Uit het kerkelijk leven.
Beschouwing naast beschouwing inzake het vrouwenstem recht in de Kerk.
In „het Convent", maandblad, staande onder redactie van prof. van Leeuwen en dr. Severijn, heeft ds. Kievit een noot onder een vervolgstuk over „het vrouwenstemrecht in de Kerk" geplaatst waarin, zoo spoedig dit mogelijk was, den volke wordt bekend gemaakt „dat het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond gemeend heeft zich te moeten opwerpen om het vrouwenstemrecht in de Kerk te verdedigen", met de vriendelijke opmerking er bij, „dat ook in deze zaak het levenscontact ontbreekt tusschen Bond en Bestuur."
Wij hebben reeds gezegd, dat bijna elk woord een vergissing is, om te betoogen, dat het Hoofdbestuur steeds de voorstellen inzake vrouwenstemrecht in de Kerk bestreden heeft en als er nu weer gestemd moest worden over de vraag : zullen we het vrouwenstemrecht in onze Hervormde Kerk weer buiten de deur zetten ? zou het Hoofdbestuur geen seconde aarzelen, maar zeggen : wèg er mee !
Daarbij is het Hoofdbestuur, wat het Advies van de Commissie betreft, bijna in alles met de conclusiën meegegaan. Want als het eerste punt inzake de oplossing van het kerkelijk vraagstuk hier buiten beschouwing blijft, heeft 't Hoofd bestuur het opzetten van een petitionnement om practische oorzaken ontraden, evenals het doen van een verzoek aan de Synode, om de reglementswijziging weer ongedaan te maken. Op zuivere practische gronden kon het Hoofdbestuur tot deze twee dingen niet mee gunstig adviseeren, hoewel het principieel in die zelfde dingen volstrekt geen bezwaren heeft. Er is dan ook absoluut geen „kwestie" van gemaakt.
De overige conclusiën van het Advies: punt 3b : „aan de Synode te verzoeken aan de plaatselijke gemeenten vrijheid te laten tot het al of niet invoeren van het vrouwenkiesrecht" (zooals b.v. pas in Hilversum is gehandeld ten opzichte van het al of niet meestemmen der vrouwen ter verkiezing van Notabelen) en punt 4 : „voorlichting van ons volk en in deze, gezien de huidige omstandigheden, het aan de gemeenten en aan de personen voor te leggen : dat een iegelijk in zijn eigen geweten verzekerd zij" — dat alles heeft het Hoofdbestuur gaarne aanvaard, om het mee te helpen bevorderen.
Is nu de overeenstemming niet grooter dan het verschil ?
En ware door de Commissie van Advies aan het Hoofdbestuur gevraagd : leunt ge aan dit en dit en dit uw goedkeuring geven en daarmee instemming betuigen, dan zou bijna bij elke conclusie een bevestigend antwoord zijn verkregen.
Maar nu is de Commissie van Advies gaan redeneeren in een voorafgaand Rapport, waarin over allerlei, met het vraagstuk nauw verband houdende dingen, gesproken is en waarbij allerlei stellingen verkondigd worden „bij het licht van de Heilige Schrift."
Daarover is natuurlijk in het midden van het Hoofdbestuur gesproken.
En het Hoofdbestuur heeft gemeend, dat. waar het in de conclusiën zich vrijwel kon vereenigen met de Commissie van Advies, de redeneeringen van de Commissie toch misschien niet in alle opzichten juist waren. En het heeft dezelfde dingen nog eens willen trekken onder het licht van de Heilige Schrift, om daarna dan te zien hoe we saam ons in het midden van de huidige omstandigheden tegenover de wettelijke bepalingen inzake het vrouwenstemrecht moeten stellen.
Toen wij over deze dingen op de Bondsvergadering hebben gesproken, hebben wij ongeveer dit gezegd :
„Wij veronderstellen het gepubliceerd Rapport met Advies bekend. Over de zaken daarin verhandeld gaan we saam spreken ; niet om over elkander te heerschen, maar om saam te handelen over de dingen, die ons allen aangaan en waarin wij van elkander moeten weten hoe we er over denken en wat we er mee moeten doen in het midden van de Hervormde Kerk, onder de huidige omstandigheden.
