Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Voor Koen en Hilda deed hij zijn uiterste best. Maar — de armvoogden merkten dat en vonden, dat de jongen goed zijn eigen kost en kleeren vei-dienen kon. Teun Dolle kwam er met Koen en Hilda over spreken, en de menschen speelden verbazend op, maar ze wilden toch Paul niet missen, zelfs al gaf de armvoogdij geen cent meer. Trouwens, ze konden niet zonder hem : Koen in elk geval niet. Toch zou Teun Dolle tien gulden per jaar geven voor 's jongens onderhoud.
Paul promoveerde dus : hij werd vrij man ! Hij alleen kwam het te weten : Koen en Hilda kwamen er telkens op terug, dat de armvoogdij niets meer aan hem deed, en dat hij dus goed zijn best moest doen. Zij wezen er hem herhaaldelijk op, hoe veel hij hun te danken had : hij had leeren lezen en schrijven en al lang 's Zondags zich net kunnen kleeden.
De gebrandmerkte klompen veroorzaakten een kleinen strijd : Paul had ze dadelijk aan kant willen doen ; doch Koen en Hilda hadden gezegd, dat hij verplicht was, die klompen eerst af te dragen. Hij dacht, dat ze bedoelden, dat de armvoogdij hem dien plicht oplegde, en daarom trok hij er op uit naar Teun Dolle, en deze lichtte den jongen goed in. Door listige vragen kwam hij te weten, dat de Zondagsche kleeren niet van Koen en Hilda, zooals die het lieten voorkomen, waren, maar van een vriend. Teun Dolle was geen vriend van den veekoopman en om zich te wreken, vertelde hij Paul, dat die tien gulden, die hij Koen betaalde, voor zijn kleeren was bestemd ; maar als hij nu van andere mensohen de noodige kleeren kreeg, dan was Koen verplicht, hem dat geld te geven.
De jongen had niet geweten, dat Dolle nog tien gulden voor hem betaalde, hij had gemeend, dat hij vrij was ; maar — helaas ! hij zat nog met tien gulden aan de armvoogdij vast. Of ?
„Dolle ! — is die tien gulden van de armvoogdij ? "
„Nee ! de armvoogdij doet niets meer voor je."
„Geef je dan zelf die tien gulden ? " „Dat gaat je niet aan !" „Maar iemand geeft dat toch voor mij ? " „Natuurlijk geeft iemand dat." „En mag ik niet weten, wie ? "
„'t Is beter, dat je 't nog niet weet I"
„Mag ik het wel eens bij je komen vragen, Dolle ? 'k Zou het graag weten."
„Als je dertien jaar bent, dan mag je 't mij komen vragen. Maar spreek daar nu met niemand over ; nog niet. Als 't moet, zeg dan maar, dat ik weet van wie het komt maar 't is niet van de armvoogden !"
„Heb je dus niets meer over mij te zeggen Dolle? "
„Nee, niets, als je goed je best doet; je kunt doen en laten wat je wilt. En kom je bij andere menschen, dan krijg je toch die tien gulden van mij."
„En mag ik nu m'n klompen weggooien en gewone aantrekken ?"
„Ja, dat mag je, en niemand kan je daar meer voor straffen. — Maar nu moet je maar weggaan, want ik heb geen tijd meer."
„Dag Dolle ! wel bedankt hoor! En als 'k dertien jaar ben, kom ik het je vragen.
Teun Dolle, de plaatselijke armvoogd.
