De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

28 minuten leestijd

Een vergissing.
In het maandblad „Het Convent", onder redactie van prof. van Leeuwen en dr. Severijn, met medewerking van ds. Kievit te Lunteren, schrijft deze laatste in een noot, toegevoegd aan een vervolgstuk over „Vrouwenstemrecht in de Kerk" : „Ook het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond heeft gemeend zich te moeten opwerpen als verdediger van het vrouwenstemrecht in de Kerk. Zeker is, dat ook in deze zaak het levenscontact ontbreekt tusschen Bond en Bestuur."
Bijna elk woord hier is een vergissing. Op één ding wiillen wij wijzen.
Dat het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond gemeend heeft zich te moeten opwerpen als verdediger van het 4 vrouwenstemrecht in de Kerk, — is niet juist. Het Hoofdbestuur heeft altijd tegen de voorstellen, welke in deze van de Synode kwamen, gewaarschuwd en altijd geadviseerd : verwerpen.
Die met onzen Bond meegeleefd heeft, weet dat.
En het Hoofdbestuur heeft dat gedaan omdat de voorstellen altijd kwamen met bedoelingen, die ons, Gereformeerden, niet sympathiek waren ; waarbij de verwarring, die er in onze Hervormde Kerk gevonden wordt, nog grooter wordt. Bovendien kwamen de voorstellen, niet omdat onze vrouwen het als een krenking en beleediging vinden, dat haar stem niet mag worden gehoord in het midden van Christus' gemeente, maar de voorstellen kwamen uit partij-overwegingen en met het oog op den verkiezingsstrijd.
Daarom heeft het Hoofdbestuur zich er altijd tegen verklaard en altijd geadviseerd te verwerpen. Waarin 't Hoofdbestuur niet is veranderd. Want als nu nóg gestemd moest worden : zullen wij het vrouwenstemrecht in onze Hervormde Kerk houden of zullen wij het weer wegdoen, dan zou het Hoofdbestuur onder de huidige omstandigheden geen oogenblik aarzelen, maar adviseeren : wegdoen !
Wie dus zegt, dat „het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond heeft gemeend zich te moeten opwerpen als verdediger van het vrouwenstemrecht in de kerk" en die dan het Hoofdbestuur wil uitspelen tegenover het Convent of de Commissie van Advies en er extra bij voegt, dat het Hoofdbestuur daarin lang zoo gereformeerd niet is, dan de Commissie van Advies of het Convent, die begaat een vergissing.
Een vergissing, die zal moeten worden hersteld, wil men althans eerlijk spel spelen onder ons.
Wat het Hoofdbestuur, dat steeds tegen de voorstellen van de Synode inzake vrouwenstemrecht heeft geageerd en steeds krachtig heeft meegeholpen tot verwerping van die voorstellen, nu, onder de huidige omstandigheden, nu het voorstel wet geworden is, heeft gedaan?
Bij het Hoofdbestuur is van de Commissie van Advies, die naast en met het Hoofdbestuur werkt, kort voor de Bondsvergadering een Rapport inzake het vrouwenkiesrecht ingekomen.
Dat Advies, met zijn redeneeringen en conclusies, heeft het Hoofdbestuur gesproken in de dagen, die aan den Bondsdag vooraf gingen. En met dit Advies heeft het Hoofdbestuur instemming betuigd, wat drie conclusiën betreft, om vervolgens bij enkele dingen redeneering naast redeneering te zetten.
Zóó is de zaak aan de Vergadering voorgelegd.
En zóó zal nu de zaak verder moeten worden behandeld.
Dat althans, hebben we afgesproken.
Intusschen gaat nu ds. Kievit, die lid is van de Commissie van Advies, in „Het Convent" vlug onder een vervolgartikel een noot plakken, waarin wordt uitgesproken dat „het Hoofdbestuur zioh heeft opgeworpen als een verdediger van het vrouwenstemrecht."
Dit moet op een vergissing berusten. Op een vergissing bij den schrijver. En op een vergissing bij de redactie.
Een vergissing, die zal moeten worden hersteld, wil men althans eerlijk spel spelen onder ons.
Naast elkaar gelegd.
Nu door ds. Kievit in „Het Convent" is geschreven, dat het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond zich als verdediger van het Vrouwenstemrecht in de Kerk heeft opgeworpen, moeten wij hier met een enkel, woord uiteenzetten, wat het Hoofdbestuur, dat zich steeds tegen het vrouwenstemrecht in de Kerk verklaard heeft en nog tegen het vrouwenstemrecht in onze Hervormde Kerk is, gedaan heeft, toen van de Commissie van Advies een Rapport over deze zaak is ingekomen.
