Stichtelijke overdenking.
Waarheid in het binnenste.
Hij lag te sterven. De koning der verschrikking ging heerschen in doodelijke stilte. Slechts van zijne naaste omgeving omringd, gevoelde Walter Scot, de beroemde letterkundige, zijn einde naderen. Gebogen over den stervende, ving Scot's schoonzoon, John Lockhart, hij, die zoo menigen nacht wakende aan zijns vaders bed had doorgebracht, de laatste met fluisterende en afgebrokene stem gesprokene woorden op in 't luisterend oor : „Geef — mij — het boek !" De stervende, wellicht onder den indruk van niet tegrepen te zijn, herhaalde nu iets luider : „Geef — mij — het boek !"
„Welk boek, vader ? " vroeg Lockhart.
„Er — is — maar — één boek !" hernam de stervende.
Het waren bijna de laatste woorden, die hij hooren deed. Het waren de woorden van een man, wiens werken bij honderdduizenden verspreid waren en met graagte gelezen werden, in welke taal men ze ook had overgezet.
En, zeker en gewis, er is maar één boek — de Bijbel — het boek voor — ach, ware 't zoo ! — voor alle menschen, voor alle tijden, alle standen en toestanden, alle trappen van beschaving, het eeuwigblijvend Woord van God !
En zoo lag hij dan daar in de stille binnenkamer, nu gestorven in eens zijn bid-, nu zijn doodsvertrek. Walter Scot, biddende gestorven met de hand op het eeuwig testament ! Hij sprak niet meer tot hen, die hem in mildheid hunne tranen van droefheid offerden, wèl het Boek. Hoe ? Een stem zegt : „Roep" en hij zegt: „Wat zal ik roepen ? " „Alle vleesch is gras, en al zijne heerlijkheid als eene bloem des velds : het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast, voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid !"
Tekst. Mattheus 6 vers 6.
„Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader, die in 't verborgen is ; en uw Vader, die in 't verborgen ziet. zal het u in 't openbaar vergelden."
Punten :
a. De liefde der aanneming.
b. De waarheid der belofte.
c. De macht ter volvoering.
a. De liefde der aanneming. Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent." Zoo roemt Johannes, een der kinderen Gods. En terstond laat hij er op volgen: „Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen ; maar wij weten, dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen ; want wij zullen hem zien gelijk hij is." Gods volk dus niet alleen Gods kinderen in naam, doch metterdaad. Geen uitwendige schijn, doch 'n waarachtig zijn. Deze kinderen leven in Christus uit 'n verzoende betrekking met hunnen Vader, die van eeuwigheid is. Dat leven is 'n leven uit, in en door genade, wijl Christus, hun oudste broeder, borg voor hen bleef ten opzichte van het in Adam geschonden recht des Vaders in de verbreking van het vertbond der werken. Van eeuwigheid zag Christus op de kinderen Zijns Vaders, die Hem, den Christus, als 'n Souvereine gift uit de hand Zijns Vaders in den tijd zou worden gegeven. Daartoe werd Hij den Zijnen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Geen wonder, dat het Engelenheir dan ook in de volheid des tijds uitberstte in den jubelzang : „Eere zij God in de hoogste hemelen !" Toen juichte de hemel, toen mocht de aarde niet weenen. En toch, al was de oudste broeder ontfermend overgekomen, zoodat de Kerk, ziende door den lantaarn Zijn vleeschwording op en in Zijne Godheid, volvroolijk roemen kon: „Het mysterie der godzaligheid is groot. God geopenbaard in het vleesch!" de aarde zou zijn en blijven, wat zij vanuit Eden eens werd, 'n Baka-of tranendal.
Dit wist de Heere. En daarom bakende Hij reeds in de oude Kerk den weg Zijner kinderen profetisch af in het aangrijpend en zielroerend Schriftwoord : „Zij zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik hen voeren aan waterbeken. in een rechten weg. waarin zij zich niet zullen stooten ; want Ik ben Israël tot een Vader en Ephraïm is Mijn eerstgeborene." Weenend en smeekend zou het van zonde overtuigde en door recht overrede Ephraim den oudsten broeder, tevens hunnen Oversten Leidsman, nederig te voet vallen in de smeekbede : „Heere, leer Gij ons bidden !"
