geloof ? Melanchton wijdt in zijn Loei reeds een apart artikel aan het geloof en Calvijn spreekt in zijn Institutie eveneens over dit onderwerp, uitvoeriger dan Melanchton en ook veel dieper doordringend in den eigen aard en het wezen des geloofs, Terwijl Melanchton zoo niet geheel, dan toch in hoofdzaak spreekt over het geloof, zooals het werkzaam is in het stuk van de rechtvaardigmaking, beziet Calvijn het geloof veel meer in zijn algemeene strekking als grondtoon van heel het religieuze leven des Christens. En het valt te betreuren, dat deze breede blik, die Calvijn op het geloof toont te hebben, bij de latere theologen voor een goed deel weer verloren gaat.; het zaligmakend geloof (fides salvifica) wordt dan gedurig synoniem geacht met het rechtvaardigend geloof (fides ustificans), terwijl het laatste toch niet anders dan een bepaalde openbaring van het eerste is.
Ook in de Confessies werd van de natuur des geloofs getuigd. Zoowel in de Augsburgsche Confessie als in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis (om deze beide slechts te noemen) wordt over het geloof gehandeld, in beide bij de behandeling van de rechtvaardigmaking van den zondaar voor God. In de Heidelbergsche Catechismus daarentegen wordt vóór de behandeling van den heilsweg en het Godgewijd leven des Christens over het geloof gesproken als over dat kenmerkende, waaraan zij, die ten' leven ingaan, gekend worden in tegenstelling van heil, die in de verlorenheid wegzinken. De vraag : „wat is een oprecht geloof ? " en het antwoord, zijn een ieder bekend. Voor wie dit antwoord vergelijken wil met hetgeen Calvijn in zijn Institutie over het geloof schrijft, zal het duidelijk zijn, dat het antwoord van den Catechismus niet alleen onder invloed van de beschouwingen van den grooten hervormer is tot stand gekomen, maar zelfs in de keus der woorden naar hem heenwijst.
Het is wal een bewijs van de krachtige werking des Heiligen Geestes, dat de hervormers zoo spoedig en zoo klaar de waarheid naar de Schriften hebben gegrepen. Daaraan is ook te danken, dat ze in de hoofdstukken der Christelijke religie volkomen overeenstemmen, niettegenstaande verschillenden landaard en soms gansch uiteenloopend karakter. Ten opzichte van het geloof mag de een iets anders accentueeren dan de ander, in het wezen der zaak zijn ze ook in dit stuk volkomen éénstenunig en vormen daardoor een ongebroken front tegen den gemeenschappelijken vijand.
Maar spoedig is dit anders geworden. Kracht maakte plaats voor slapheid ; eensgezindheid voor groote verdeeldheid. Vooral inzake het wezen des geloofs mag van verdeeldheid worden gesproken. Onder de theologen uit de laatste helft der 17de en uit de 18de eeuw zal men er moeilijk twee kunnen vinden, die in dit stuk volkomen éénstemmig zijn. Men behoeft er slechts enkele te vergelijken om overtuigd te worden van de groote verwarring, die zich van de geesten heeft meester gemaakt. En het moet tot eere van Comrie gezegd worden, dat hij in de 18de eeuw in het uitstervend geslacht van gereformeerde theologen één van de weinige, zoo niet de eenige geweest is, die de breuk diep heeft gezien en om weer in het rechte spoor te komen ten opzichte van het wezen des gdoofs en andere leerstukken teug is gegaan tot de geschriften der Reformatoren en de Confessie der verschillende protestantsche kerken al kan niet worden ontkend, dat ook hij, in zijn betoogtrant bijv., zich een kind van zijn tijd bewijst te zijn.
Verschillende factoren moeten in aanmerking genomen worden om deze afloop der wateren te verstaan.