Kort voor den Bondsdag kwam het Advies, waarin het volgende in overweging werd gegeven aan 't Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond :
Ie. te streven naar de oplossing van het kerkelijk vraagstuk, in dien zin, dat het volk, dat trouw blijft aan de belijdenis, zich kerkelijk ook zóó zal kunnen inrichten, dat het zich naar die belijdenis kan gedragen ;
2e. in afwachting van een dergelijke regeling, ten aanzien van het vrouwenkiesrecht bevorderen, dat een petitionnement uit de gemeenten ter Synode worde gebracht, inhoudende bezwaar tegen de invoering daarvan ;
3e. te overwegen om aan de Synode te verzoeken en te doen verzoeken, om intrekking van de bepaling die vrouwenkiesrecht mogelijk maakt ;
3e. subsidiair om aan de plaatselijke gemeenten vrijheid te laten tot het al of niet invoeren van het vrouwenkiesrecht;
4e. ons volk verder voor te lichten in deze, terwijl het wellicht, gezien de huidige omstandigheden, aanbeveling zou verdienen, het al of niet deelnemen der vrouwen aan de plaatselijke gemeenten over te laten en te adviseeren ook aan de personen in het algemeen : dat een iegelijk in zijn geweten verzekerd zij.
Het eerste punt kan hier onbesproken inlijven daar dit zich richt op de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ; waar voor intusschen van de Commissie een afzonderlijk voorstel is ingekomen, gaande in de richting van een „Modus-Vivendi", om het gereformeerde deel van de Hervormde Kerk naast de andere richtingen en stroomingen een eigen kerkelijk leven te verzekeren ; de onderscheidene gemeenschappen dan door een administratie ven band met elkaar verbonden.
Over die oplossing van het kerkelijk vraagstuk door oplossing van de Hervormde Kerk, die in haar geheel recht heeft op een ander kerkelijk leven dan zij nu heeft, bij haar belijdenis, waarop zij recht heeft — over die oplossing in de richting van een „Modus-Vivendi" moet afzonderlijk gesproken worden, hoewel het aanstonds licht laat vallen óók over het optreden in verschillende zaken. Ook over de practijk inzake het vrouwenstemrecht, daar men de Kerk in haar geheel loslaat en zich gaat terugtrekken op het gereformeerde deel der Kerk.
Punt twee is het opzetten en bevorderen van een petitionnement uit de gemeenten, inhoudende bezwaar tegen de invoering van het vrouwenkiesrecht.
Hier heeft het Hoofdbestuur gemeend te moeten zeggen, dat het geen aanbeveling verdient dien weg nu in te slaan. Voor het verzamelen van handteekeningen in de gemeenten is het niet het moment ; er is geen samenwerking tusschen verwante groepen en een petitionnement van tegenstanders kan gemakkelijk een veel grooter petitionnement van voorstanders tegenover zich krijgen, waarbij het practisch resultaat tevoren is te berekenen. Synode en Provinciale Kerkbesturen hebben immers pas het voorstel met bijna algemeene stemmen gewettigd. Bovendien zijn er dan misschien wel ernstiger en grooter dingen in het geheel van onze kerkelijke samenleving, waarbij een petitionnement gewenscht was.
Daarom liever de aandacht geschonken aan punt drie.
Dat derde punt valt in twee stukken uit elkaar :
a. aan de Synode te verzoeken en te doen verzoeken, om intrekking van de bepaling, die vrouwenkiesrecht mogelijk maakt.
Dat loopt vrijwel evenwijdig aan 't geen in punt twee genoemd is en moet, gezien het feit, dat pas het vrouwenstem, recht met overweldigende meerderheid door de Synode en de Provinciale Besturen is gegeven, practisch op niets uitloopen.
Wil men echter toch zooiets doen, dan zou moeten getracht worden langs en door de Classicale Vergaderingen, waar nog 't meest de Kerk zelve zioh kan laten hooren, met een voorstel of verzoek tot weder-afschaffing van het vrouwenstemrecht te komen. Iets wat geprobeerd zou kunnen worden in samenwerking met anderen.
Punt drie onder b. luidt : de Synode te verzoeken aan de plaatselijke gemeenten vrijheid te laten, tot het al of niet invoeren van het vrouwenkiesrecht.
Dat heeft het Hoofdbestuur gaarne overgenomen. Waar het vrouwenstemrecht nu ingevoerd is en door een petionnement niet weer afgeschaft wordt, daar is het een aanbevelenswaardige weg, om te trachten, dat aan de plaatselijke gemeenten vrijheid gegeven worde zelve te bepalen of aan de vrouwen het stemrecht gegeven zal worden of niet. Iets wat ook bij de Colleges van Kerkvoogden en Notabelen zoo geregeld is.
Hierin is dus overeenstemming tusschen het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond en de Commissie van Advies, om alzoo practisch in vele gemeenten althans, het vrouwenstemrechtb uiten werking te stellen, vooral in onze gereformeerde gemeenten, waarbij dan ook geen kiezerslijst met de namen der vrouwen behoeft te worden opgemaakt.
