Uit het kerkelijk leven.
Emeritaats-pensioen.
Daar moet het toch langzamerhand heen in onze Kerk, dat de oude dienaren des Goddelijken Woords, een behoorlijk pensioen krijgen. De gemeenten moeten zich daar nu eens voor gaan interessee ren, voor het weer te laat is en er andere maatregelen moeten getroffen worden. Het is toch in strijd met Gods Woord onze emeriti en ook degenen, die door krankheid genoodzaakt zijn geworden het ambt neer te leggen, totaal onverzorgd te laten en liefdeloos heen te zenden met de wensch : gaat heen, en wordt warm !
Ook de verzorging van predikantsweduwen en weezen roept om voorziening in de velerlei nooden.
In „de Gereformeerde Kerken" worstelt men ook reeds lang met deze dingen. Ze zijn ook zoo moeilijk. Wanneer het beginsel van artikel 13 wordt vastgehouden, dat elke plaatselijke Gemeente haar eigen emeriti en haar eigen weduwen en weezen moet onderhouden, komt dat in de practijk neer op hongerlijden van de betrokken ouden van dagen of de respectievelijke weduwen en weezen. Hier ligt naast de roeping en verplichting van de plaatselijke Kerk ook een taak voor de Kerk in haar geheel. Dienstjaren enz., behooren tenslotte niet aan één gemeente ; ook dus de predikantskinderen enz. niet. Classis, Provincie, Synode, moeten hier saam optreden, om het in deze mogelijk te maken dat een afdoende regeling getroffen wordt.
Wat men in „de Gereformeerde Kerken" van plan is, blijkt o.a. uit het rapport inzake artikel 13 Dordtsche Kerken orde, dat door deputaten daartoe door de vorige Synode benoemd, aan de a.s. Synode te Utrecht zal voorgelegd worden. Over dat rapport schrijft prof. Bouwman van Kampen in „De Bazuin" het volgende, dat wij hier gaarne overnemen, hier en daar slechts een woord of zin onderstreepend :
„Zooals onzen lezers bekend is, schrijft Art. 13, D.K.O. voor, dat een Dienaar des Woords, wanneer hij door ouderdom ziekte of anderszins niet meer in staat is om zijn ambt te vervullen, de eer en den naam van een dienaar zal behouden en dat de plaatselijke kerk, waaraan de dienaar verbonden was, eerlijk in zijn nooddruft zal voorzien.
De uitvoering van Art. 13 leverde in onze kerken allerlei moeilijkheden op. De vrijgemaakte kerken der scheiding achtten het wel de roeping der kerken om de emeriti-predikanten, de predikantsweduwen en weezen te onderhouden, maar zij waren in de eerste jaren niet steeds in staat dit naar behooren te doen, en daarna was de regeling niet altoos voldoende. Tot 1872 zorgden de Provinciën voor hare emeriti, doch door de nalatigheid van sommige provinciën werd in 1872 deze verzorging gecentraliseerd en werd eene algemeene commissie benoemd die voor alle emeriti, weduwen en weezen in het geheele land had te zorgen. Men ging bij deze regeling uit van het vrijwilligheidsbeginsel. Geen enkele kerk mocht aansprakelijk gesteld worden voor een bepaald deel. Dit had tengevolge : a. dat de emeriti en hunne weduwen en weezen niet ontvingen wat zij noodig hadden en b. dat de roeping der plaatselijke kerk om haren emeritus te verzorgen, langzamerhand uitsleet.
Zoo bleef het tot de ineensmelting der kerken in 1892. Met de vereeniging werd de kas voor Emeriti predikanten, weduwen en weezen overgenomen en het vrijwilligheidsbeginsel gehandhaafd.
Doch de tekorten werden al grooter. Om die reden nam de Synode van 1896 te Middelburg een radicaal besluit, en nam een regeling aan, waarbij werd uitgegaan van het beginsel van Art. 13 dat elke kerk geroepen is hare eigen emeriti te onderhouden. Is eene plaatselijke kerk niet bij machte haar eigen emeritus en weduwen te onderhouden, dan wende zij zich als hulpbehoevende kerk tot de genabuurde kerken.
Deze regeling werkte in zooverre uitnemend, dat de kerken plaatselijk hare roeping beter begonnen te verstaan en dat de verzorging der emeriti veel beter werd. Maar er rezen bezwaren van practischen aard. Allereerst was het zeer moeilijk te beoordeelen wat eene kerk kon betalen, en in de tweede plaats vonden vele kerken, die overigens wel in staat waren een eigen dienaar te verzorgen, het bezwaarlijk, dat zij, omdat zij niet in de behoeften van den emeritus konden voorzien, tot de hulpbehoevende kerken werden gerekend.
Dit werd aanleiding dat eerst in Zuid-Holland en al spoedig in Groningen, Friesland (Z.), Drenthe, Overijssel, Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en ten deele ook in Gelderland een uitvoering van Art. 13 K.O. werd aanvaard, die feitelijk neerkomt op eene vrijwillige, onderlinge verbintenis van de kerken tegenover elkander, om de financiëele lasten aan de uitvoering van Art. 13 verbonden, door het storten van jaarlijksche bijdragen naar een zekeren maatstaf gezamenlijk te dragen. Kortheidshalve werd deze regeling met den naam „onderlinge verzekering" aangeduid.