't Is duidelijk, dat het hier nu niet gaat over de vraag : moet aan de vrouw gelijke rechten gegeven worden als aan den man ? Ook niet over de vraag : moet de vrouw toegelaten worden tot het ambt ?
Hierover zijn wij het allen eens, dat krachtens Gods scheppingsordinantie de vrouw een andere is dan de man en dat de vrouw niet geroepen is om te heerschen en daarom niet in het regeerambt mag worden gezet.
De vraag waarom het op 't oogenblik eigenlijk onder ons gaat is deze : mag bij de verkiezing van ambtsdragers en het beroepen van predikanten door degenen die daarbij de leiding hebben óók het oordeel van de vrouwelijke lidmaten in het midden van Christus' Kerk gevraagd worden of niet ?
In Christus' Kerk, zeggen wij.
En in Christus' Kerk is Christus Koning en Zijn Woord moet wet en regel en richtsnoer zijn.
Hoe leert nu Gods Woord ons, dat de verkiezing tot het ambt geschieden moet ?
Het Rapport van de Commissie spreekt daarover. Wij willen ook trachten in deze het licht van de Heilige Schrift op te vangen, om dan een en ander te vergelijken.
Na de hemelvaart van Christus zien wij, dat, waar de Heiland Zelf Zijn discipelen tot het ambt geroepen had, nu Zijn discipelen geroepen worden om de leiding op zich te nemen.
Hoe dan de gang van zaken is ?
Steeds wordt in de Schrift de nadruk gelegd op de geestelijke en zedelijke eischen, die aan de ambtsdragers te stellen zijn. Hand. 6 vers 3 „Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak." Zie ook 1 Tim. 3 enz.
Dergelijke, met geestelijke gaven begenadigde mannen, moeten opgespeurd worden. De gemeente moet daarnaar „omzien" en de discipelen zullen daar dan rekening mee houden bij het stellen in het ambt. (Hand. 6 vers 3).
Op welke wijze moet dan tot uiting komen, welke mannen de gemeente zelve geschikt acht, om in het ambt te worden gesteld ?
Dat is de zaak, die ons bezig houdt.
Mogen mannen èn vrouwen in de gemeente naar dergelijke personen uitzien en mogen mannen èn vrouwen aanwijzing doen (aan den Kerkeraad) van de geestelijke gaven, die in de gemeente sluimeren en die voor de gemeente tot zegen kunnen zijn — of mogen alleen mannen zich daarmee inlaten ?
Geeft de Heilige Schrift hieromtrent ook enkele aanwijzingen ? En zoo ja, welke zijn het dan ?
Het Rapport van de Commissie van Advies zegt daarvan (onder art. II, al. 3) o.a. dit : „Ook zóó gesteld blijkt echter veeleer dat ook in dit opzicht de vrouw behoort thuis te blijven. De keuze van Matthias geschiedde blijkens Hand. 1 vers 16 door mannen broeders. Eveneens de verkiezing der zeven diakenen (Hand. 6 vers 3) enz.
Laat ons dat wat breeder met gegevens uit de Heilige Schrift mogen toelichten.
De Schrift leert ons, dat de verkiezing tot 't ambt in den eersten tijd geschiedde onder leiding van de apostelen. Hand. 1 : 15 : „En in die dagen stond Petrus op in het midden der discipelen en sprak (daar was nu eene schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen) mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de H. Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas enz." het Godsoordeel over Judas het tragisch einde van den verrader en de wondere volvoering van Gods raad in al deze dingen wordt door Petrus met veel ernst voorgehouden aan de „mannen broeders". (Niet aan de zusters der gemeente, die tegenwoordig waren ? )
En dan gaat Petrus verder, zeggende : „ het is dan noodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in-en uitgegaan is, één derzelve met ons getuige worde Zijner opstanding. En zij stelden er twee, Jozef genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus en Matthias."