Een van de eerste en voornaamste is wel de verbreking van den band tusschen Kerk en theologie. Op de groote Nationale Synode van Dordt vinden wij deze nog gelukkig vereenigd ; aan die vereeniging hebben wij de 5 Artikelen tegen de Remonstranten te danken, waarin de harteklop wordt gehoord van het leven, dat Christus' Kerk op aarde staande houdt in den strijd, niet alleen een leerboek, maar bovenal een troostboek voor aangevochten Christenen. Na 1619 worden echter door de gewelddadige overheersching der politieke machten Kerk en theologie gescheiden, tot groote schade van beide. Want aan Zijn werk op aarde, niet aan de theologen heeft Christus beloofd den Geest der waarheid, die in alle waarheid leidt ; in haar midden woont ook een volheid en verscheidenheid van gaven en krachten waardoor ze voor eenzijdigheid, het algemeene zwak van den individuëelen mensch, wordt behoed. Indien zij, aan die God bizondere geestesgaven gaf, waardoor ze geëigend zijn geestelijke leidslieden des volks te wezen en tevens bekwaam om een wetenschappelijke theologie te bouwen, niet in nauw rapport staan, niet tot dezen of genen kring van geloovigen, maar tot de Kerk in haar geheel en niet als 't ware uit haar zijn voortgekomen en met haar levenssappen worden gevoed, kan het niet anders of de theologie moet verdorren ; de geest der waarheid wordt dan verdrongen door de ratio des menschen, die in moeizame worsteling de Waarheid tracht te vinden. In de ontwikkeling der theologie in de 7e en 18e eeuw kan dit duidelijk worden gezien. De Scholastiek, in Rome oppermachtig, maar aan wie de Hervormers den dienst hebben opgezegd, doet weer haar intrede. Men verwijdert zich weer van de Heilige Schrift en van het leven des Geestes, dat in haar ruist ; de leer der waarheid wordt meer en meer „redelijk" geacht, zoodat ze als een vaststaand gegeven haast onafhankelijk van de Schrift kan worden behandeld en ontwikkeld ; philosophische begrippen, van welker vastheid men even overtuigd scheen als van de waarheid der Schrift, worden ingevoerd om de leer der waarheid nader te ontvouwen ; van de kracht en waarheid van Luther's woord, dat sinds Aristoteles in de Kerk in eere is gekomen, de theologie des Kruises teniet is gedaan, wordt weinig meer beseft: en op deze wijze bereidt de theologie van de 17e en 18e eeuw den bodem, waarop straks supra-naturalisme en rationalisme welig tieren. De poorten der kerk staan voor den wijsgeer Cartesius open.
Natuurlijk ondergaat ook de focus van 't geloof den invloed hiervan. Het geloof wordt bij velen meer een vrucht van 's menschen ratio dan een vrucht des Heiligen Geestes. Zelfs de getrouwen ontkomen niet aan deze geestesstrooming. De onmiddellijke zekehheid, die alle waarachtig geloof eigen is, wordt, langzamerhand aan het wezen des geloofs ontzegd. De onjuiste en tot allerlei misverstand aanleiding gevende onderscheiding van toevluchtnemend en verzekerd geloof, als zijnde wezen en welwezen des gdoofs, komt op. De beteekenis van het getuigenis des Heiligen Geestes komt meer en meer buiten den gezichtskring te liggen. De zekerheid des geloofs wordt tenslotte beperkt tot een conclusie des verstands, gegrond op de aanwezigheid van bepaalde kenmerken. Franc. Turrettinus, geen onbekend theoloog, die nog tot de 17e eeuw gerekend wordt, zegt reeds, dat tot het wezen des geloofs behoort een hartelijke toestemming, waardoor wij overtuigd zijn, dat de beloften van genade en vergeving der zonden aan alle geloovigen en boetvaardigen gegeven worden en dies ook voor mij zeker zijn, indien ik geloofd zal hebben en berouw zal hebben getoond. In dezen weg is geen zekerheid mogelijk, tenzij dat ik eerst op grond van kenmerken of anderszins heb kunnen vaststellen, dat het geloof en de boetvaardigheid mijne zijn. Men kan dan ook gerust zeggen, dat hier alle zekerheid de bodem wordt ingeslagen. Het behoeft ons niet te verwonderen, dat als deze richting ook in de Gemeente veld wint en de theorie in de practijk wordt omgezet, Comrie met een bedroefd hart constateert, dat velen bezig zijn niet een ladder van kenmerken over den muur te klimmen inplaats van door de wettige deur binnen te gaan.
Een tweede factor van beteekenis is de verandering van vijand. De Hervormers hadden voornamelijk tegen Rome den strijd te voeren. Is evenwel de Gereformeerde Kerk na veel strijds gegrond en bevestigd en zijn ook dé Remonstrantsche geschillen beslecht, dan komt een nieuwe vijand op in valsche rust en zelfgenoegzaamheid, vooral zich openbarend in leerheiligheid. Het kan niet anders of al wat God vreest, moet waarschuwend zijn stem verheffen tegen de gedachte, alsof instemming met de waarheid genoegzaam zou wezen tot zaligheid. Niet, dat deze dwaling vroeger niet ter sprake kwam. Men leze slechts, wat Calvijn in zijn Institutie hierover schrijft.") Hoe langer hoe meer begint echter de nadruk op dit stuk te vallen ; het komt haast in het middelpunt te staan en met groote nauwgezetheid wordt het innerlijk leven van den Christen nagespeurd om het onderscheid tusschen een schijn-of tijdgeloof en het zaligmakend geloof vast te stellen. Hoe scherper dit onderscheid kan worden aangewezen, hoe beter natuurlijk ; voor de rationalistische trek, die hierin verscholen ligt, schijnt men geen oog gehad te hebben. Zoo komt men er toe om wezenlijke elementen van het geloof te laten vallen of althans op den achtergrond te stellen ; ook wel om datgene, wat altijd met het zaligmakend geloof gepaard gaat, tot het wezen des geloofs te rekenen. Ten bewijze van het eerste strekke W.A. Brakel, die de kennis ter nauwernood meer tot het geloof gerekend wil zien, wijl ook de tijdgeloovigen een verlichte kennis deelachtig worden ; daarom laat hij het geloof voornamelijk in den wil zetelen. Ten bewijze van het tweede kan gewezen worden op Witsius, in de Gemeente het meest bekend door zijn „Twist des Heeren met Zijn Wijngaard", die tot het wezen des geloofs de liefde tot Jezus gaat rekenen, natuurlijk tot vergrooting der verwarring.
