Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Met Mark Mens zou hij eens over de klompen spreken : die zou goeden raad geven, want wat niemand wist, dat wist zijn beste vriend.
Koen en Hilda wilde hij maar liever alles toegeven ; die tien gulden mochten ze best houden. .Alleen één kwartje zou hij er gaarne van hebben, om er fatsoenlijke klompen voor te koopen. Maar er om vragen wilde hij niet weer ; hij had het ééns gedaan en zij hadden gezegd, dat er geen beter klompen waren dan van de armvoogdij. Nu wilde hij er met hen niet meer over spreken. Zijn vriend, de meester, zou er wel raad op weten.
Toen Mark en Paul den volgenden Zondag weer op weg waren naar de schuur van Kooijker, kwamen al spoedig de klompen ter sprake. De jongen wist heel goed, dat als hij Mark om een paar klompen vroeg, dat hij ze met plezier gaf; doch hij wilde zoo gaarne klompen voor eigen geld aan zijn voeten hebben, omdat hij nu vrij man was. Hoe hij 't toch moest aanleggen ! Misschien kwam 't wel vanzelf.
„Meester! nu hoef ik m'n armvoogdijklompen niet meer te dragen en mag ik er mee doen, wat ik wil. Wat zal ik er nu mee doen ? "
„Wel, die moet je verkoopen !"
„Verkoopen — wie in de wereld zou geld willen geven voor zoo iets gruwelijks ? " Lachend keek hij Mark aan.
„ja zeker ! Ik geef een kwartje voor iederen klomp."
Zijn vriend loog nooit : 't moest dus ook nu wel meenens zijn. Maar wat in de wereld zou hij met zulke klompen doen ?
„Wat doet u er dan mee, meester ? "
„Dat zal ik je zeggen : ik ga ze schoonmaken en in mijn kamer aan den wand hangen."
De jongen gilde van 't lachen : zoo iets zots had hij nog nooit gehoord.
„Hang je ze dan te pronk ? "
„Tot meer dan pronk, Paul ! Ik ga ze aan den wand hangen, en als ik er dan naar zie, zal ik denken aan wat God kan doen, en ik zal denken aan mijn vriend Paul. En zoolang ik leef, zouden die klompen in mijn kamer zijn !"
Den jongen kwamen terstond de tranen in de oogen. Wat zou hij toch gaarne die klompen aan zijn vriend geven : maar als hij die weg gaf, had hij niets anders om aan te trekken. En wat zou hij gaarne één klomp zelf behouden, ook om 'm ergens op te hangen en er naar te zien en dan te denken, wat God toch veel kon doen. Zoo oud zou hij niet worden, of die klomp zou dan als een kostelijke gedachtenis bewaard worden, want hij zou daarbij dan ook altijd denken aan zijn eenigen vriend Mark Mons.
Als hij nu maar over één kwartje te beschikken had : dat ééne van Ferdi, dat hij aan Hilda te bewaren had gegeven ; maar als hij er om vroeg, zou ze 't niet willen geven om er klompen voor te koopen. En toch waren die tien gulden ook z'n eigen ! Als hij maar één kwartje had nu, dan mochten Koen en Hilda wel altijd, alle jaren, die tien gulden van Teun Dolle hebben.
Van radeloosheid begon hij te huilen ; hij was nu wel vrij man, maar armer dan ooit.
Mark Mons zag dat. Tranen van blijdschap en geluk had hij al vaak bij den armen jongen opgemerkt; maar deze tranen spraken van smart. Hij voelde iets van Pauls pijn in zijn eigen ziel.
„Paul, jongen ! Je hebt verdriet en dat kan ik niet zien. Wat scheelt er aan ? Zeg het me : ik zal je helpen."
Even aarzelde de knaap ; maar als hij de tranen van zijn gelaat had gewischt, zei hij ; nog snikkend :
„Hilda heeft een kwartje van mij in bewaring, en als ik dat had, zou ik u gaarne de klompen geven ; maar zij zal 't mij zeker niet willen geven."