't Gebed toch is voor Gods volk het eenige wapen, dat hen in den dag der benauwdheid staande houdt, het eenige, dat te midden van het diepste leed overblijft. En zeker, is ook Gods Ephraïm meestal 'n botte duif, die geneigd is af te zwerven naar Egypte en 't land van Assur, die van nature te midden van de wereld beter vloeken dan in de binnenkamer bidden kan, bij tijden en oogenblikken mag zij ook wel eens 'n geloovige door Christus' Geest bidden en bedelen, als 'n arend de vlucht nemend in de hoogte. Dan blijft zij niet hangen tusschen den hemel en de aarde, maar zij gaat met hare zielswerkzaamheden in den derden hemel, den hemel des geloofs, waar haar wandel is èn zij nadert tot den ontoegankelijken God ! In dien weg verliest zij zich in den Oceaan van Gods liefde, zonder oever of bodem, Christus. Die geestelijke steenrots nu laaft Zijne kinderen ook in het : „Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer !"
De Heere toch zondert Zijn volk af. Af van de wereld, af van den duivel, af van zichzelf. Hij doet het alleen wonen. O, heilig eerzaam, met God gemeenzaam ! Aangezien vanuit de stille eenzaamheid, op-en aangenomen in den tijd, leven zij slechts waar zij leeven. Gelijk de Heere op den berg, zoo Izak in 't veld, Johannes de Dooper in de woestijn, David op zijn bed, Chrysostomus in het bad, elk in zijn binnenkamer, eenzaam, maar, nog eens, met God gemeenzaam. Hier zweeft de Duif over hunne wateren, die hen bevindelijk en gestaltelijk vereenigd in Christus met den Vader. Na ontsluiting insluiting, want zoo was en bleef immers Paulus' roemtaal tegenover zijne geliefde Colossenzers : „gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God !"
b. De waarheid der belofte. Het genadeleven dus 'n met Christus verborgen leven in God den Vader. Zielroerend, niet waar, is steeds de lezing van het naderend scheiden des Heeren van Zijn volk in Johannes 14 : „Uw hart worde niet ontroerd ; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij" ; en verder : „Indien gij Mij liefhebt, zoo bewaart Mijne geboden : en Ik zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid, namelijk den Geest der Waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem. niet en kent Hem niet ; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn!"
't Ware bidden is steeds bevonden geworden vrucht van den biddenden, medelijdenden Hoogepriester. De Geest der gebeden, de Leeraar der gerechtigheid, neemt het uit het Zijne en verkondigt het hun. Uit liefde tot Christus worden Zijne geboden gebeden. Zoo zijn ze immers niet zwaar. Ook hier : „Ach, Heere, beveel me maar tot mijzelf in te keeren, trek me bovenaf en ik zal U naloopen in den geloove, in den gebede." In dien weg zoekt de ziel naar waarheid in het binnenste, haar leven. En o, dat machtig oogenblik bij den aanvang en niet minder in den voortgang, als de ziel in haar maagdelijk bruidtoilet haren Bruidegom begroet in 't woord : ,,De Koning heeft mij gebracht in Zijne binnenkameren ; wij zullen ons verheugen en in U verblijden : wij zullen Uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn : de oprechten hebben U lief!" Laat 't dan daarbuiten stormen, de zielestad belegerd worden door al wat van Christus niet is, geen nood, als 't buiten woedt, is 't binnen zoet.
Hoe kennelijk ervoer Aaron dat eens ! Achter en met zijn wierookvat gaat en staat hij moedig en goedertieren temidden van het volk, oproerig onder Korach, Dathan en Abiram. En ziet, hoe stilde het opgaande reukwerk den toorn des onzienlijken Gods over Zijn volk, hoe rook Hij den reuk des vredes om in dezen weg liever de zondaren te sparen dan den Voorbidder te slaan ! En indien Aaron's offer zoo aangenaam was, hoeveel temeer zal de Hoogepriester van het Nieuwe Testament, zich stellende onder den toorn van Zijn Vader, de zondaren verlossen van den dood, nu eens uitwendig bedreigend, dan weer inwendig benauwend. Bid dan Uwen Vader, die in 't verborgen is als de Alomtegenwoordige en in 't verborgen ziet als de Alwetende, Hem, Wiens oogen de gansche aarde doorloopen. Hem. Wiens oog in 'n enkele seconde uw hart doorboort !