Dan komen wij aan punt vier : voorlichting van ons volk en in deze, gezien de huidige omstandigheden, het aan de gemeenten en aan de personen voor te leggen : dat een iegelijk in zijn eigen geweten verzekerd zij.
Ook dat heeft het Hoofdbestuur overgenomen,
Het opzetten van een petitionnement, waartegen natuurlijk om principiëele redenen geen bezwaar is, is om practische overwegingen ontraden, door het Hoofdbestuur, hoewel er volstrekt geen „kwestie" van gemaakt wordt.
Het verzoeken aan de Synode, om de bepalingen die het vrouwenstemrecht hebben gebraoht, weer terug te nemen, is om practische oorzaken, gezien de huidige omstandigheden, ontraden. Natuurlijk is ook hier geen „kwestie" van gemaakt. Ook is niet beslist, wat we in den vervolge in deze hebben te doen. Want principieel is er tegen een dergelijk verzoek absoluut geen bezwaar. Wij hebben dien weg immers wel meer bewandeld !
En wat de Commissie van Advies verder wil, dat wil het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond precies zóó.
Wie heeft nu het recht om het Hoofdbestuur in de schoenen te schuiven, dat „het Hoofdbestuur heeft gemeend zich te moeten opwerpen als een verdediger van het vrouwenstemrecht in de Kerk"?
Laat men de dingen eens naast elkaar leggen. Ziet men dan niet veel meer overeenstemming dan verschil ?
Al blijft er verschil in den kijk op sommige dingen, waarover in een volgend artikel.
Wat vooral van belang is, als we letten op de huidige omstandigheden, waar in onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk verkeert.
Zal men die Kerk, als Kerk, loslaten ?
Of zal men doen wat mogelijk is, om in die Hervormde (Geref.) Kerk te bewaren, te sterken en te steunen, wat haar, als Kerk, tot zegen (kan zijn in den weg der prediking naar Gods Woord ?

Toch wel wat al te sterk.
In het laatste no. van „de Gereform. Kerk" schrijft ds. L i n g b e e k over de aanklacht die tegen den modernen ds. Theesing is ingebracht en de kerkelijke behandeling van deze zaak.
Nu kunnen wij begrijpen, dat ds. Lingbeek bezwaren heeft tegen behandeling van deze en dergelijke zaken door de Kerkelijke Besturen. Daar zijn inderdaad ernstige bezwaren in te brengen in deze, want onze huidige Bestuursorganisatie is er absoluut niet op ingericht, om iemand inzake leergeschillen te oordeelen en te veroordeelen. Hoewel wij geen oogenblik zouden aarzelen, indien wij in een Bestuur zaten en er werd tegen een predikant een dergelijke aanklacht ingediend, te zeggen : man ! gij hoort in onze Ned. Hervormde Kerk, ook in haar huidige samenstelling, met thuis ; gij zijt vierkant in strijd met geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, die gij dient en gij brengt die Kerk in opspraak — ga heen !
Er zijn bezwaren tegen behandeling van zulke dingen door de Kerkelijke Besturen. Wij hebben die Besturen ook nooit begeerd. Ze moeten ook wèg. In de Kerk hooren ze niet thuis. Wij moeten in de Hervormde Kerk, met Gods Woord en de belijdenis ten grondslag, weer de Kerkelijke Vergaderingen hebben, waar het ambt tot z'n recht komt en Christus weer door de ambten kan regeeren.
Maar wat wij hier even wilden opmerken, dat is dit.
Ds. Lingbeek zegt o.a. dat het niet aanbevelenswaardig is om zulke gruwelijke loochenaars van den Christus der Schriften aan te pakken, omdat men dan tooh eigenlijk ook anderen moet gaan vervolgen, berechten en uitwerpen.
En wie zijn dan die booswichten, die in deze als afschrikwekkend voorbeeld worden genoemd naast den aangeklaagden ds. Theesing ?
Naast den Christusloochenaar ds Theesing, die spreekt van de oude fabel, die geheel Europa verpest heeft — denkt ds Lingbeek zich als veroordeelenswaardige booswichten, die onmiddellijk na ds. Theesing dan zouden moeten worden aangepakt door de Besturen degenen die het wagen aan Artikel 36 te tornen.
Dus zooiets als die Hervormd-Gereformeerden-Antirevolutionairen die over de uitroeiing van de ketterijen en over de verhouding van Kerk en Staat een eenigszins anders oordeel hebben dan ds. Lingbeek in Artikel 36 leest.
Is dat nu toch niet wat al te bar, als naast de afwijking van ds. Theesing gedacht wordt aan degenen, die aan Artikel 36 durven raken ?
Is de loochening van den Christus der Schriften, zooals die door de couranten ons van ds. Theesing is bericht, nu ook maar in de verste verte te vergelijken met de opvatting die door velen gekoesterd wordt ten opzichte van Artikel 36 ?