„De bedoeling dezer regeling is : 1. dat men het beginsel van Art. 13 K.O., dat de plaatselijke kerk aansprakelijk is voor pensioenuitkeering, wil handhaven ;
2. dat men buitengewonen financlëelen druk en hulpbehoevendheid van de plaatselijke kerken wil voorkomen en wegnemen ;
3. dat men den kerken, door het storten van jaarlijksche bijdragen voor de verzorging van Emeriti-predikanten, weduwen en weezen, waarborg wil geven, dat zij, in geval van emeriteering of overlijden harer dienaren, aan hare verplichtingen volgens Art 13 kunnen voldoen, zonder daardoor als hulpbehoevend op de mededeelzaamheid der zusterkerken te zijn aangewezen.
Op de Synode van Leeuwarden werden nu deputaten benoemd „met opdracht om te onderzoeken, of met handhaving van het beginsel van Art. 13 K.O. mogelijk en gewenscht is, de regeling van Utrecht te wijzigen, of te vervangen door een nieuwe regeling, waarvan mag worden verwacht, dat ze meer algemeene instemmnig zal vinden." Als deputaten werden benoemd : prof. dr. H. H. Knyper, dr. J. Hania en ds. H. Meyering
Deze commissie heeft nu een rapport ingediend dat geheel op de lijn ligt van de zoogenaamde „vrijwillige verzekering", zooals deze in de onderscheidene provinciën reeds is ingevoerd. Wij verblijden ons over de beslistheid waarmede dit rapport spreekt. Reeds in 1917 heeft „De Bazuin" instemming betuigd met deze gedachte. Maar er was in de kerken een zekere schuchterheid om zulk een regeling officieel te aanvaarden, orndat men vreesde dat deze op een of andere wijze in strijd zou komen met Art. 13 D.K.O. Thans echter schijnt de vrucht rijp te zijn voor den oogst. Feitelijk behoeft de Generale Synode niets meer te doen dan het zegel te zetten op wat in de kerk algemeen in gebruik is, en bepalingen te maken om misbruik te voorkomen.
Het moeilijke punt blijft altoos dat eene plaatselijke kerk zich niet wil verbinden tot het storten van een jaarlijksche bijdrage naar gebleken behoefte in de provinciale kas. Zulk een kerk blijft dus buiten de regeling. Terecht stellen de deputaten dan ook voor, dat het vrijwillig karakter van eene dergelijke contractuëele verbintenis duidelijk uitkome en geen kerk ook door zijdelingsche dwang genoodzaakt worde tot deze verbintenis toe te treden. Zulk een kerk zou, indien zij bij een eventueel emeritaat van haren dienaar niet in staat was de volledige verzorging te geven, eene hulpbehoevende kerk worden. Maar misschien zal, wanneer de Generale Synode de gedachte van het rapport goedkeurt, geen en'kele kerk zich onttrekken."
REFERAAT GEHOUDEN OP DE 18e JAAR VERGADERING VAN DEN GEREF. BOND, OP DONDERDAG 19 APRIL 1923, DOOR Ds. J. G. WOELDERINK TE RANDWIJK.
„Het wezen des geloofs".
(Slot).
Zoo is dan ook het geloof niet enkel daad, maar samenhangend met 's menschen innerlijk-zijn en getuigend van een algeheele vernieuwing daarvan. Door 't geloof wordt de mensch weer in de rechte verhouding tot God geplaatst ; daarom heeft het betrekking op den ganschen mensch en al zijn vermogens.
De Schrift leert ons, dat de religie behoort tot het wezen van den mensch. God heeft den mensch, den beelddrager Gods, in een bepaalde verhouding tot zich geschapen, waarmee onmiddellijk de religie gegeven is. Hoezeer de zonde deze verhouding heeft omgekeerd en verdorven, toch kan de mensch aan deze verhouding niet ontkomen. Naar zijn wezen is hij geroepen om God te kennen, van harte lief te hebben, te loven en te prijzen. Hoezeer ook miskend en verkracht, dat wezen blijft. De zonde kan den mensch geen ander wezen geven. Vandaar, dat na den zondeval de religie niet onder de menschen is uitgestorven. Er is geen volk zonder religie. Het geloof, het ware Christelijke geloof is in wezen niet anders dan het herstel der ware religie in 's menschen hart. Het is geen bizonder vermogen, dat boven de natuurlijke vermogens den Christen wordt ingeschapen ; het is het herstel van de rechte verhouding des menschen tot God, welke verhouding door de zonde bedorven is. Daarom hangt het geloof onmiddellijk met de wedergeboorte samen en is onafscheidelijk daarmede verbonden ; het is ook een vrucht en werk des Heiligen Geestes. De nieuwe mensch uit God geboren kan niet anders dan gelooven. De Heiland heeft deze samenhang van geloof en 's menschen innerlijk zijn klaar uitgesproken. „Gij gelooft niet, zegt Hij tot de Joden, want gij zijt niet van mijne schapen. Mijne schapen hooren mijne stem en Ik ken ze en zij volgen Mij." (Joh. 10 : 26 en 27).
