Stichtelijke overdenking.
De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is dat wij hebben zoodanigen Hoogepriester, die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen, een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht en een mensch. Hebr. 8 vers 1 en 2.
Een Bedienaar des helligdoms.
De Heere Jezus is zegenend ten hemel gevaren. „En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel." Zoo vermeldt ons Lukas. Hij zegende Zijn discipelen. Aldus is Hij het laatst gezien. Het wordt ons medegedeeld opdat wij weten zouden, dat Hij nog altijd zegenend voor Zijn Gemeente in het hemelsche heiligdom is. Hij zegent Zijn Kerk altijd, ook al is Hij niet lichamelijk hier op aarde. Met Zijn genade wijkt Hij nimmer van haar.
Wij worden hierdoor herinnerd aan den Hoogepriester des Ouden Testaments. Deze ging op den Grooten Verzoendag in het Allerheiligste, met het bloed van het offerdier. In het voorhof van het heiligdom wachtte dan.de schare op de terugkomst van den Hoogepriester. Eerst moest daar zijn werk zijn afgeloopen. Het bloed moest hij, sprengen op het verzoendeksel. Net zoo lang als het kon. Totdat het bloed geronnen was. Het zeide daardoor : het is genoeg, het is volbracht. Dan ging de hoogepriester naar buiten. Hij bracht mee den zegen van het heiligdom, den zegen der verzoening van Israels Bondsgod. Op het wachtende volk legde hij dien zegen, op hen, die hun blikken gevestigd hadden op het heiligdom, verlangend naar des Hoogepriesters zegen. Zoo was de Hoogepriester de bedienaar des helligdoms.
Nu is Christus een veel uitnemender Hoogepriester, de Bedienaar des heiligdoms in den meest verheven zin des woords. Christus is, na Zijn eigen bloed op Golgotha vergoten te hebben, tot vergeving der zonde, in het hemelsche Heiligdom ingegaan.
O rijke hemelvaart ! Daar stijgt de Zoon des Menschen op. Hij nadert tot den troon der heerlijkheid. Een mensch gaat het paradijs in. Hier is het tegenovergestelde van den val des menschen. Hij gaat als Hoofd van Zijn Kerk. En waar het Hoofd is, aldaar zal ook het lichaam zijn. Maar denkt er ook aan, dat Hij als Hoogepriester de hemelen doorgaat als door het voorhangsel. Hij kwam daar, in het Allerheiligste, met Zijn eigen bloed. De Bedienaar van het heiligdom gaf Zichzelf tot in den dood, tot een rantsoen voor velen. Hij was zoowel Priester als Lam. En stervende sprak Hij : Het is volbracht. Het is de sprake van het bloed. En is genoeggedaan aan Gods recht. En zoo alleen kon een mensch den hemel in ; zoo alleen is de weg naar het Paradijs geopend. Christus is de Bedienaar des heiligdoms doordat Hij alles in orde gemaakt heeft tusschen God en Zijn volk. Daarom mag de apostel zeggen : God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.
Maar Hij, die als Hoogepriester eens voor de oogen Zijner discipelen is in gegaan in het hemelsche heiligdom, komt ook zegenend terug. En daarom is het zulk een voorrecht wanneer wij gelijken mogen op het wachtende volk in het voorhof. Hij komt zegenend terug. Zeker ! Bij Zijn wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden. Ook dan heeft Hij nog Zijn handen over Zijn Gemeente uitgebreid. Dan zal de volkomen verlossing het deel zijn van allen die in Christus leerden gelooven. Dan zal de groote Hoogepriester de aarde vervullen met glorie en heerlijkheid. Dan zal er onder de menschen een Vrederijk zijn ; er zal geen leed gedaan worden ; de aarde zal vol kennis des Heeren zijn, zooals de wateren den bodem der zee bedekken. De aarde zal een paradijs zijn, één en al heiligdom, wijl God zal zijn alles in allen.
Zoo zal de Bedienaar van het heiligdom zegenend terugkomen voor Zijn strijdende Kerk, Zijn wachtend volk.
Maar wij bedoelen het ook nog in een anderen zin, als wij zeggen : Hij komt zegenend terug. Niet één keer in het jaar, zooals de Hoogepriester van het Oude Testament. Maar altijd ! Zoo zeker als Hij gezegd heeft tot Zijne discipelen : Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Hij zegent, door de wolken heen, ook al nam een wolk Hem weg. Hij zegent zóó, dat er een wachtend volk komt. Hierin is Hij weer veel uitnemender dan elke andere Hoogepriester. Er is toch in den natuurlijken mensch geen begeerte naar den zegen van het heiligdom. Dat is de zonde dat de mensch de Bronader des levenden waters verlaten heeft. Hij wilde niet uit het heiligdom leven. Aan de gemeenschap Gods heeft hij zich moedwillig onttrokken. Inplaats van een priester in het heiligdom, is de mensch geworden een overtreder van het heilige gebod, een dienaar der zonde, die zijn leven gewillig aan dien rampzaligen dienst ten offer geeft. Neen er is geen wachtend volk in het voorhof. Er is niemand die naar den Heere vraagt, die smeekend verlangt naar den zegen van het heiligdom.