Ds. Lingbeek gaat in zijn wekelijkschen strijd tegen Hervormd-Gereformeerden-AntireVolutionairen-Bondsmannen en wat dies meer zij nu toch wel wat al te ver.
't Grenst aan 't dwaze en is ergerlijk. Ds. Theesing niet aanpakken !
Want er zijn er ook in onze Hervormde Kerk, die een andere opvatting aangaande Artikel 36 hebben —
't Is wel wat al te sterk zóó, collega Lingbeek !

VERSLAG van de 18de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond op Donderdag 19 April 1923.
Groot was ook ditmaal de belangstelling waaronder onze Bond in jaarvergadering samenkwam. Niet alleen des morgens, maar ook des middags was de gewone zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht zoo goed als geheel gevuld.
De vergadering werd ten 11 uur geopend door onzen voorzitter ds. M. van G r i e k e n, met het doen zingen van Psalm 89 vers 7 en 8, het voorlezen van 1 Johannes 5 vers 1—11 en gebed.
Het openingswoord dat hierop door den voorzitter wordt uitgesproken, luidde ongeveer aldus :
Onwillekeurig worden wij in deze dagen eraan herinnerd wat den stoot heeft gegeven tot oprichting van onzen bond.
In 1906 is voor het eerst verschenen de brochure van ds. Buhler over het Christelijk Barbarendom. In 1923 heeft weer een predikant in de Ned. Hervormde Kerk den euvelen moed gehad om te zeggen, dat de oude fabel van Jezus-Christus vervangen moet worden door iets nieuws. Als wij dit in de lijst van 't geheel zetten, dan zien wij dat de haat tegen God en Zijn Kerk toeneemt. In Rusland worden de menschen door het communisme tegen de religie opgehitst. Wij leven in ernstige tijden, wat oorzaak is dat de band nauw moet worden aangehaald en versterkt. Ook in ons land, dat zoo rijk gezegend is. moet nauwer contact worden gezocht tusschen groepen die de Gereformeerde beginselen voorstaan, al is de toepassing in ons kerkelijk leven moeilijk. God wil er ons steeds aan herinneren, dat het niet geschiedt door kracht of geweld, maar door Zijnen Geest. Geve God, dat dezen dag die band mag worden versterkt ook in onze Hervormde Kerk. Nu wij wat laat zijn ditmaal met de jaarvergadering, zijn al de andere vereenigingen ons voor gegaan. Wij denken daarbij aan de vergadering van de Vrijzinnigen, die het uitspraken, dat zij blijven in de Herv. Kerk. Uit andere motieven en ook andere redenen, spreken wij den wensch uit, dat ook wij onze taak temidden der Hervormden zullen blijven doen. Wij bidden God ons een rijken zegen te willen geven.
Hierop wordt het woord gegeven aan ds. W o e 1 d e r i n k, van Randwijk, tot het houden van zijn referaat dat reeds in de beide vorige nummers van ons blad in zijn geheel werd opgenomen en waarvan dus geen nader verslag door ons behoeft te worden samengesteld. Laten we alleen vermelden dat de gansche vergadering overtuigd was van de degelijkheid van dit stuk werk dat ons blijk gaf van een gezonden blik van ds. Woelderink over dit onderwerp, dat in de Gereformeerde Theologie zulk een breede plaats bekleedt.
Slechts enkele vragen die goeddeels langs het referaat heenliepen, werden dan ook door de aanwezigen gesteld.
De heer K o r v e r vertelde dat hij het volgende jaar wel eens een referaat wilde hooren over het welwezen des geloofs
De heer M e i m a stelde voorop dat 't hem niet te doen was om een aanmerking te maken, maar dat hij zoo gaarne een korte formule zou wenschen over het wezen des geloofs.
De heer H o o g e n d a m had gaarne nog toegevoegd gezien de vraag of wij nu dat geloof reeds deelachtig zijn.
En ds. Van Dorp, die meende, dat referent Brakel niet heelemaal recht had gedaan, had ook gaarne iets meer willen hooren over het wezen des geloofs en vraagt wat het verband is tusschen wedergeboorte en geloof.
Wanneer referent de sprekers kort en afdoende beantwoord heeft door o.m. te zeggen dat hij het wezen des geloofs vindt het herstel der ware religie, de rechte relatie, waarin de mensch staat tot zijnen God, en dat het verband tusschen wedergeboorte en geloof voor hem zoo nauw is dat deze moeilijk te scheiden zijn, zegt de voorzitter hem hartelijk dank voor het gesprokene en meent dat de reden waarom sommige aanwezigen enkele dingen niet blijken begrepen te hebben, niet ligt in den referent, maar veeleer daarin, dat velen onzer niet gevormd zijn omdat zij ook over wat de Vaderen over dit stuk geschreven hebben, zoo weinig gelezen hebben. Hij hoopt dat het gesprokene een prikkel zal wezen voor velen om de dingen steeds meer te onderzoeken en gelooft dat zij dan met het keurige referaat van den spreker winst zullen kunnen doen. Hij verzoekt ds. Woelderink zijn referaat te willen afstaan om het in „De Waarheidsvriend" op te nemen, een verzoek, waaraan deze gaarne wil voldoen.