De vraag, in welk vermogen van den mensch (verstand, wil, gevoel) het geloof zetelt, is daarom gansch overbodig. Het geloof zetelt dieper dan eenig vermogen, evenals de religie zelf. Het is mij niet duidelijk, waarom sommigen tegen een dergelijke centrale plaats van het geloof bezivvaar hebben, tenzij dan dat men het geloof als tijdelijk en uitwendig middel ter zaligheid opvat, in geen enkel opzicht samenhangend met het wezen van den nieuwen mensch. Waarom zou aan het' geloof kleiner plaats moeten worden toegekend dan aan de liefde, die door den Heiland ook gesteld is in het wezen van den uit God geboren mensch, in de diepte der geheiligde persoonlijkheid en vandaar al 's menschen vermogens beheerschend en bestierend, het verstand evengoed als den wil, want de Heere spreekt ook van een liefhebben met het verstand, ja met alle krachten.
Wie het geloof ziet als behoorend tot het wezen van den nieuwen mensch, als het herstel der ware religie, kan verstaan, waarom onze oudere Godgeleerden het geloof konden ingesloten achten in de eischen der goddelijke wet. In Zijn heilige wet eischt God toch van ons terug, wat Hij ons eens gegeven heeft. Een natuur, een wezen heeft Hij ons gegeven, waardoor de mensch geloovig en vertrouwend zijn God ontmoette ; zulk een natuur en wezen eischt Hij in Zijn heilige wet nog immer van ons. Daarom stelt het ongeloof ons schuldig en legt ons onder Gods rechtvaardig oordeel, ook het ongeloof, dat Christus verwerpt, want wie Hem verwerpt, verwerpt ook den Vader, die Hem gezonden heeft.
Op deze wijze worden geloof en wedergeboorte volstrekt niet vereenzelvigd De wedergeboorte ziet op het herstel der menschelijke natuur in haar ganschen omvang ; het geloof vertolkt ons de verhouding, waarin de nieuwe, herboren mensch tot God staat en laat ons die verhouding zien als eene van geloof en vertrouwen. Het woord „geloof" is dus niet willekeurig gekozen, maar geeft het karakter weer van de relatie, waarin de Christen staat tot zijn God.
Bizonder schoon teekent ons de Schrift deze relatie des geloofs in Abraham, den vader der geloovigen. Nadat God hem wondere beloften heeft gedaan, wordt Abraham in zijn verhouding tot den Allerhoogste ons in weinige woorden dus geteekend : „en hij geloofde in den Heere" of zooals het in het Nieuwe Testament is vertaald, kernachtiger, zonder in : „en Abraham geloofde God." (Gen. 15 : 6 en iRom. 4:3). In het Hebr. woord, daar gebruikt, ligt het grondwoord „aman" besloten ; vanwaar het woord Amen ; het geeft aan waarachtigheid en vastigheid in iemand stellen. Geen woord kon beter het wezen des geloofs tot uitdrukking brengen. Het ware geloof stelt een volkomen waarachtigheid (in den hoogsten zin van 't woord) in God en vertrouwt Hem gansch en al.
Dit klassieke woord van Abraham doet tevens zien, dat het geloof een persoonlijke relatie veronderstelt. Het onmiddellijk voorwerp des geloofs is niet het Woord Gods maar God Zelf of bij nadere openbaring elk der drie personen in het Goddelijk Wezen. Er staat niet, dat Abraham Gods belofte geloofde; hij geloofde God en daarom, we stemmen het onmiddellijk toe, maar daarom ook alleen, geloofde hij Gods belofte, hoezeer die belofte op zichzelf genomen in verband met de omstandigheden, waaronder hij verkeerde, hem onwaarschijnlijk moest voorkomen. Om deze reden hebben we over geloof en vertrouwen als in één adem gesproken. In het woord „vertrouwen" ligt toch onmiddellijk de persoonlijke relatie uitgedrukt, die velen in het woord „geloof" niet altijd dadelijk zien.
De Christen dient echter geen onbekenden God. Die God, voor Wien hij zich geloovig buigt, is een God, die zich geopenbaard heeft. Trouwens alle religie rust op openbaring. De religie der heidenen is alleen daaruit te verklaren, dat hetgeen van God kennelijk is, hen gegrepen heeft, maar wijl de zonde haar verdervenden invloed uitoefent over alle vermogens, wordt deze openbaring Gods op den spiegel van het bewustzijn gansch onzuiver opgevangen en is ook de Godsideé, die onder invloed daarvan gevormd wordt, gansch onzuiver. Door het geloof wordt deze verdervende macht der zonde opgeheven. Het geloof, dat de rechte relatie tot God herstelt, verheldert ook den spiegel van het bewustzijn, geeft naar het woord van den Apostel verlichte oogen des verstands en stelt daardoor den mensch weer in staat de openbaring van den levenden God te hooren en te ontvangen. Adam kon de openbaring Gods in het woord aangaande den boom der kennis des goeds en des kwaads niet verwerpen en toch geloovig tegenover God zelf blijven staan ; de relatie van geloof brengt een geloovig ontvangen der goddelijke openbaring mee ; er is een zeer nauw verband tusschen deze beide.