In de vergadering van de gemeente, waar ongeveer 120 personen bijeen waren, waaronder ook de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, neemt de apostel Petrus dus uit naam van zijn medediscipelen, die door Christus Zelf in het ambt gezet zijn, de leiding en roept de gemeente, daar vergaderd, op, om een tweetal mannen aan te wijzen, die als geloovigen bekend staan en over dat tweetal zal dan, met aanroeping van 's Heeren Naam en onder inwachting van de leiding des H. Geestes, het lot geworpen worden — waarbij Matthias aan gewezen werd, om de ledige plaats van Judas, die zoo ellendig was omgekomen, te vervullen.
Over deze geschiedenis van de verkiezing van Matthias zou veel te zeggen zijn. Wij wijzen op de preek van dr. de Moor, pas verschenen en handelende over dit onderwerp. Die betwijfelt zeer, of heel die verkiezing wel in orde geweest is. Waarbij wij juist dezer dagen in een Pinksterpreek van een Rotterdamschen oefenaar, n.l. J. van Leeuwen Pzn. (afgeluisterd en opgeteekend door C. Lagendijk te Delfshaven: uitgegeven zonder jaartal en zonder naam van uitgever of drukker) het volgende lazen : Na gezegd te hebben, dat de Heere Zelf Zijn dienstknechten aanwijst en uitstoot in Zijn wijngaard, waarbij de hoogeschool des Geestes gebruikt wordt, enz., — volgt dan : „Hierin heeft de arme mensch niets te zeggen of te wenschen, noch den Heere iets voor te stellen of voor te schrijven, want Hij zendt degenen, die Hij wil en die Hij bekwaam maakt tot Zijn dienst. Daarom is het zoo een vreeselijk bedrijf, om eerst door menschen geleerd en gepromoveerd te worden en dan daarbij God in te roepen, om hen in dat werk goed te keuren en hen daarin te bevestigen. Neen, de Heere Zelve zal in de bediening Zijner liefde hen daartoe wel roepen en bekwaam maken, daartoe heeft Hij geen hoogescholen van menschen noodig, om hen te onderwijzen en al heeft Hij enkele van die geleerde mannen willen gebruiken tot Zijn dienst, dan heeft hun geleerdheid hun daarin niet eenig voordeel gegeven. En hoewel sommigen van die gestudeerde mannen zeggen, dat de Heere Zelve arbeiders in Zijn wijngaard doet uitstooten, toch stooten zij zichzelen en anderen daarin uit en noemen zich dan dienstknechten des Heeren, somtijds zonder God te kennen voor hun eigen hart en leven. Toehoorders, bedenkt dat dat een werk des Heeren is. Hij Zelve zal dat werk doen, ziet het eens bij Amos, die een ossenherder was. Eliza was een ploeger, die het land bearbeidde en de Apostelen waren alle Galileesche visschers, eenvoudige en ongeleerde menschen, aldus genoemd door hen, die menschelijke wijsheid eren en verheerlijken. Doch de Kerke Gods ontvangt een wijsheid, die de wereld niet kent, en die verborgen is voor het vleeschelijk verstand en voor alle menschelijke studie en wetenschap, maar die alleen aan kinderen wordt gegeven en die kinderen zullen profeteeren en op hen zal de Heere van Zijnen Geest uitstorten."
Dat gaat dus den weg uit van : niet door menschen op middellijke wijze verkoren te worden tot het ambt, maar: zichzelf op te werpen, zeggende, dat men van den Heere onmiddellijk geroepen is.
Hier is van verkiezingswerk en van beroepingswerk natuurlijk geen sprake meer.
En dan wordt ook verder gezegd : Dit is heel wat anders dan hetgeen Petrus en de andere discipelen deden, toen sij den Heere een tweetal voorstelden, waaruit Hij er één moest kiezen.