Na het zingen van Psalm 27 vers 7 wordt hierop de morgen-vergadering door den voorzitter gesloten en gaat op zijn verzoek ds. Woelderink voor in dankzegging.

De middag-vergadering wordt ten 2 uur geopend met het zingen van Psalm 43 vers 3, waarna de secretaris voorgaat in gebed.
De voorzitter zal om des tijds wil geen openingswoord spreken en spreekt alleen den wensch uit, dat wij broederlijk zullen samenzijn bij liet licht van Gods Woord.
Eveneens om des tijds wil worden op voorstel van den voorzitter de notulen der vorige vergaderingen niet voorgelezen.
Aanstonds komt dus aan de orde de Bestuursverkiezing en het jaarverslag van den secretaris, dat aldus luidt:
Jaarverslag uitgebracht op de 18e Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond op Donderdag 19 April 1923 te Utrecht.
Ook ditmaal behoeft het beeld dat wij geroepen zijn van ons Bondsleven in het afgeloopen jaar te geven, niet al te donker gekleurd te zijn.
Integendeel. In menig opzicht hebben we stof om den Naam des Heeren te prijzen dat Hij ook in het jaar dat heenging onzen arbeid een niet ongezegenden voortgang beeft bereid.
De actie door onzen Bond gevoerd toch breidde zich ook nu weder uit. Telkens traden nieuwe leden toe, terwijl het aantal dat wij door den dood en door bedanken verloren, betrekkelijk slechts gering bleek te zijn. Ook werden weer enkele afdeelingen opgericht en wel te Nunspeet. Vreeswijk en Slikkerveer. Wij kunnen ons daarin natuurlijk niet anders dan ten zeerste verblijden Toch komt het ons voor dat een herinnering aan artikel 5 van onze statuten daarbij niet overbodig is dat n.l. Evangelisaties van plaatselijke afdeelingen alleen dan door woord en daad behooren gesteund te worden, wanneer zij na overleg met en goedkeuring van het Hoofdbestuur zijn opgericht.
Zooals uit het verslag van onzen penningmeester wel nader zal bijken, breidde ook het aantal abonné's van „De Waarheidsvriend" zich weer aanmerkelijk uit. Wij hopen dit mede te mogen beschouwen als een bewijs dat ons blad voor de kringen die het beslaat niet zoo onbeteekenend is als het door sommigen wel eens voorgesteld wordt.
Ook spreekbeurten werden in den afgeloopen winter niet weinige vervuld. Niettegenstaande we verzuimden om uitvoering te geven aan een op onze vorige vergadering genomen besluit, om tegen den winter een lijstje te publiceeren van predikanten die lid waren van den Gereformeerden Bond, kwamen een niet onbelangrijk aantal aanvragen in, en dank zij het in den regel nogal vrij spoedige antwoord dat wij van de gevraagde sprekers ontvingen, konden de spreekbeurten ook vrij tijdig geregeld en vastgesteld worden. Behalve in enkele gemeenten, die buiten het Hoofdbestuur om zelf een spreker voor zich lieten optreden, werden voor zoover ons bekend, een of meer beurten vervuld voor de afdeelingen te Leiden, Alphen, Zeist, Gorinchem , Rotterdam, Vlissingen, Soest, Feijenoord, Middelburg, Meerkerk en Slikkerveer, benevens in de gemeenten Groot-Ammers, Ottoland, Ermelo. Giessendam. Muiden, Veenendaal, Wilnis, Bergambacht, Randwijk, Rouveen. Eemnes-Buiten, Schelluinen, Oud-Beijerland, Bodegraven, Arnemuiden, Giessen-Nieuwkerk, Suawoude. Mijdrecht, Polsbroek, Leerbroek Ameide, Huizen, Putten, Ooltgensplaat, Waarder, Neerlangbroek, Meeuwen. Ridderkerk. Vinkeveen, Amersfoort, Benthuizen. Zegveld, Opheusden, Hoornaar, Zuid-Beijerland, De Vuursche, Renkum. Sommelsdijk, Elburg, Woubrugge, Wapenveld, Harderwijk, Wijngaarden en Middelharnis. Deze beurten werden vervuld door de predikanten : Bieshaar, Severijn, Dekker, Van Dorp, Van Toorn Van Schuppen, Steenbeek, Pop, Woelderink, Remme, Pott, Kievit, de Bruin, Goslinga, Klomp, de Geus, Bartlema, Van der Graaf, Pop, Timmer, Luteijn, Alers, Gunning, Van de Poll, Van der Snoek, Batelaan, Beekenkamp en Bouthoorn.