Hierin ligt de reden, waarom met het ware geloof immer een intellectueel moment verbonden is en de kennis als een bestanddeel van het rechte geloof wordt genoemd (zie Cat.). Uit deze wereld, de schepping van 't Eeuwige Woord, komt een sprake Gods, die spreekt tot het bewustzijn van den mensch) ; veel meer geldt dit nog van de bizondere openbaring Gods, waarin de Allerhoogste tot den mensch is neergedaald en in menschelijke sprake tot ons spreekt (Hebr. 1 vers 1). Daarom is het vergeefsch werk de geloofsvoorstellingen los en onafhankelijk te willen maken van het levende geloof. De geloofsvoorstellingen worden niet geboren uit een Godsopenbaring in het onbewuste van ons zieldoven, maar zijn zeer zeker vrucht van de openbaring Gods door het Eeuwige Woord, zooals dat in de geschapen wereld, maar bovenal in 't geschreven en gepredikte Woord tot ons bewustzijn spreekt. En 't levende geloof heeft een taak in het doen verstaan, in het ontvangen van deze sprake.
De minachting waarmee dikwijls, ook in ethische kringen, gesproken wordt over de Athanasiaansche geloofsbelijdenis, die de erkenning van de geopenbaarde waarheid noodzakelijk acht tot zaligheid is daarom geheel ongepast.Want de kwestie staat niet zoo, dat het hier gaat om formules door menschen opgesteld, maar het gaat hier om God Zelf, zooals Hij zich in en door het Woord geopenbaard heeft en door het levende geloof gekend wordt. De vertolking van het levende geloof kan gebrekkig zijn ; het zij toegestemd ; maar vanouds af heeft de Christenheid met haar belijdenissen iets anders bedoeld dan gezag voor haar eigen woord vragen (Art. 7 Ned. Gel. bel.) ; zij heeft, hetgeen God haar geopenbaard had van Zijne Heerlijkheid, tot uitdrukking willen en moeten brengen om op deze wijze uit te roepen dat die God, dien de dwaalleeraars beleden (want de belijdenissen zijn uit den strijd geboren) niet de waarachtige en levende God was. Het gaat in dien strijd niet om woorden en uitdrukkingen, maar 't gaat om hetgeen achter en boven de woorden en uitdrukkingen ligt, om den levenden Go^d, zooals Hij aan het oog des geloofs zich geopenbaard heeft. De vraag, of Jezus was de Christus, de Zone Gods was geen vraag, die alleen de geloofsvoorstelling raakte en waarop het levende geloof gansch verschillende antwoorden kon geven ; wie deze waarheid ontkende, wordt door den Heiland buiten het geloof geplaatst.")
Evenwel onmiddellijk stemmen wij toe dat in het ware geloof niet alleen een intellectueel, maar ook een ethisch moment schuilt. Dat volgt zoowel uit het karakter van het geloof, dat de gansche mensch beheerscht, als uit de openbaring en het Wezen Gods. Het is volkomen waar, dat God met zich te openbaren nooit bedoeld heeft ons bepaalde waarheden te leeren verstaan en ons een getal begrippen bij te brengen. God schiep den mensch en openbaart zich aan hem, opdat Hij door hem verheerlijkt worde. Hij zoekt zich in den mensch een tempel des Geestes op te richten. Wanneer de openbaring Gods slechts een schijnsel geeft in het bewustzijn, slechts het verstand een weinig verlicht, is dat het bewijs, dat het levende geloof gemist wordt en de mensch niet in de rechte verhouding staat tegenover zijn God. God, zich openbarende, bedoelt zich een woning te maken in den mensch en Hij openbaart zich niet alleen als de Waarachtige, maar ook als de Heilige, de Liefdevolle, als die, die met onvergankelijke Heerlijkheid en Schoonheid bekleed is. Zonder geloof is het echter niet mogelijk deze openbaring, Iaat ik zeggen, deze zich openbarende God, in zich te ontvangen (Joh. 14 vers 22) ; tot de ongeloovige Joden wordt gezegd, dat ze altijd den Heiligen Geest weerstaan (Hand. 7 vers 51). Het geloof, dat de mensch in de rechte verhouding tot God plaatst, zet al 's menschen vermogens, niet alleen het verstand, maar ook den wil en de andere in de juiste verhouding tegenover God, waardoor ze door God zoo in beslag genomen, geleid -en bewerkt worden, dat ze alle vrucht dragen ter verheerlijking Gods. Het geloof geeft niet alleen verlichte oogen des verstands, maar reinigt daarom tevens het hart (Hand. 15 vers 9).
