De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

„En zJet, Ik ben^ met uliedem alle de dagen itot aan de voledndiing der wereld. Amen." Matth. 28 vers 20.

Een rijke belofte.
II.
Wie heeft de belofte van ons tekstwoord gegeven ? Sions Borg en Koning, toen Hij gereed stond den troon Zijner Majesteit te bestijgen.
Aan wie werd de belofte van ons tekst woord verpand ? Aan de jongeren, aan de discipelen des Heeren, tusschen wie in zoo menig opzicht zoo heel veel verschil, maar tusschen wie toch in zoo menig opzicht ook zoo heel veel overeenstemming was.
Nu moeten we echter niet vergeten, dat ook toen de discipelen des Heeren deze belofte ontvingen, zij in het ontvangen van die belofte de vertegenwoordigers waren van de Nieuw Testamentische gemeente des Heeren, van de Kerke Gods, die weldra op den Pinksterdag zou worden gesticht.
En nu is het met die Kerk des Heeren die immers nog steeds de draagster is van de belofte des Heeren, altoos nog net als met den kleineren of grooteren kring van de discipelen des Heeren. Wat een verschil ! Wat een verschil in afkomst, in aanleg, in gaven, in karakter, in kennis, in leeftijd, in toeleiding tot Jezus, in genot van Jezus, in het opkomen voor Jezus. Wat een verschil in leven en in levensopenbaring tusschen allen die Gods kinderen zijn of ook die in algemeenen zin leven onder het verbond der genade. Maar ook wat een overeenkomst tusschen allen die het eigendom des Heeren zijn en die een even dierbaar geloof deelachtig zijn geworden.
En zou dan het eerste punt van overeenkomst ook niet dit wezen, dat zij allen gaan naar den berg, waar Jezus hen bescheiden heeft.
Helaas, dat die ééne berg, de berg van het huis des Heeren, tegenwoordig in zooveel toppen is verdeeld en dat vele christenen zich soms schijnen te beijveren om dat aantal toppen nog maar steeds te vemenigvuldigen. Maar hoe verschillend die toppen van Gods Kerk ook wezen mogen, hierin stemmen allen die God vreezen toch weer met elkander overeen, dat er een begeerte en een behoefte is naar de voorhoven des Heeren ; dat er een uitroepen is van hart en van vleesch naar den levenden God. En bij hoevelen is dat een bewijs dat er in den grond der zaak iets is van het geloof in de opstanding van Christus, dat er een behoefte en een begeerte is om Hem te ontmoeten die van zichzelf getuigd heeft, dat Hij de opstanding en het leven is.
Maar zou dan ook het tweede punt van overeenkomst tusschen alle levende lidmaten van Gods Kerk niet hierin bestaan, dat er een oogenblik komt dat zij den levenden Christus ook inderdaad zien met het oog des geloofs ? Immers evenmin als Zijne discipelen op den berg in Galilea, stelt de Heere Zijn volk niet teleur. Op Zijn tijd openbaart Hij zich aan hen in de kracht Zijner opstanding met een : Zie, hier ben Ik, Ik ben uw heil. En dan is het ook weer net als met de discipelen van Jezus. Dan is er een aanbidden van Jezus. Dan is er een nedervallen aan Zijne voeten met het : „Mijn Heere en mijn God." Dan is er een zingen van de wegen des Heeren, dan is er een zich verheugen in den God huns heils.
Of dat geloof dan nooit meer onderhevig is aan twijfel ? Ach, wie de vraag stelt, heeft haar reeds beantwoord. Of zou niet het leven des geloofs een voortdurende worsteling met het ongeloof zijn ? Blijft het niet een altoos durende strijd van geest tegen vleesch. Gelukkig dat het laatste woord straks niet aan het vleesch, maar wèl aan den geest, dus niet aan den twijfel, maar wèl aan het geloof zal zijn.