Behalve onze gewone jaarvergadering werd ook dit Jaar weer een buitengewone ledenvergadering gehouden. Deze buitengewone vergadering, waartoe op de vorige jaarvergadering besloten was, kwam saam den 29sten Juni 1.1. en gaf den stoot tot het ontstaan van het Convent van Gereformeerde Kerkeraden, waarvan het Moderamen bestaat uit de zelfde personen als de Commissie van Advies, van welke laatste ds. Binsbergen zijn ontslag nam. Dit Convent van Gereformeerde Kerkeraden, opgericht naar aanleiding van het Synodale Reglement op de Predikantstractementen, wenscht blijkens een van de Commissie van Advies aan 't Hoofdbestuur gericht schrijven, ook te streven naar oplossing van andere kerkrechterlijke vraagstukken. Aan het verzoek van 't Moderamen van het Convent tot een Conferentie, werd door het Hoofdbestuur dan ook gaarne voldaan, overtuigd als ook het Hoofd­bestuur is dat een gemeenschappelijk overleg en dus een voortdurend contact tusschen de beide lichamen niet alleen wenschelijk, maar tot een richtige behandeling der kwesties ook noodzakelijk is. Het Hoofdbestuur hoopt dan ook zeer dat beide lichamen, voortgekomen uit hetzelfde beginsel, ieder op eigen terrein, zullen streven naar meerdere doorwerking onzer beginselen in steeds breeder kring en dat zij beide een middel in Gods hand zullen blijken waardoor de oplossing van de zoo veelszins ingewikkkelde en moeilijke kerkelijke vraagstukken zal worden bevorderd.
Intusschen heeft de Commissie van Advies haren arbeid voortgezet en bij het Hoofdbestuur ingediend een rapport en advies inzake het Vrouwenkiesrecht in de Kerk, dat op de agenda als punt van behandeling voor deze vergadering staat aangegeven en dat dus straks aan dé orde zal worden gesteld. Voorts is nog bij het Hoofdbestuur ingekomen een ontwerp van een regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie (Modus Vivendi) dat ter zijner tijd door het Hoofdbestuur overwogen zal worden en voor welks behandeling dan wel een conferentie met de Commissie van Advies gewenscht zal wezen.
Het Hoofdbestuur hield in verband met verschillende belangrijke punten die aan de orde waren niet minder dan 9 vergaderingen, en wel op 15 Mei, 19 Juni, 30 October, 6 November, 11 December, 15 Januari, 12 Februari, 26 Maart en 9 April. Het Hoofdbestuur schonk o.m. zijn aandacht aan de Hoogleeraars vacature die te Utrecht dreigde te ontstaan door de benoeming van prof. dr. H. Visscher tot lid der Tweede Kamer en deed stappen om, als dit bij de wet toelaatbaar bleek, prof. dr. Visscher als buitengewoon Hoogleeraar te behouden en bijaldien dit bij de wet ontoelaatbaar mocht blijken, alsdan in de vacature iemand benoemd te krijgen wiens naam niet slechts in onzen kring, maar ook op het terrein der Theologische Wetenschap een goeden klank verwierf. Toen echter bleek dat prof. dr. Visscher op non-activiteit gesteld, toch bij onderlinge regeling college kon blijven geven, heeft het Hoofdbestuur ernstig overwogen of misschien niet de tijd voor de vestiging van een Bijzonderen Leerstoel en dus de benoeming van een Bijzonder Hoogleeraar gekomen zou kunnen zijn. Zoowel over den te benoemen persoon als over de plaats van vestiging zijn toen in de vergadering van het Hoofdbestuur ernstige besprekingen gevoerd, die tenslotte geleid hebben tot meer definitieve plannen en een voorloopige beslissing, waarvan wellicht spoedig nadere mededeeling en publiceering zal kunnen geschieden.
Voorts werd door enkele bestuursleden deelgenomen aan een conferentie met de Antirevolutionaire Kamerclub, inzake de losmaking van den financiëelen band tusschen den Staat en de Kerk genootschappen. Op deze conferentie, die ook bijgewoond werd door enkele bestuursleden van het Convent van Gereformeerde Kerkeraden, kwam men tot de eenparige conclusie dat, indien de Regeering te eeniger tijd tot de losmaking van bedoelden band zou overgaan, de gelden dan zouden moeten uitbetaald worden aan de plaatselijke gemeenten, met dien verstande, dat zij niet in handen gesteld zouden worden van het ongereformeerde Instituut der Kerkvoogdij, maar van een opzettelijk daarvoor in het leven te roepen stichting, welke het fonds zal hebben te beheeren onder gebondenheid van verantwoordelijkheid aan den kerkeraad en met het uitgesproken doel dat de rente zal dienen tot versterking der predikantstractementen.