Maar wij lezen niet, dat God één van hen verkoos, want de discipelen wierpen het lot en op wien dat viel. die werd met algemeene stemmen verkozen, dus wêl door de discipelen, maar niet door den Heere. En of dit hun doen, in de gunste Gods was, valt zeer te betwijfelen, daar slechts eenigen tijd daarna, een Saulus van Tarsen, absoluut uit God, tot Zijn dienst uitgestooten en tot dien arbeid bekwaam gemaakt werd ; waarin openbaar kwam, dat zij niet op God hebben gewacht om te zien, wat Hij doen zoude, maar den Heere hierin perk en paal stelde." (blz. 91 en 92).
Het laatste woord over de verkiezing van Matthias zal nog wel niet gezegd zijn. Maar den weg, hier door den oefenaar Van Leeuwen aanbevolen, willen wij onder ons toch niet op. Wij gelooven, dat de verkiezing tot het ambt en de beroeping als herder en leeraar eener gemeente in den middellijken weg moet geschieden en wel door de gemeente. Want wij gelooven dat de Kerk, waarvan Christus het Hoofd is, een Souverein gehoorzaamt, die door den Heiligen Geest in het hart zelf woning maakt en daardoor de stem van de gemeente gebruiken wil als een stemme Gods, tol aanwijzing van de ambten. Zoo wordt de Kerk zelve orgaan van de Macht die zij gehoorzaamt. De Kerk in haar eerste optreden teekent dan ook dien trek van mondigheid en activiteit. Men vindt geen oligarchie ; geen coöptatie. Maar onder leiding van het ambt treft men de activiteit der gemeente.
Maar hoe treedt de gemeente nu op ?
Het Rapport van de Commissie van Advies zegt : de mannen wezen candidaten aan ; de vrouwen mochten geen namen noemen.
Waarom ?
Omdat er staat in de aanspraak van Petrus : „mannen broeders."
Wij leggen hier aanstonds naast, wat we lezen in Hand. 6 vers 2 : „En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich en zeiden : het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen, ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak — en dat woord behaagde aan al de menigte ; en zij verkozen Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, enz., welke zij voor de Apostelen stelden ; en deze, als zij gebeden hadden, leiden hun de handen op."
En in Hand. 14 vers 23 — om niet meer te noemen, staat: en als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen Ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij ze den Heere, in welken zij geloofd hadden."
In al deze gevallen treffen we de leiding van het verkiezingswerk in handen van het ambt, de nadere aanwijzing door de gemeente, het stellen in het ambt en het opleggen der handen door de Apostelen. (Tit. 1 vers 3).
De gemeente wordt dan nader aangeduid door „mannen en vrouwen", broeders, al de menigte, de gemeente.
Wie zijn dat nu ?
Dat zijn de „mannen broeders" zegt het Rapport, en de vrouwen waren in het omzien naar geschikte mannen en in het noemen van namen uitgesloten.
Nu zegt prof. Bavinck, dat het tweetal in Hand. 1 opgemaakt werd door de 120 vergaderde geloovigen, zijnde mannen en vrouwen. (Geref. Dogm. IV, 373). En wij voelen daar veel voor, omdat in vers 23 staat „en zij stelden er twee" (dat zijn de 120 vergaderde geloovigen) en omdat in vers 26 staat, dat Matthias „met algemeene toestemming tot de elf Apostelen gekozen werd."
Aanwijzing en approbatie dus door en bij de gemeente — terwijl het stellen in het ambt door het ambt geschiedt.
Maar, zoo zegt men, in Hand. 1 spreekt Petrus de „mannen broeders" aan. En dus worden bij dat woord van Petrus de vrouwen og zij gezet en uitesloten.
Dat kan evenwel moeilijk worden volgehouden. Want die verschrikkelijke geschiedenis van Judas, ingeleid door die, de aandacht opscherpende, aanspraak an „mannen broeders" is zeker en vast even goed voor de ooren van de broeders als van de zusters bestemd.