Gelukkig dat wij elkander herinneren mogen aan den grooten Bedienaar van het heiligdom. Hij giet Zijn hemelsche gaven uit. En in dit uitgieten is Hij de gedurig zegenende Hoogepriester. Hiervan moeten wij kennis hebben, zal het goed met ons zijn. Wij moeten de hel in onszelf zien, zullen wij naar den hemel verlangen. Zonder de hellevaart der zelfkennis gaat het nooit. Dit nu maakt een van de werkzaamheden uit van den Bedienaar van het heiligdom. Hij maakt een wachtend volk. Door Zijn Geest overtuigt Hij van zonde, gerechtigheid en oordeel. In de geestelijke Wet, die Hij ons voorhoudt, teekent Hij ons het zedelijk leven van den paradijs-mensch vóór den val. O, wat zijn wij ver van dat paradijs-leven weg ! Ver van het heiligdom ! Ver van onzen God. En omdat deze kennis een harte-kennis is, is zij geen koele beredeneering, die ons laat waar wij zijn. Neen, zij gaat saam met verlangen, met heimwee, met liefde naar het verloren paradijs. Hoe vind ik een verzoend God ? Hoe zal ik rechtvaardig zijn voor den Heere ? Hoe heb ik deel aan Christus ? Hoe weet ik, dat Hij voor mij gestorven is ? Zie, deze vragen en nog zooveel andere, die uit g een door schuldbesef verslagen ziel rijzen, zijn het bewijs dat er een wachtend volk is.
De Bedienaar des heiligdoms is daarom zoo uitnemend groot, omdat Hij in het heiligdom bedient, van het 'begin tot aan het eind.
Het is een onuitsprekelijk voorrecht, als wij ons geheel en al door Hem laten bedienen. Immers dan vult Hij de ledige vaten met de olie Zijner genade, zoolang als er maar ledige vaten worden aangedragen. Christus is ons geworden wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot eene volkomene verlossing. Als de apostel zoo spreekt, ziet hij van die zegenende handen van den Middelaar de rijkste zegeningen nederdalen op een wachtend volk. Wanneer Hij in onze harten spreekt van de reinigende kracht van Zijn bloed.-o, wat is het dan gemakkelijk het heilsgoed aan te nemen, waarnaar wij misschien vele jaren begeerig uitzagen. Ik heb niets anders dan schuld en zonde, zoo spreekt dan het hart, maar door Christus is het mij alles uitgedelgd. En nu heb ik niets anders dan de onschuld en de gerechtigheid van Christus. Die is mij voor al de eenwigheid toegekend !
Neen, tot die geloofszaak klimmen wij zélf niet op. Wij stijgen niet op naar den hemel, waar Christus ons afwacht. Neen, maar Hij is de Hoogepriester, Die uit het Allerheiligste komt. Hij daalt neder en maakt in ons hart een hemel. In ons door de zonde verdorven hart. O, wonder van hemelsche liefde ! Geloof mij, dan is het een hemelvaart voor ons. Een hemelvaart door het geloof in Hem, Die ons voor goed voor Zijn rekening nam.
Een Bedienaar van het heiligdom is Christus, ook in het leven der heiligmaking. Hij zegent met Zijn hoogepriesterlijken zegen. Ook als er, zooals Paulus van zichzelf zegt, een vermaak is in de wet Gods. O, wat houden wij dan veel van de wet des Heeren ! Wij zouden wel altijd met God willen leven ! Dat is de nieuwe levensdrang Het werk van den grooten Bedienaar. Tenslotte zal ieder in wien die levensdrang is, wel klagen moeten van zijn ellende. Immers hoe geestelijker de mensch wil zijn, des te meer bevindt hij zich vleeschelijk verkocht onder de zonde. Maar daarom gaat ook klacht en heimwee samen : ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus mijnen Heere.
Zoo blijft daar een wachtend volk in het voorhof. Maar Christus is de blijvende Bedienaar van het heiligdom. Hij zegent Zijn Kerk altijd. Hij zegent door de wolken heen. Hij zal hen eens allen tot Zich nemen. De hemelvaart van Jezus Christus is een profetie van de hemelvaart der Kerk. Daarom mag gezongen worden :
Maar. blij vooruitzicht dat mij streelt. Ik zal ontwaakt, Uw lof ontvouwen U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.
Kr.
N. V. d. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's