De verdere werkzaamheden van het Hoofdbestuur bepaalden zich in hoofdzaak tot het behandelen van onderscheidene aanvragen om steun uit het Studiefonds. Aan meerdere aanvragen meende het bestuur op voordracht van de Commissie te moeten voldoen, terwijl echter ook enkelen bij gebrek aan eenige waarborg dat de gevraagde gelden aan hun doel zouden kunnen beantwoorden, moesten worden terzijde gelegd.
En hiermede meenen we weer onze taak te hebben vervuld en een overzicht van hetgeen in onzen Bond omging gegeven te hebben. Waar het telkens weer blijkt dat onze Bond een breede plaats in ons kerkelijk leven inneemt, daar eindigen we met den wensch dat hij zal volharden bij het ideaal, opdat de Hervormde Kerk weer een pilaar en vastigheid der Waarheid in deze landen zal zijn.
Na de beantwoording van enkele vragen die naar aanleiding van het jaarverslag gesteld werden, verkrijgt de penningmeester het woord om zijn financieel verslag ten gehoore te brengen. Uit dat verslag blijkt dat de flnanclëele toestand van onze Fondsen, dank zij de aanhoudende zorg van onzen penningmeester en de steeds onderhoudende wij­ze waarop hij de hem toevertrouwde rubriek n ,,De Waarheidsvriend" behandelt, niet onvoordeelig is. Als we bedenken dat in het afgeloopen jaar niet minder dan ongeveer ƒ 17000.— voor onze Fondsen inkwam, _ dan is het waarlijk om er beschaamd onder te worden en dan is er alle reden niet alleen om Gods Naam daarvoor te prijzen, maar ook om, gelijk uit de vergadering werd opgemerkt, het voor de buitenwereld niet te verzwijgen, — zij het zonder zelfverheffing — hoe de harten van ons Gereformeerde volk bewogen worden om den arbeid te steunen dien de Gereformeerde Bond op zich nam. We stemmen dan ook zeker van harte in met den wensch van onzen penningmeester, die door den voorzitter in zijn woord van welverdienden dank nog werd onderstreept, dat God de harten zal blijven neigen tot milddadigheid, opdat straks zoowel door ons Leerstoel-als door ons Studiefonds de ingekomen gelden practisch benut zullen worden en ze alzoo den bloei en den opbouw onzer Kerk bevorderlijk zullen zijn.
Nadat de voorzitter enkele vragen beantwoord heeft, die naar aanleiding van het financieel verslag uit de vergadering gesteld werden, stelt hij aan de orde het volgende punt van de agenda, n.l, het rapport van de Commissie van Advies inzake het Vrouwenkiesrecht in de Kerk. Dat rapport met de daaruit afgeleide conclusie had in zijn geheel in „De Waarheidsvriend" gestaan en mocht dus bij de vergadering als bekend ondersteld worden. Aangezien een vorig jaar bij de bespreking van het rapport van de Commissie van Advies inzake het Synodale Reglement op de Predikantstractementen, aanvankelijk niemand het woord wenschte, zoodat, toen dit rapport zonder eenige bespreking reeds onder den hamer was doorgegaan, uit de vergadering pas de vraag kwam of de conclusie van dat rapport ook de meening van het Hoofdbestuur was, had het Hoofdbestuur gemeend het rapport inzake het Vrouwenkiesrecht in de Kerk eenigszins op andere wijze te moeten inleiden en den voorzitter opgedragen aanstonds de bedenkingen die er bij 't Hoofdbestuur tegen sommige punten gerezen waren, vragenderwijs in de vergadering neer te leggen, opdat dan een vruchtbare discussie het gevolg zou kunnen zijn. De voorzitter voldoet aan de hem gegeven opdracht en spreekt ongeveer een half uur over wat naar zijn meening de duidelijke uitspraken zijn van het Woord van God. Hij begint met, de vragen te stellen : hoe heeft Christus zich gesteld tegenover de ambten en hoe heeft na den Hemelvaartsdag de verkiezing van ambtsdragers plaats? Als mannen vol des geloofs en des H. Geestes moeten opgespeurd worden, hoe moet dat dan geschieden ? Moeten mannen en vrouwen dat doen, of alléén mannen ? Uit Hand. 2 en 6 meent hij te kunnen afleiden dat heel de gemeente werd opgeroepen om mee te helpen dat geschikte ambtsdragers werden benoemd. Verder meent hij uit een reeks teksten te kunnen aantoonen dat als er van „broeders" of zelfs van „mannen broeders" gesproken wordt, daarmede dan de geheele gemeente, dus ook de zusters worden bedoeld. Hij vraagt : kan het dus op Schriftuurlijke gronden verboden worden dat de vrouwen haar stem zullen uitbrengen ? Deze vraag hangt voor hem samen met deze : ligt er een element van gezagsoefening in ? Is het verkiezen tot het ambt een deel van de regeermacht ? Omdat hij in strijd met de uitspraak van het rapport deze vraag ontkennend meent te moeten beantwoorden, gelooft hij dat het in een wèlgeordend kerkelijk leven geen bezwaren heeft om onder leiding van het ambt de geheele gemeente op te roepen om aanwijzing te doen. Het ambt blijft dan ongeschonden. Het ambt zit dan in het ambt. Het ambt regeert dan en niet de gemeente. Deze werkt alleen mede. Aangezien wij echter geen kerkelijk leven hebben dat ingericht is naar Schrift en Belijdenis, en wij dus zitten met onze ongereformeerde Kiescolleges, is de toestand zoo uiterst moeilijk.