Is het dan soms gewoonte in de N. Testamentische geschriften, dat, waarz ij de gemeente aanspreken met „broeders en zusters", de apostelen geregeld zeggen en schrijven „broeders" ?
Dat zou kunnen zijn.
En als dat zoo is, dan moeten wij, vooral bij het trekken van conclusies uit een bepaald Schriftwoord, daar natuurijk ook rekening mee houden.
't Is dan natuurlijk volstrekt nog niet boven allen twijfel verheven, dat er alleen mannen bedoeld worden, al staat in de aanspraak „broeders" of „mannen rboeders."
Ten eerste is dus de plaats van dat mannen broeders" vlak voor de gechiedenis van Judas van beteekenls ('t gold zeer zeker voor de ooren van broeders en zusters !) maar ten tweede wordt door andere Schriftuurplaatsen duidelijk, dat de Apostelen heel dikwijls „broeders" gebruiken, als ze zeker en vast „broeders en zusters" op 't oog hebben. Zooals wij wel spreken van „Mijne Hoorders" en dan natuurlijk ons richten tot hoorders en hoorderessen ; of zooals wij wel zeggen „zondaren" en dan volstrekt niet alleen bedoelen mannen, maar ook wel degelijk vrouwen daaronder betrekken.
Over enkele Schriftuurplaatsen in dit verband spreken we in een volgend artikel.
(Wordt vervolgd).
Het Beheer en het Vrouwenkiesrecht.
Bij de verkiezing van Notabelen — het Beheer — is elke gemeente vrij om, naar keuze van het College van Kerkvoogden en Notabelen, aan de vrouwen al of niet het stemrecht te geven. Niet voor heel het land is dus één regeling, welke voor alle gemeenten geldt; men heeft bïj Beheer aan de plaatselijke gemeenten de vrijheid gelaten zelf in deze een beslissing te nemen. In vele gemeenten zal men dus bij Beheer het vrouwenkiesrecht wèl hebben, maar in vele gemeenten ook niet.
Hoe zal nu het College van Kerkvoogden en Notabelen, dat de beslissing in handen heeft, weten, wat de gemeente wil ?
In Hilversum heeft men, om dat te weten te komen, een stemming uitgeschreven, waarbij door de gemeenteleden zou te kennen gegeven worden of zij vóór of tegen vrouwenkiesrecht zijn.
Woensdag 2 Mei j.l. is die stemming gehouden. Uitgebracht zijn 222 stemmen — wat al geen groot getal is. Wat interesseeren de dingen den menschen toch dikwijls weinig !
Vóór invoering van vrouwenkiesrecht ter verkiezing van Notabelen werden 73 stemmen uitgebracht ; tegen invoering waren 146 stemmen.
Alzoo heeft de groote meerderheid van degenen die ter stembus zijn gegaan zich tegen de invoering er van verklaard en zullen Kerkvoogden en Notabelen wel in dien geest nu besluiten.
Bij deze stemming was nog een tweede vraag aan de orde : zal de stemgerechtigdheid der lidmaten op 21-of op 23-jarigen leeftijd ingaan.
8 hebben zich voor 21-en 175 voor 23-jarigen leeftijd verklaard (blanco 37 stemmen).
Dientengevolge zal in artikel 9 van het Plaatselijk Reglement op het Beheer de alinea „meerderjarig zijn voor de burgerlijke wet" gewijzigd worden in : „den leeftijd van 23 jaar bereikt hebben."
Wij deelen deze „plaatselijke" bizonderheid uit Hilversum hier mee, daar zij ook voor andere gemeenten beteekenis kan hebben.
Tot de Synode gaan.
In den kring van de Gereformeerde Kerken is nog al geschrijf over het Rapportenboek dat verschenen is met tal van gewichtige rapporten, bestemd ter behandeling op de komende Synode te Utrecht.
Een kleine kwestie daaraan verbonden, willen wij even hier aanwijzen.