Dit feit, dat met het ware geloof een intellectueel en ethisch moment verbonden is, doet bizonder het receptieve karakter van het geloof uitkomen. Het receptieve karakter van het geloof is primair '); eerst in de tweede plaats is het geloof actief. Dit hangt ook samen met de afhankelijkheid des menschen. We kunnen God niets geven, dat we niet eerst van Hem hebben ontvangen. Het geloof is niet allereerst een bron, die voortbrengt, maar een open deur der menschenziel voor God. Door het ware geloof wordt de mensch ontvankelijk voor de openbaring Gods en de inwoning Gods in zijn hart. Bizonder sterk komt dit receptieve karakter van het geloof uit in de rechtvaardigmaking als God Zijn Zoon in het hart openbaart en den zondaar met Zijn eeuwige Gerechtigheid bekleedt, terwijl dit receptieve karakter van het geloof ons tevens verklaart, waarom een kinderlijk geloof juist zulk een groot geloof is en ook de gestalte van een Maria, wier hart gelijk is aan den dorren grond, die den regen des hemels indrinkt, den Heere bizonder welbehaaglijk is. Eerst in de tweede plaats is 't geloof actief. Bevrucht door de openbaring Gods baart het geloof die vele geloofswerkzaamheden, van welke de Schrift ons telkens spreekt.
Het komt mij voor, dat door deze verklaring van het wezen des geloofs de moeilijkheden, die menigeen met de verklaring van het antwoord uit den Catechismus heeft, worden opgelost. Te veel toch wil men dit antwoord, dat uit den reformatorischen tijd stamt, verklaren bij het licht dat de 18de eeuw met haar afwijkingen op het gefoof doet vallen.
Allereerst zij opgemerkt, dat het m.i. foutief is om te zeggen, dat de Catechismus in het geloof drie deelen onderscheidt : kennis, toestemmen en vertrouwen, foutief, inzooverre men deze drie deelen in den regel naast elkander plaatst. De Catechismus spreekt niet van een kennen èn toestemmen van Gods Woord, maar van zulk een kennis, waardoor men voor waarachtig houdt al wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Er wordt gesproken van een bepaald soort kennis en wel van de kennis des geloofs, die onderscheiden moet worden van een louter verstandelijke kennis.
Nog verkeerder is het (wanneer men tenminste den Catachismus wil verklaren bij het licht dat Calvijn's Institutie over de woorden en uitdrukkingen werpt) om een soort tegenstelling te vormen tusschen kennis en vertrouwen „niet alleen een vaste kennis, maar ook een hartelijk vertrouwen." Calvijn kent die tegenstelling niet ; ze dateert uit de 17de en 18de eeuw, toen men de kennis van het levende geloof niet meer onderscheidde van een louter verstandelijke bevatting en meende, dat het levende geloof bestond uit verstandelijke kennis plus een hartelijk vertrouwen. In de toestemming, in het voor waarachtig houden van al wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, ligt hetzelfde geloofsvertrouwen besloten, als in dat hartelijke vertrouwen waarover daarna sprake is. „Want deze toestemming, zegt Calvijn, behoort meer tot het hart dan tot de hersenen en meer tot de genegenheid dan tot het verstand." *) En iets verder het gevoelen der Roomsche godgeleerden, die de toestemming als een louter verstandelijke instemming voordroegen, verwerpend, zegt hij, dat de toestemming zelf in een godvruchtige gezindheid is gelegen.')
De tegenstelling, die in de Catechismus gemaakt wordt door de woorden „niet alleen maar ook" is een gansch andere ; het is de tegenstelling tusschen het algemeene en bizondere, die tot tweemalen toe telkens door dat „niet alleen, maar ook" gemaakt wordt. Het ware geloof vertrouwt niet alleen alle Woord Gods, maar ook het Woord van Gods genade '•) ; het vertrouwt niet alleen, dat deze belofte van genade aan anderen, maar ook aan mij is gegeven"). En dit laatste, dit persoonlijke (ook aan mij) rekent zoowel Calvijn ais de Catechismus tot het wezen des geloofs. Het kan ook niet anders. Hier ligt het groote onderscheid tusschen een historisch-en tijd-geloof eenerzijds en het levende geloof anderzijds. Het hangt samen met de openbaring Gods door Woord en Geest; het hangt samen ook met het wezen des geloofs, dat altijd een persoonlijke relatie tot God onderstelt. Zoodra het levende geloof doorbreekt, krijgt een mensch voor zich persoonlijk met den levenden God te doen ; en waar God door Woord en Geest, d.i. dus krachtdadig zich openbaart, wordt Zijn Stem gehoord als tot ons persoonijk gericht. Zie maar op den zondaar, die met een verbroken hart zich voor God buigt ; hij is er met groote zekerheid van overtuigd, dat de vloek der zonde niet alleen anderen, maar ook hem persoonlijk geldt ; hij beluistert in het oordeel der goddelijke wet de stem des levenden Gods als tot hem persoonlijk gericht ; daarom vreest bij en wordt het hem steeds banger. Reeds in de verbrokenheid des harten openbaart zich het levende geloof met zijn eigenaardig persoonlijk cachet, ook met zijn karakter van zekerheid. En dat blijft, als God zich als een genadig en gaarne vergevend God openbaart. Ook dan is een Christen door het levende geloof zeker dat die goddelijke belofte van genade in Christus Jezus niet alleen anderen, maar ook hem zelf geldt.