Maar zou er ook tusschen de leden van Christus' Kerk nog niet een derde punt van overeenkomst bestaan ? En zou dat punt, evenals bij de discipelen van Jezus, niet hierin bestaan, dat ook zij een bevel hebben ontvangen, een bevel om ook anderen te onderwijzen : een bevel om in den geordenden weg het Sacrament te bedienen ; een bevel om ook anderen te leeren rekenen met de ordinantiën des Heeren, met de wetten en inzettingen van den levenden God ?
Ja, niet slechts degenen die dat in ambtelijke wegen hebben te doen, maar tenslotte dan zijn al de leden van Gods gemeente geroepen om de uitbreiding van Gods Koninkrijk te zoeken en de glorie van Zijn Naam te bedoelen. O, hoe dikwijls is die roeping door de Kerk des Heeren verwaarloosd geworden. Maar wat een droeve gevolgen van dorheid en doodigheid en kwijning van alle geestelijk leven heeft dat altoos na zich gesleept. En daarom: dat toch de Kerk des Heeren zich haar roeping weer mocht bewust worden om in het midden der wereld een stad op een berg te wezen, die niet verborgen kan zijn.
Alleen langs dien weg immers zal zij iets verstaan kunnen van de rijke beteekenis van de belofte die de Heere in Zijn discipelen aan gansch Zijn Kerk heeft verpand.

* * Over de beteekenis dezer belofte dient nu tenslotte nog even door ons gesproken te worden.
„Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld."
Gij gevoelt wel wat de verheerlijkte Christus daarmee bedoeld heeft, nietwaar. Naar het lichaam zou dat natuurlijk niet zoo wezen. Immers naar het lichaam stond Hij gereed deze aarde te verlaten en zou straks een wolk Hem aan de oogen Zijner verbaasde jongeren hebben onttrokken.
Maar wat naar Zijn menschelijk lichaam niet zoo was, dat zou naar Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest wel zoo wezen. Daar zou een levende, krachtdadige, onafgebroken gemeenschap blijven bestaan tusschen Hem, den verheerlijkten Middelaar, in den hemel, en Zijn strijdende jongeren, die Hij hier op deze aarde zou achterlaten. Wel zou het gevoel van die gemeenschap van hun zijde niet altoos even krachtig zijn, en wel zou er aan hun kant niet altoos een even teer leven in uw gemeenschap des Heeren zijn, maar door de werking des Heiligen Geestes zou er toch een onverbreekbare band blijven bestaan tusschen Hem en tusschen hen.
Ik met u. O als we ons een oogenblik indenken wat dat in zich sluit. Dat wil immers zooveel zeggen als : Ik, de Heilige, met u die zoo onheilig zijt. Ik de Rechtvaardige, met u die telkens weer zooveel onrecht doet. Ik de Getrouwe, met u die uzelf gedrag weer aan zooveel ontrouw schuldig maakt. Ik, de Machtige, met u die in uzelf geen krachten hebt. Ik de Onveranderlijke, met u, die aan de vergankelijkheid onderworpen zijt. Gevoelt ge dat in dat woord : Ik met u, waarmee Mattheüs zijn evangelie besluit de vervulling ligt van de belofte van Jesaja, waarmee deze zelfde Mattheüs zijn evangelie was begonnen: „Gij zult Zijn Naam heeten Immanuël."
Immanuël. God met ons. Ja, waarlijk, in Christus is God weer één met Zijn volk. Zie, Ik ben met ulieden. O wereld van beteekenis, die is die weinige woorden ligt opgesloten. Immers als er Een, aan Wien alle macht in hemel en op aarde gegeven was, met ons is, wie zal dan tegen ons zijn 't Ja; als Christus, de verheerlijkte Christus, met ons is, dan zijn de engelen met ons, dan is de hemel met ons, dan is de Vader met ons. Als Christus, de verheerlijkte Christus, met ons is, dan is Zijn macht er ons borg voor dat wij in Zijn dienst en in Zijn gemeenschap veilig zijn.