Men heeft gevraagd, moeten die rapporten door de plaatselijke Kerken bestudeerd en besproken worden en moeten de plaatselijke Kerken, zoo noodig, zich dan rechtstreeks tot de Generale Synode richten óf moet de plaatselijke Kerk met haar voornemen zich tot de Synode te zullen richten, op de Classical Vergadering komen, opdat daar eerst over het voornemen van deze of die plaatselijke Kerk gesproken zal worden.
Waar ds. de Geus, van de Lemmer, een waardig en der zaken kundig man, veel voor 't eerste voelt, daar beveelt prof. Hepp den tweeden weg aan.
Wij scharen ons graag, hoeveel sympathie wij ook overigens hebben voor en sympathieken ds. de Geus, aan de zijde van prof. Hepp.
Niet, dat de gedachte moet worden gekoesterd, dat de Generale Synode voor de plaatselijke Kerken niet te bereiken zou zijn dan langs den weg van Classis en particuliere Synode. Prof. Hepp zegt : „Die valsche voorstelling kan door het schrijven van ds. de Geus (gedoeld wordt op een artikel van zijn hand in „Friesch Kerkblad") goeddeels uit den weg worden geruimd. Het is uitstekend, dat ds. de Geus daarop eens flink den nadruk lei (n.l, dat de Generale Synode geen Heilige der Heiligen is, die niet te naderen is dan door den Classicalen voorhof en het Particulier Synodale Heilige ; wat een hiërarchisch element zou geven). Maar toch komt het ons voor, dat hij weer te veel naar den anderen kant overhelt en eenzijdig wordt.
Wij willen hier niet dadelijk gereed staan met het brandmerk „half-independentisme", maar toch is er in zijn uiteenzetting iets niet in den haak.
Als een plaatselijke Kerk in de gelegenheid is Classis of particuliere Synode met haar voornemen om met een voorstel naar de Generale Synode te gaan, in kennis te stellen, gelooven wij, dat zij daajrtoe ook verplicht is.
Dat reeds eischt de bescheidenheid en de wetenschap, dat aan meerdere plaatselijke Kerken meer gaven geschonken zijn dan aan één alleen.
Als gij u tot een of ander regeeringscollege wilt wenden met een verzoek of voorstel, dan laat gij uw missive eerst eens aan uw vrienden lezen en ge vraagt : wat zegt ge daarvan ? Oordeelen deze, dat er wijzigingen in moeten worden aangebracht, dan zult ge naar hun raad allicht luisteren.
Zoo is het ook het meest natuurlijke, dat een plaatselijke Kerk ter Classis vraagt : wat denkt gij van dit voorstel, dat ik de Generale Synode zal kenbaar maken ? Misschien oordeelt de Classis, dat het voorstel door ernstige bezwaren wordt gedrukt. Dan heeft de plaatselijke Kerk het volste recht om dit toch hij de Generale Synode in te dienen. Maar in de meeste gevallen zal zij er van afzien.
Zoo worden de Classicale Vergaderingen de groote zeef, waarop vele gebrekkige voorstellen blijven liggen en dit verlicht het werk van een Generale Synode aanmerkelijk.
Echter kan zoo'n voorstel ook de goedkeuring wegdragen van de Classis, deze kan het ai or niet geamendeerd overnemen en het ter tafel brengen op de Particuliere Synode. En wanneer déze het dan ook voor haar rekening neemt, dan kan niemand toch meenen, dat aan het oordeel van die meerdere vergadering niet méér gewicht behoort te worden gehecht dan aan dat eener plaatselijke Kerk. Want dan zou zoo iemand met een der grondbeginselen van ons Gereformeerd Kerkrecht in conflict geraken."
Tot zoover prof. Hepp, die dus ook in deze dingen aanwijst, dat independentistische gevoelens en gereformeerde beginselen van Kerkrecht zoo vlak naast elkaar kunnen liggen en zoo gemakkelijk in conflict kunnen komen.
De plaatselijke Kerken moeten éénheid niet vergeten.