Groote verwarring is echter ontstaan toen men het voetspoor der reformatoren verlaten heeft en de zekerheid aan het wezen des geloofs is gaan ontzeggen om ze te stellen aan het eind van een reeks geloofswerkzaamheden en te doen bestaan in een gevoelige en overvloedige genieting van Gods liefde en vrede lin het hart. Het is de vrucht van het rationalisme, dat in de 17de en 18de eeuw ook in de beschouwing van het geloof zich op bedekte wijze, nestelt en alle zekerheid des geloofs doet bestaan in een conclusie van het verstand, gebouwd op de aanwezigheid van bepaalde kenmerken, welke conclusie hechte vastheid bekomt, als de gevoelige ervaring en genieting daarmee gepaard gaat. Maar we hebben uit het voorbeeld van den gebrokene van hart reeds laten zien, hoe èn het persoonlijke èn het zekerheidsmoment van den aanvang af in het levende geloof besloten liggen ; alleen vergete men niet, dat het geloof in zijn wezen zich niet op den mensch richt en hem daarom in de eerste plaats ook geen zekerheid geeft, aangaande hemzelf, maar het richt zich op God en Christus en is gansch zeker van hun waarachtigheid en van de waarheid van hun woord, hetzij dit een woord van bedreigen of een woord van belofte is.") In dit verband is de opmerking van Comrie in zijn Catechismusverklaring ) van groote beteekenis, n.l. dat de zekerheid, waarvan de Christus in den Catechismus spreekt, niet de gevoelige verzekerdheid is, die uit het omhelzen van den Christus voorkomt, maar de zekerheid des geloofs, die tot dat persoonlijke omhelzen van Christus vrijmoedigheid geeft. Want het is niet mogelijk, dat ik Christus met de armen des geloofs omhelze (actief karakter des geloofs) tenzij ik de belofte des evangelies geloof, dat Hij ook mij tot een Zaligmaker is gegeven (receptief karakter des geloofs).
Natuurlijk wordt hierdoor de wasdom van het geloof niet ontkend. Evenwel een klein-geloof is geen geloof zonder zekerheid. Van den beginne af is aan het ware geloof de zekerheid eigen. (Een klein geloof heeft echter, als ik het zoo mag uitdrukken, een beperkten gezichtskring. Het geloof is gansch afhankelijk van de goddelijke openbaring, . ") Naarmate God zich meer en meer in Zijn genade openbaart, neemt het geloof toe. In den kamerling woonde reeds het levende geloof, toen hij den profeet Jesaja op zijn wagen las, door welk geloof hij verzekerd was, dat de God Israels een God van waarheid, heiligheid en genade was ; hem ontbrak echter het geloofsgezicht op den Christus. Maar toen hem door 't woord van Philippus Jezus werd geopenbaard, werd hij door dat zelfde geloof even krachtig overtuigd, dat Jezus de Zone Gods is, van God tot een Zaligmaker gegeven, zoodat zijn belijdenis zonder eenige twijfeling des gemoeds luidde : Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. (Hand. 8 vers 37).
Een ander voorbeeld vinden we in de discipelen, die door een levend geloof Jezus erkennen de Christus te zijn en nochtans niet verstaan, dat Hij moest lijden en sterven. Maar als na Zijn opstanding en vooral na de uitstorting des Heiligen Geestes de weg Gods ter verlossing van een zondig volk hun wordt opgeklaard, zijn ze door dat zelfde geloof even krachtig overtuigd van de waarde van Zijn priesterlijk werk als tevoren van zijn profetisch getuigenis. Zulk een voortschrijding is er ook nu nog in de verlichting des Geestes ; daar mee hangt de wasdom van het geloof samen ; niettemin is het persoonlijkheids-element en de zekerheid van den beginne af in het geloof besloten.
De groote beteekenis van de hervorming ligt ten opzichte van het geloof daarin, dat ze weer erkend heeft, dat het geloof niet een uitwendig iets is, maar een vrucht, die onder de genadige bewerking van Gods Woord en Geest rijpt in het innerlijk zieleleven van den mensch. Zooals ze zich in den strijd met Rome verzet heeft tegen een mechanische opvatting van het godsdienstig leven en terugriep tot den dienst van God in geest en waarheid, zoo ook in het stuk des geloofs.