Wilt gij daar voorbeelden van ? Ziet het maar aan de discipelen die dit woord uit den mond des Heeren zelf mochten beluisteren. De Heere was met hen. Dat was de reden dat Petrus straks op het Pinksterfeest zijn stem heeft verheven en tot de saamgestroomde schare zoo moedig heeft kunnen getuigen van wat daar plaats had gehad.
De Heere was met hem. Dat was de reden dat Stefanus zulk een kostelijke dood is gestorven.
De Heere was met hem. Dat was de reden dat Paulus psalmen heeft kunnen zingen in den nacht en dat de deuren van Philippi's kerker op wondere wijze geopend zijn.
En zoo zouden we kunnen voortgaan om aan te toonen hoe de Heere de belofte van ons tekstwoord telkens weer in vervulling deed gaan.
Ik ben met ulieden. Neen, dat wilde niet zeggen dat het leven der discipelen steeds zou gespeend zijn aan allen tegen spoed en kruis. Integendeel, de discipel zou niet meerder zijn dan zijn Meester. Voor de meesten hunner lag zelfs de martelaarskroon gereed. Maar omdat Jezus met hen was zou zelfs die schijnbare nederlaag toch nog een overwinning wezen. Of zou niet het bloed der martelaren telkens weer blijken het zaad van Gods Kerk ?
Zoo lag er dus in de belofte van ons tekstwoord voor de discipelen des Heeren een onschatbare troost. Niet waar, als een kind in het donker bevreesd wordt, zegt de vader : wees maar niet bang, mijn kind, want vader is met u. En juist die wetenschap dat vader met hem is, stelt hem gerust. Immers als vader met hem is, dan weet hij ook dat vader hem zal beschermen tegen alle gevaar.
En zoo was het nu niet slechts met deze discipelen die de belofte van ons tekstwoord uit Jezus' eigen mond beluisteren mochten, maar zoo is het ook met gansch de Kerk des Heeren, waarvan we reeds zeiden dat deze discipelen de vertegenwoordigers zijn.
De Heiland zegt dan ook zoo terecht dat Hij met hen zal zijn alle de dagen tot aan de voleinding der wereld. Dat nu is juist een duidelijk bewijs dat Jezus hier niet alleen tot Zijne jongeren sprak. Die discipelen immers zouden weldra van deze aarde zijn heengegaan. Toen hun taak hier op aarde volbracht was, toen zij hun strijd gestreden en den loop geëindigd, en het geloof behouden hadden, toen heeft de Heere hen tot zich genomen en hebben zij uit de hand des Heeren ontvangen de kroon der rechtvaardigheid.
Maar in hun plaats zijn anderen gekomen, door wie het werk dat zij waren begonnen werd voortgezet.. En zoo is het gegaan al de tijden en al de eeuwen door. Telkens weer heeft de Heere Zijn arbeiders begraven en Hij heeft Zijn werk door anderen voortgezet. Maar altoos weer bleek de belofte van ons tekstwoord waarheid te zijn. Telkens weer hebben Gods kinderen de trekking gevoeld van den band der gemeenschap die daar bestaat tusschen God en Zijn volk. O, wie zal ze tellen de duizenden en millioenen, die het in den loop der eeuwen ervaren hebben, dat de Heere met hen was ; dat hij met hen was in dagen van vreugde, maar óók in dagen van smart ; in dagen van voorspoed, maar ook in dagen van tegenspoed ; in dagen van leven, maar ook op dien dag, als de dood bij hen inkwam.
En zoo is het immers nóg. Overal kunt ge ze nog vinden, menschen, die het den dichter van Psalm 56 kunnen nazingen : Een ding weet ik, dat God met mij is.