Daarom zou hij er ook niét voor zijn om in deze kwestie een petitionnement op te zetten en liever adviseeren het aan de consciëntie der vrouwen over te laten en dan aan de Synode te verzoeken een zoodanige wijziging voor te stellen dat aan iedere gemeente vrijheid gelaten zal worden of aan de zusters der gemeente al dan niet het stemrecht zal worden verleend.
Als de voorzitter op deze wijze de bespreking van het rapport der Commissie heeft ingeleid, geeft hij gelegenheid hierover van gedachten te wisselen.
Ds. van M o n t f r a n s vraagt of de voorzitter deze gedachten heeft uitgesproken namens het Hoofdbestuur, welke vraag door dezen bevestigend beantwoord wordt, en zegt dan dat het hem voorkomt dat bespreking op deze wijze niet mogelijk is, tenzij deze bespreking schriftelijk was voorbereid.
Prof. van Leeuwen vindt de toe­spraak van den voorzitter in menig opzicht teleurstellend, en zegt dat de inhoud daarvan hem weinig bevredigd heeft: Hij vindt dat objectief laten spreken van de Heilige Schrift heel moeilijk is en meent dat Calvijn en Voetius op grond van de Schrift heel anders geoordeeld hebben dan de voorzitter dat nu heeft gedaan. Ook oordeelt hij, dat er op deze wijze van een behandeling van 't rapport niets terecht is gekomen.
De V o o r z. is op zijn beurt teleurgesteld door wat prof. van Leeuwen heeft gezegd. Hij meent dat het zijn recht was Schrift met Schrift te vergelijken en toont aan dat hij het rapport van de Commissie behandeld heeft. Ieder die meent dat hij het mis had, is in de gelegenheid hem daarvan nu te overtuigen. We zijn hief gekomen om de dingen saam te bespreken en dan te trachten tot een eindoordeel en zoo mogelijk tot overeenstemming te geraken.
Dr. Severijn deelt persoonlijk geheel de meening van het rapport en meent dat de Belijdenis, waarin voor ons de Schrift vervat is, de uitspraak moet doen. Daarom kan hij in deze zaak ook niet aan de zijde van den voorzitter staan.
De heer Kraan meent dat hét debat vruchtbaarder geweest zou zijn, indien beide meeningen eerst in „De Waarheidsvriend" hadden gestaan, zoowel het oordeel van den voorzitter en het Hoofdbestuur als dat van de Commissie van Advies. Hij meent dat de vergadering dan meer bevoegd zou geweest zijn om zich hierover een oordeel te vormen.
Prof. VanLeeuwen meent dat van te voren een conferentie met de Commissie van Advies had moeten plaats hebben, waartoe van de zijde van de Commissie ook een verzoek tot het Hoofdbestuur was gericht.
De Voorzitter antwoordt dat hier voor de tijd te kort was en dat bet prof. Van Leeuwen bekend, is, dat voor dezen korten termijn van behandeling de Commissie van Advies verantwoordelijk is. Hij heeft er echter geen bezwaar tegen het door hem gesprokene in „De Waarheidsvriend" te plaatsen, opdat de leden van den Bond van een en ander nader kennis zullen kunnen nemen en het Hoofdbestuur is bereid over de aanhangige kwestie met de Commissie van Advies nader te confereeren, opdat zij dan op een volgende vergadering voor behandeling meer vatbaar zal blijken te zijn.
Nadat de voorzitter op een desbetreffende vraag van ds. den Oudsten nog geantwoord heeft dat de kolommen van „De Waarheidsvriend" steeds open staan om deze kwestie zakelijk te behandelen, stelt hij voor de overige punten van de agenda niet meer in behandeling te nemen, aangezien wegens het vergevorderde uur de vergadering reeds grootendeels is verloopen.
Een korte bespreking over het evangeliseeren in Confessioneele gemeenten, door den afgevaardigde van Hilversum ingeleid, volgt nog. Maar aangezien hoe langer hoe meer leden de vergadering verlaten, wordt besloten de besprekingen niet voort te zetten.
Na een kort woord van dank aan allen die tot haar voorbereiding hebben medegewerkt, wordt de vergadering dan ook tegen half zes door den voorzitter gesloten en gaat op zijn verzoek ds. Beekenkamp voor in dankzegging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's