Voor de Roomsche Kerk, die het beeld Gods, naar 't welk de mensch eenmaal geschapen is, niet in het wezen der menschelijke natuur plaatst, maar dat als een donum superadditum aan het wezen van den mensch acht toegevoegd, in welke leer haar veruitwendiging van de religie reeds tot kernachtige uitdrukking komt, was natuurlijk ook het geloof niet in het wezen der menschelijke natuur gegrond. Het zetelt volgens Rome slechts in het intellect en bestaat enkel in een toestemming des verstands aan de geopenbaarde waarheid. Feitelijk gaat hierdoor het geloof buiten het innerlijk des menschen om, waarom ook het geloof (fides informis) niet rechtvaardigen kan, tenzij het door de liefde wordt aangevuld. Op dit standpunt spreekt het vanzelf, dat de innerlijke zekerheid des geloofs door de Roomsche Kerk met beslistheid verworpen werd. Een zekerheid van Gods genade (en we stemmen het volkomen toe) die enkel verstandelijk is en niet opspruit uit de vernieuwde betrekking, waarin het levende geloof den mensch tot God plaatst, ook niet opkomt uit het getuigenis des Heiligen Geestes in het hart, doet meer kwaad dan goed. Ze sterkt den mensch in zijn zorgeloosheid, gelijk in de Antinominianen duidelijk te zien valt.
Als de hervormers iets hebben verworpen, dan is het die uitwendige, verstandelijke opvatting van het geloof, ofschoon ze zich uit reactie tegen die opvatting geen oogenblik hebben laten verleiden om de kennis los te maken van het levende geloof. Ze hebben erkend, dat door het ware geloof de Christen in onmiddellijke betrekking wordt gebracht met God en Christus ; daardoor is ook de kennis die zij een bestanddeel van het geloof achten, van gansch anderen aard dan bij Rome, die altijd weer de kerk en den priester inschuift tusschen God en mensch.
Deze opvatting van het geloof mogen wij niet loslaten. Maar al te zeer is de mensch van zichzelf geneigd om zich tevreden te stellen met een uitwendige, verstandelijke toestemming der goddelijke waarheid, terwijl hij in het diepst van zijn innerlijk zijn onveranderd is gebleven, een vijand van God en Zijn dienst ; tegen deze misleiding moet altijd krachtig gewaarschuwd worden, zooals ook vanouds af is geschied.
De beschuldiging, vooral van ethische zijde vaak ingebracht, dat de Gereformeerde richting leerheiligheid kweekt, is daarom geheel ongegrond en getuigt van gebrek aan menschenkennis. Het zelfde gevaar, dat zij in het Gereformeerde kamp zien, dreigt hen zelf ook en iedere geestesrichting, in nog sterker mate ; het wordt niet in het minst bezworen door gedurig met veel woordenpraal het vaandel met de bijna tot dogma verheven leuze : „niet de leer, maar het leven" op te heffen. Natuurlijk, het zij onmiddellijk toegestemd, dat menig Gereformeerd mensch het Woord, scheidt van Hem, die het gesproken heeft en nog spreekt, de Waarheid losmaakt van Hem, die de Waarheid en het Leven is, de begrippen, die hij zich gevormd heeft van God en de goddelijke dingen, vereen zelvigt met God en Gods Koninkrijk en daardoor vaak handelt met zijn God als de afgodendienaar met zijn afgodsbeeld, dat hij opneemt en wegdraagt en neerzet, waar hij wil ; maar dat doet hij niet omdat hij gereformeerd is, maar omdat hij onbekeerd is en zijn hart niet recht staat voor God. De ethischen willen niet de leer. maar het leven ; alsof de ethische mensch, die onbekeerd is (of zijn er geen onbekeerde menschen in de ethische richting? ) niet evengoed het begrip, dat hij zich van leven gemaakt heeft en de gedachte die hij denkt van een leven in gemeenschap met Jezus vereenzelvigt met de openbaring van den levenden Heiland. Op treffende wijze kunnen sommige ethische predikers den farizeër teekenen, maar dat die farizeër bijna altijd het gereformeerde , kleed draagt, is het beste bewijs, dat men weinig de arglistigheid van het, hart des menschen kent. In verband daarmee is het oordeel der Gemeente, dat de ethische predikers wel degelijk met de leer komen en nog wel éen slappe en van de belijdenis afwijkende leer, terwijl ze een betrekkelijk uitwendig en oppervlakkig geloof prediken m.i. veel vernietigender voor de ethische richting dan welke wetenschappelijke kritiek ook. Men kan in theorie wel trachten het verstandelijk moment uit het ware geloof te verwijderen, het geloof onafhankelijk te maken van de geloofsvoorstelling, maar in de practijk blijkt dat niet mogelijk en brengt het de ethische richting voor een gevaar dat ze tot nu toe maar al te zeer onderschat heeft. Het valt toch niet te ontkennen, dat tengevolge van het gemis aan ontdekkende prediking bij de ethische richting (iets, waarover in de Gereformeerde kerken ook gedurig geklaagd wordt) iemand, die de geloofsvoorstellingen der ethische richting is toegedaan of laten we zeggen, iemand, die de geloofsvoorstelling niet van groote beteekenis acht maar het geloof des harten alles acht, spoedig voor een lief Christen wordt gehouden. Maar al acht hij de leer niets en het leven alles, bezit hij daarom ook het leven ? Och, de leerheiligheid is in ethische kringen, hoe vreemd het eerst ook schijne, vaak nog veel grooter dan bij de Gereformeerde richting en geen vaagheid van uitdrukking noch spreken over gemeenschapsleven met den Heer kan dit feit te niet doen. Dat de ethische richting hier geen open oog voor heeft, getuigt tegen haar meer dan iets anders.