Van een ouderen broer van hem, Willem Dolle, een uur bezuiden Oldouwe wonend, had hier voor een jaar of tien een eigenaardig verhaal de rondte gedaan. De Dolle's waren rijk, dom en trotsch. Aan Willem Dolle daarginder had men reeds eenige jaren het beheer der kerkelijke kas toevertrouwd. Men wist, dat hij rijk was en eerlijk, doch lezen noch schrijven kon. Bij 't nazien van de kas door de kerkvoogden was gebleken, dat hij veel te veel geld in kas had. Hoe dat mogelijk was ? — Ja, al de inkomsten had hij steeds in een grooten ijzeren pot gelegd, en daaruit dé noodige, geregelde uitgaven, die hij gemakkelijk in zijn geheugen bewaarde, genomen, maar al Ie onvoorziene en buitengewone uitgaven uit zijn eigen zak betaald, omdat hij geen kans zag, die te onthouden.
Men had hem toen stilletjes kasbeheerder laten blijven, en daarmee zijn trots gestreeld.
In de hoop, dat Teun, die van jgeen kerk wilde weten, een even voordeelig kasbeheerder zou zijn als zijn broer, had men hem plaatselijk armvoogd gemaakt, en men bedroog zich niet in hem. Maar Teun zorgde wel, dat het voordeel niet uit zijn eigen zak kwam.
Zijn trots was het, zoo weinig mogelijk geld uit te geven, en daarom was hij steeds ijverig in de weer voor de armvoogdij. Altijd was het hier, even als op zooveel andere dorpjes en gehuchten, gewoonte geweest, om weeskinderen en idioten bij particulieren uit te besteden tegen een zoo laag mogelijke vergoeding, en die menschen had den die bestedelingen zooveel mogelijk in hun belang gebruikt, en trokken daardoor heel wat voordeel van de ongelukkigen. Doch Teun Dolle ging die menschen en hun bestedelingen goed na, en wist met ieder jaar de vergoeding in te krimpen.
Daardoor bevoordeelde hij de kas der armvoogdij, en dat was zijn trots.
Wat had Paul nu veel te denken : hij mocht die gruwelklompen weggooien ! — maar vanwaar kreeg hij andere ? — en iemand gaf tien gulden voor hem ! Wie ? Mark Mons misschien ? Doch die deed al zooveel, 't Liet zich niet denken, dat hij ook nog tien gulden — tien gulden was een heele boel geld I — zou geven. Voor tien gulden kon je een best schaap koopen ! Maar als Mark Mons het niet deed, wie dan wel ? Hij had geen anderen vriend ! Of ? — Virginie ? — maar die kende hem niet; ééns hadden ze elkander gezien, maar dan nooit weer. En hoe zou ze weten, dat hij Paul was, en dat Teun Dolle de baas was van de armvoogdij ? Maar als het toch eens was van Virginie ! - Ferdi ? - O, maar die was 't vast al lang vergeten, dat hij eens hem, Paul, had liefgehad 1 Toch, als hij Ferdi nog eens zag, en hij dan zijn mooie kleeren aan had, of z'n gewone daagsche, maar niet die gruwels van klompen met de ingebrande letters, dan zou hij hem toch eens vertellen, dat hij die jongen van toen was, en dat hij al lezen kon en schrijven, en hij vrij man was. Neen, die tien gulden waren van Mark Mons niet, en van Virginie niet, en van Ferdi niét, neen - want die waren allen nog niet oud genoeg, om al zooveel geld te kunnen weggeven. Maar - 't zou wel van den vader of moeder van Virginie kunnen zijn. Misschien had ze wel dadelijk aan hem gezien, dat hij de verschoppeling was, de aller, allerarmste van de heele wereld, en had ze 't haar vader of moeder verteld, wat leelijke, ruwe, zware klompen, met zwarte berenletters daarin ge brand, die jongen, met zijn kiel van zakkengoed, aan de voeten had. En misschien Maar hoe nu aan andere klompen te komen ? Want deze mocht hij nu weggooien, stuk hakken of verbranden. Zoo levend verbranden, dat was 't beste. Of God dat nii goed vond, dat er zulke leelijke beesten van klompen gemaakt werden. En dan die armvoogdijletters er in ! Als je die letters er met een mes of beitel uitdeed, dan kreeg je straf; maar hij had nog nooit straf gehad, nooit.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's