Als derde factor ter verklaring der verdeeldheid zou ik nog willen wijzen öp het feit, dgt men niet. genoegzaam inziet dat het woord „geloof" in de Schrift niet overal dezelfde beteekeniis hééft. Men heeft geen oog voor de verschillende geloofsopenbaringen, die 'In de Schrift alle geloof wonden genoemd en weet deze niiet genoegzaam te 'Ondersdieiden van den bodem, waaruit .ze allen.opspruiten. Vandaar dat de .een het wezen des geloofs in deze geloofsopenbarlng, een ander weer in een andere openbaring zoekt, al naarmate men de ééne geoofsdaad waardevoller vindt dan de ander. Men ziet dit zeer duidelijk bji hen die (zooals b.v. W. a Brakel) het wezen des geloofs in het toevlucht nemen tot Christus zoeken. Want als ze soms onmiddellijk daarna van een geloovig toevlucht nemen tot Christus spreken, werpen ze hun eigen stelling overboord. Met die uitdrukking „geloovig toevlucht nemen" erkent men; dat het geloof toch eigenlijk iets anders is dan het toevlucht nemen, dat het geloof tot het toevlucht nemen drijft of daaraan zijn eigenaardig karakter geeft, waardoor het waarde heeft en zich gansch van een verstandelijk toevlucht nemen onderscheidt.
Het is Comrie's verdienste, dat hij deze fout, waardoor in zijn dagen (evenals trouwens nu nog) zooveel betweterij werd gekweekt en velen zich als meesters geroepen achtten om ware geloovigen te veroordeelen en te verwerpen, wijl ze niet tot die geloofsdaad waren gekomen, die zij tot hét wezen des geloofs geliefden te rekenen, breed en diep heeft ingezien. Het is duidelijk, dat er verschillende openbaringen van geloof of eigenschappen des geloofs of wil men geloofsdaden zijn ; Comrie zoekt nu naar den ondergrond, waaruit ze alle voortkomen, den wortel, waaruit ze opspruiten. Het komt mij voor, dat hij niet gelukkig is geweest in de keus zijner woorden, als hij deze wortel het geloofsvermogen noemt. Dat woord geeft tot misverstand aanleiding, hetzij men er toe komt om op grond van dat woord een bizonder vermogen voor het geloof in den Christus te reserveeren, hetzij men op grond van dit woord de ontwikkeling van het geestelijk leven geheel naar analogie van het phisisch gebeuren gaat verklaren (zooals dr. Kuyper b.v., die deze uitdrukking van Comrie met voorliefde overneemt), waardoor men misschien de zaak begrijpelijker denkt te maken, maar m.i. de waarde der persoonlijkheid dreigt in het gedrang te komen. Hoe dit echter zij, Comrie heeft duidelijk ingezien, dat het geloof wortelt (in de natuur van den nieuwen mensch. Hij heeft het wezen des geloofs weer gegrepen, zooals de Hervormers het eenmaal gezien hebben ; daarom hebben zijn geschriften ook voor onzen tijd nog groote waarde.