Evenwel laten we ons voor tet gevaar dat ook ons bedreigt, gewaarschuwd houden. Want er is ook onder ons een strooming die te zeer het voorwerp des geloofs zoekt in het Woord der Schrift in plaats van in den levenden God en Christus. Uit reactie tegenover een onevenwichtig gevoelsleven en het ophemelen van soms gansch onbeteekenende bevindingen spreekt men bijwijlen van een gelooven van het loutere Woord en van een genoeg hebben aan het Woord op een wijze als strijdig is met het wezen des geloofs. Het Woord der Schrift is zonder beteekenis voor ons, als in dat Woord God en Christus zich niet door den Heiligen Geest aan ons openbaren ; we komen dan nooit verder dan tot een begrip en voorstelling van de goddelijke dingen. In andere woorden uitgedrukt : alle vragen, die in verband staan met het wezen des geloofs hangen samen met de erkenning van het werk des Heiligen Geestes. Dit is het stuk, waarom 't vooral in den tegenwoordigen tijd in kerk en theologie gaat. Noodzakelijk moet men zijn begrip van God en Christus vereenzelvigen met den levenden God enden levenden Heiland, indien deze zich niet meer op levende wijze openbaren.
Het geloof wordt dan als vanzelf een dood geloof. Of men vervalt tot leenheiligheid óf men komt sceptisch tegenover alle geloofsvoorstelling te staan ; in dat laatste geval kan men uit zucht tot zelfbehoud wel het levende geloof van de geloofsvoorstelling gaan scheiden, maar dit overblijfsel is gedoemd om zich ten slotte in moralisme te verloopen. Er is geen levend geloof, als er geen bijzondere openbaring meer is van den levenden God.
Het gaat dus niet om de vraag, of we ons uit de Evangeliën een beeld van Jezus kunnen vormen, zooals Hij geleefd, gewerkt, geleden heeft ; ook niet of wij daarbij onder den indruk komen van Zijn machtige persoonlijkheid "), want dan zou Hij zich in niets onderscheiden van vele gestorvenen, die spreken, nadat ze zijn heengegaan. De vraag is, of de levende Christus, die thans aan de rechterhand des Vaders is gezeten, zich nog openbaart. De ware Christen zegt van ganscher harte ja daarop; Hij openbaart zich nog in het woord en door den Heiligen Geest. En Hij openbaart zich, wanneer het Hem behaagt. Een beeld, dat we ons van Hem gevormd hebben, kunnen we oproepen en ons weer voor oogen stellen, zoodra ons hart daartoe geneigd is ; maar de levende Christus laat zich niet gebieden ; Hij is en werkt onafhankelijk van den mensch ; Hij vertoeft soms te komen ; Hij komt en openbaart zich, bijwijlen geheel onverwacht ; maar als Zijne schapen Zijn stem hooren, dan kennen ze Hem en ze weten, dat Hij het is.
De discipelen verstonden het een oogenblik niet, dat de Heere zich aan hen zou openbaren en niet aan de wereld ; toen ze den Heiligen Geest hadden ontvangen, is hen alles klaar geworden. Zonder de openbaring van den levenden God en den levenden Christus, die alleen mogelijk is door het werk van den Heiligen Geest kan het levende geloof niet bestaan.
Hierin ligt tevens de reden, waarom het geloof in zijn wezen geen tijdelijk middel tot zaligheid is. Wanneer de ure straks gekomen zal zijn, waarin de geloovigen van alle beproeving bevrijd zullen wezen en het uitwonen van den Heere met een aanschouwen van Zijn Heerlijkheid zullen hebben verwisseld, dan zal ook het geloof naar zijn innerlijk wezen tot volkomen wasdom geraken, dan zal ook de vrucht des geloofs, d.i. de overgave aan God volkomen zijn en God zal wezen alles in allen.
1). Ned Gel. Bel. Art. 2.
2). Ned Gel. Bel. Art. 2. ") Hiermede hangt samen het onderscheid, vroeger altijd gemaakt tusschen de hoofdstukken der Christelijke religie en vragen van bijikomstigen aard. Ook het recht en de waarde van leertucht staat hiermee in verband.
3) Vgl. Comrie. Verklaring H. Cat. blz. 309 en 319.
4) Calvijn. Inst. III 2. 8..
5) Calvijn Inst. III. 2. 29. 30.
6) Calvijn Inst. III 2, 16.
7) Calvijn Inst. III. 2. 15, 19.
8) t.a.p. blz. 390.
9)Comrie. t.a.p. blz. 282 en 283.
10) Wordt door prof. dr. J A de Sopper, Vertrouwen, blz. 39 en 40 meer bedoeld?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's