Prof. Hepp zegt ten slotte dan nog, dat het van alle kanten komen met voorstellen bij de Synode, zonder voorafgaande bespreking op de kerkelijke vergaderingen, het werk voor de Synodale Commissie eerst en straks ook het werk van de Synode zelf, schier onmogelijk maakt. En dat zoo in de hand gewerkt wordt, dat de Synode allerlei wenschen, bezwaren, verzoeken, voorstellen, enz. enz. op zij legt.
„Daarom doen de plaatselijke Kerken het verstandigst haar voorstellen eerst op het agendum der Classicale Vergaderingen te plaatsen."
Al te makkelijk.
Er is tegen den modernen predikant ds. Theesing een aanklacht ingediend bij het Classicaal Bestuur van Edam, wegens zijn brutale ontkenningen van de Schriftuurlijke waarheden, die in het midden van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk vanouds genoegzame zekerheid hebben verkregen. Wie is er onder ons b.v. niet van overtuigd, dat in Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" alle heil ligt ? En nu heeft een man als ds. Th. den euvelen moed, om te spreken van „de oude fabel van Christus", enz.
Hoewel wij niet onze kerkelijke vergaderingen hebben, met beroep op Gods woord, moet aan deze brutale loochening van een Hervormd predikant nu maar eens paal en perk gesteld worden.
Vooral die altijd zoo tegen de kerkeijke vergaderingen, met beroep op de H. Schrift, zijn geweest, en gezegd hebben, zij kunnen zonder die vergaderingen best er voor waken, dat geest en hoofdzaak van de leer der Kerk wordt bewaard en gehandhaafd, moeten nu eens dapper meehelpen.
0f is het voor een orthodox mensch, zelfs van de Evangelischen tot den Gereformeerde, niet vaststaand, dat de opstanding van Jezus Christus uit den dood, het centraal punt van onze prediking moet zijn ?
Welnu als dat dan brutaal geloochend wordt, dan moeten de handen in elkaar geslagen worden om, zoolang wij niets beters hebben in onze Hervormde Kerk, daaraan althans een eind te maken.
Nu wil ds. Theesing den dans ontspringen. Dat gebeurt meer. Men komt brutaal voor den dag, maar als 't er dan op aankomt, dan gaat men allerlei trucjes gebruiken en gaat men probeeren de zaak in 't zand te laten loopen.
Dat is wel erg royaal!
Zoo ook ds. Theesing.
Wij lezen althans het volgende berichtje in de N. R. Courant:
„Naar wij in de Kerkbode voor Haarlem lezen, heeft ds. Theesing, die vóór 26 April op de tegen hem ingebrachte aanklacht aan het Classicaal Bestuur van Edam van schriftelijk antwoord moest dienen, geantwoord, dat hij de tegen hem ingebrachte aanklacht als niet ontvankelijk beschouwt, daar zij berust op onvolledige krantenverslagen ; reden waarom hij aan het Classicaal Bestuur van Edam geen antwoord kan en zal indienen."
Wat handig van dien dapperen modernen dominé, die zoo dapper op den kansel gestaan heeft !
Hij „acht de tegen hem ingebrachte aanklacht als niet ontvankelijk, daar zij berust op onvolledige krantenverslagen".
„Onvolledig" — dus toch „waar" ? Anders zou ds. Theesing wel gezegd hebben „foutieve" krantenverslagen.
Welnu, wat onvolledig in de kranten gestaan heeft, kan prachtig worden aangevuld door ds. Th.
Laat hij nu eens ridderlijk uitkomen voor zijn diep gefundeerde en eerlijke overtuiging !
Laat hij desnoods „martelaar" worden. Intusschen zal het Classicaal Bestuur van Edam zich wel niet met een kluitje in 't riet laten sturen. Daarvoor zijn de dingen te ernstig en zij zijn in geen hoek geschied.
Ds. Th. wil zich er al te gemakkelijk afmaken.
Wij hopen, dat hem dit niet gelukken zal, omdat de eere van onze Hervormde Kerk er mee gemoeid is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's