Tusschen de verschillende openbaringen van geloof en het wezen des geloofs, dat aan al die geloofsopenbaringen ten grondslag ligt, moet wel onderscheiden worden ; anders komen we in een ontzettende verwarring van denkbeelden. Evenmin als in Comrie's dagen wordt dat in onze dagen altijd gedaan. Eén voorbeeld zij gegeven. Ds. J. van der Sluis in zijn „Onze positie tegenover de Ethische Vereeniging" schrijft, als hij het geloof als een bloot verstandelijk aannemen van de waarheden des heils afwijst : „Het is in zijn wezen van huis uit een persoonlijke verhouding tot God, dus van door en door religieuze natuur." ') Maar iets verder de Ethischen bestrijdend, zegt hij : „Geloof is volstrekt niet met leven identisch, maar middel en nog wel tijdelijk middel om ons het leven en de gerechtigheid, heiligmaking en verlossing, die alleen buiten ons in Christus zijn, deelachtig te maken." •*) Dit laatste klopt niet volkomen met het eerste. De oorzaak is, dat in de laatste woorden het geloof aan den schrijver voor oogen staat, zooals het werkzaam is in het stuk van de rechtvaardigmaking. Zonder twijfel moet daar alle nadruk vallen op Christus en Zijn Gerechtigheid ; het geloof is daar werkzaam als middellijke oorzaak. Maar wie in het algemeen over het geloof als middel spreekt, kan m.i. niet duidelijk maken, hoe het geloof wortelt in het wezen van den nieuwen mensch ; men kweekt dan een mechanische opvatting van het geloof, als zijnde een instrument, dat men hier een oogenblik gebruikt om de zaligheid onder zijn bereik te krijgen, maar dat men straks bij den dood achterlaat, wijl het geheel buiten het wezen van den niéuwen mensch staat. Dit doet ook spreken van een tijdelijk middel. Om dit tijdelijke aan te toonen, wordt door ds. Van der Sluis een beroep gedaan op Paulus, volgens wien het geloof eenmaal met aanschouwen zal worden verwisseld. Maar vergeten wordt, dat we in het bedoelde woord van Paulus met een bizondere openbaring van geloof te doen hebben, een gansch andere openbaring, dan b.v. in het stuk van de rechtvaardigmaking. Het duidelijkst blijkt dat uit de tegenstelling. In het stuk van de rechtvaardigmaking staat het geloof tegenover de werken ; de tegenstelling geloof en aanschouwen roept ons heel iets anders voor den geest, n.l. het uitwonen van den Heere hier en het verwachten van een heerlijkheid, die nog niet geopenbaard is. In deze bepaalde openbaring gaat zeker het geloof te niet, maar deze openbaring des geloofs, die samenhangt met 't aardsche leven, mag zonder meer niet met het wezen des geloofs vereenzelvigd worden !
Hiermede is tevens aangeduid, waarom men ter uiteenzetting van het wezen des geloofs niet naar een bepaalden tekst uit de Schrift kan grijpen, waarin over het geloof wordt gesproken. Hebr. 11 vers 1 moet in dezen vaak dienst doen. „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet." Wie echter den Hebreënbrief nauwkeurig leest en vooral het voorgaande en volgende vergelijkt met de omschrijving, die de apostel van het geloof geeft, zal spoedig bemerken, dat hij voornamelijk over die geloofsopenbaring spreekt waardoor een Christen niet aanmerkt de dingen, die gezien, maar de dingen die niet gezien worden en met lijdzaamheid verwacht, wat God heeft toegezegd.
Van beteekenis is nog altijd de wijze, waarop Comrie aantoonde, dat het wezen des geloofs dieper ligt dan welke geloofsopenbaring ook. Indien er niets anders is dan een geloofsuiting of geloofsdaad (een dadelijk geloof), zoo is de redeneering van Comrie, is feitelijk de Christen zonder geloof, als hij het geloof niet daadwerkelijk oefent. Op tal van tijden ontbreekt echter een Christen de dadelijke oefening des geloofs; kan hij dan nog in 't algemeen een geloovige genaamd worden ? Houdt dan een Christen, b.v. als hij slaapt, op een geloovige te zijn ?
De die de Schrift aan het geloof toekent, als ze zegt, dat de Christen door het geloof met Christus verbonden en in Hem ingelijfd wordt of als ze het geloof een vrucht en werk des Heiligen Geestes noemt, doet onmiddellijk zien, dat het geloof met het wezen van den nieuwen mensch moet samenhangen. Een blik op den val des menschen maakt dat wel zeer duidelijk. Door ongeloof is volgens de Schrift de mensch gevallen ; hij neigde zijn oor naar het woord van den vader der leugenen en geloofde niet meer des Heeren woord. Dit ongeloof was echter niet een bepaalde daad. voor een oogenblik begaan, maar verder buiten verband met zijn innerlijk-zijn staande ; integendeel in dit ongeloof ligt een algeheele verandering van zijn innerlijk-zijn besloten ; door dit ongeloof kwam de mensch in een gansch verkeerde verhouding tot God te staan ; heel de mensch is er mee gemoeid en al zijn vermogens ; de geschiedenis doet ons spoedig zien dat door dit ongeloof de rechte kennisse Gods is verloren gegaan en de liefde Gods niet meer woont in zijn hart. (Slot volgt).
1) Franc. Turrettinius, Compenduim theologiae. Locus XIII ipar. 24.
2) Institutie L. III C. 2. 10, 11 en 36.
3) t.a.p. blz. 20.
4) t.a.p. blz. 21.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's