„En wat wilde je dan met dat kwartje ? "
„Nieuwe klompen koopen, gewone, zooals andere jongens dragen, en ik zou u dan de oude willen geven, en vragen, of ik er één van mag, om al mijn leven te bewaren en er aan te zien, wat God veel kon doen !"
Mark kende 't ventje al door en door.
„Zou Hilda je later dat kwartje niet geven ? "
„Later ? Zeker wel ! Want het is mijn eigen, van Ferdi !"
„Welnu, dan beteekent dat niets. Ik leen jou nu een kwartje, en later als Hilda jou je eigen geeft, betaal je 't mij terug !"
De jongen schokte in eens van blijdschap op.
,, Ja, zóó zou 't kunnen."
„Hier ! — een kwartje heb ik niet : hier zijn drie dubbeltjes."
Wat was de jongen gelukkig ; hij borg het geld op een veilig plaatsje, bedankte zijn vriend hartelijk en zei :
„Mag ik nu wel zeggen, dat u mij het geld geleend hebt ? "
„Zeg maar liever, dat ik je dat geld heb gegeven, en dat jij mij daarvoor een klomp geeft!"
„Ja, maar ik geef het eerlijk terug !" t „Natuurlijk, als je 't geld hebt. Maar zoolang je 't niet missen kunt, geef ik het je."
„Dat is goed !"
„En als je nu nieuwe klompen hebt, maak je de oude schoon, en bewaart ze allebei of één voor mij, niet waar ? "
„Morgen dadelijk !"
HOOFDSTUK VIII.
Mark Mons was er ingeloot voor de nationale militie en hij zou zelf gaan dienen. Toen de tijd daarvoor was aangebroken, nam hij in de schuur van Kooijker afscheid van al de kinderen. Hij maakte er niet meer van dan noodig was : als de Heere hem in 't leven spaarde, hoopte hij weer iederen Zondag tot hen te komen en misschien kwam hij — met verlof •— wel eens in zijn soldatenpak. Zij moesten altijd hun best doen en eerst van alles den Heere en Zijn Koninkrijk zoeken. Hij wilde, als hij ver weg was, aan hen denken en voor hen bidden : hij hoopte, dat zij 't voor hem zouden doen.
Paul viel het scheiden vreeselijk hard. Terwijl ze samen hun bekende paadje bewandelden, sprak de jongen geen woord.
„, Hoor eens, Paul ! — weet je, wat ik gedacht heb ? Jij kunt nu lezen en schrijven: zoodra ik ben, waar ik zijn moet, zal ik je een brief schrijven en dan schrijf jij mij een brief terug. En zoo doen we dan geregeld : de eene week schrijf ik het en de andere week schrijf jij. Hoe vind je dat ? "
Dat is 't mooiste van al. 't Zal dan net zijn, of je niet zoo ver weg bent."
Maar toen hij wist, dat Mark Mons zijn ouderlijk huis reeds had verlaten en heel, heel ver weg was in de wijde wereld en hij hem in lang niet zou terugzien, voelde hij zich zeer verlaten. Voor 't eerst zou hij nu Zondag alleen naar de schuur gaan : de kinderen zouden misschien weer aan den grindweg staan te wachten en als ze zagen dat de meester niet bij hem was — ja, dan zou hij maar in 't midden gaan en den kleintjes een hand geven : hij was toch de vriend van den meester ! Gelukkig, dat hij Zondags toch altijd even met Marie Kooijker kon spreken : die wist ook immer goeden raad. Ja, maar wie zou nu meester in de Zondagsschool zijn ? want Mark Mons had nog geen anderen kunnen vinden en de wagenmaker zei, dat hij geen meester kon zijn. God zou wel zorgen, maar — alle dingen hadden hun verloop, had Marie toen gezegd en nu wist hij 't zelf héél goed.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's