Of heeft de Heere nog niet altoos in het midden dezer eereld een volk, dat naar Zijn Naam is genoemd, en dat naar Zijn beeld is geformeerd ? Heeft Hij nog niet altoos Zijn Kerk, die gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen ? En zal dat zoo niet blijven tot aan de voleinding der wereld ? Zal dat zoo niet blijven tot op dien grooten dag, dat Christus straks andermaal op de wolken des hemels zal worden gezien ?
O zeker, de vijandschap waarmee Gods Kerk te worstelen heeft is vaak groot, de pijlen die op haar gericht worden zijn vaak scherp ; de haat waarmee de wereld haar bejegent is vaak fel ; de smaad dien zij door haar zonden en door haar gedeeldheid over zichzelve brengt is vaak grievend. En als wij dat alles zoo zien, als wij de gemeente Gods vaak zien als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad, dan is het waarlijk geen wonder dat vreeze wel eens de harten van Gods kinderen vervult; dan is 't waarlijk geen wonder dat de vraag wel eens opkomt of er voor de Kerk des Heeren nog wel een toekomst zal wezen. Maar als we dan weer bedenken dat de Kerke Gods toch de draagster is van de rijke belofte in ons tekstwoord verpand ; als we dan weer gelooven dat de Heere met haar is, dan behoeft zij toch ook niet te vreezen al veranderde de aarde hare plaats en al werden de bergen verzet in het hart van de zee. Immers de Heere der heirscharen is met haar, de God Jacobs is haar een hoog vertrek. Laat dus de wateren bruisen, laat ze beroerd worden, laat de bergen daveren door derzelver verheffing, de beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.
Nog eens dus, rijke betekenis die er in de belofte van ons tekstwoord besloten ligt ; rijke vertroosting als ook wij op deze belofte de hand des geloofs hebben, gelegd.
Wat dunkt u, zou dat ook met u al zoo wezen ? Aanvaardt gij reeds deze belofte des Heeren ? Gelooft gij dus ook reeds dat Christus met u is ? Dan hebt ge niet te vreezen, al zou de gansche wereld tegen u zijn.
Of is het misschien nog juist andersom ? Hebt gij de wereld en hebt gij in den grond der zaak den Satan nog met u, o bedenk dan wel dat gij Jezus, dat gij den verheerlijkten Christus tegen u hebt. En als gij Hem tegen hebt, dan hebt gij den hemel tegen, dan hebt gij de engelen tegen en dan hebt gij God tegen. O, dat gij dan nu nog mocht beseffen wat dat te beteekenen heeft.
Of is de gedachte voor u te groot dat de verhoogde Zaligmaker met u zou zijn ? Zegt ge misschien : Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn nederig dak, dat Gij in mijn schuldige ziel Uw intrek neemt, bedenk dan dat de Heere altoos is met menschen die uit en van zichzelf naar Hem nooit gevraagd zouden hebben, dat Hij altoos is met menschen die van zichzelven moeten getuigen dat zij Zijne gemeenschap ten eenenmale zich onwaardig hebben gemaakt.
Of hebt gij in waarachtig geloof niet alleen bij iden verhoogden Zaligmaker uw toevlucht gezocht, maar hebt gij met het oog des geloofs Hem gezien, hebt gij met de armen des geloofs hem omhelsd ; zijt gij in aanbidding aan Zijne voeten neder gevallen, dan hebt gij ook iets verstaan van de rijke belofte die Hij in ons tekstwoord aan gansch Zijn strijdende gemeente hier op aarde verpandt.
Dan ook kunt ge in het besef dat de Heere met u is uw pelgrimstocht voortzetten, totdat straks het einde van uw leven en totdat eenmaal de voleinding der wereld gekomen zal zijn. Immers onder alle omstandigheden des levens kan het dan met het oog op dien verhoogden Verlosser uw belijdenis zijn :
De Heer' is bij mij. 'k zal niet vreezen. De Heer' zal mij getrouw behoên. Daar God mijn schild en hulp wil wezen. Wat zal een nietig mensch mij doen.

V.

J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's