De mensch ligt van nature onder het recht van den Vader. Daar moet hij onder uit. De Zoon, die in de eerste plaats de geschondene eer Zijns Vaders gaat herstellen, zoekt en haalt hem onder dat recht uit. Lijdelijk en dadelijk gehoorzaamt Hij. Ach, hoort Hem : „Vader, Ik wil niet, dat dezen in het verderf nederdalen, want Ik heb verzoening gevonden !" „Heilige Vader, bewaar ze in Uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt !" Zoo worden zij dronken uit de vettigheid des huizes, uit de volle beek van wellust. Of had Rheterfort dan geen uitnemenden grond onder den voet, als hij uit zijn aardsche gevangenis in geestelijke vrijheid schreef: „Die Hem eens gezien heeft kan Hem nooit vergeten'-' ? Ligt dan ook niet de kern van 't genadeleven opgesloten in het vatkrijgen aan de belofte en in de waarheid en zekerheid van haar ? Aan 't : „Bidt en gij zult ontvangen, klopt, en u zal worden opengedaan !" en „Al wat gij den Vader bidden zult in Mijnen Naam, zal Hij u geven !" ? Ja, zegt Paulus, zeker en gewis : „Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere, in denwelke wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem en even tevoren : „En komende heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd U die verre waart en dien die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader !"
c. De macht ter volvoering. Alle werk wordt uit de vrucht 't best gekend en gewaardeerd. „Dan zult gij ze aan hunne vruchten kennen", luidt 's Heeren getuigenis. Gods kinderen zijn 'n spijsgöboomte. zij dragen vruchten.vruchten der bekeering waardig, zij alleen.
Van Immanuël wordt geroemd : „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen, genade is uitgestort op Uwe lippen ; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid."
De treurspeldichter Euripides zegt :
„De schoonheid past vooral een Heerscher van het volk."
Dit nu kan in den hoogsten zin zijn toepassing vinden op Jezus Christus. Natuurlijk niet in uitwendig, vergankelijk schoon. Integendeel getuigt de Kerk : „Als wij Hem aanzagen, was er gedaante noch heerlijkheid aan Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben, 'n Man van Smarten, verzocht in krankheden— !" Wèl in Zijn inwendig schoon, gelijk Hij roemen mag: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde !" „Al wat tot en in Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen." De macht des Vaders ook op en in den Zoon hier en hiernamaals. Deze met macht en heerlijkheid bekleede Borg legt van Zijn schoonheid op Zijn volk. Die macht schraagt hen in 't lijden, in 'n biddend leven. „Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig ; hare kleeding is van gouden borduursel." Uitwendige teekenen van verkiezing, geloof en hoop legt Eliëzer de afgebedene, gezochte en gevondene Rebecca aan. Hij had 't uit zijns heeren huis Izaks genomen en ging het haar verkondigen. Dan werpt Rebecca verslagen en verlegen, ootmoedig haren sluier over zich, terwijl van binnen de vlam der liefde oplaait, die hare lippen aansteekt en vanaf den hemel jubelt ze tegenover haar vaders huis : „Ik zal trekken !" Zoo gaat zij uit in liefde den ongezienen Izak tegemoet. Izak nu bracht haar in zijn tent. Zoo blijft dan geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde." Deze is sterker dan de wereld, de duivel en 't vleesch. God is liefde. Die uit God geboren is, heeft lief. Salomo mocht den tempel bouwen, wijden en bewonen, doch de Heere ontstak Zelf het vuur op het altaar. De vlam steeg naar omhoog om te zoeken de hand, die haar ontstak, haar het leven gaf.
In dien weg nu wordt, niet waar, des Heeren volk zeer gewillig op den dag Zijner lieirkracht. „Mijn Vader, die in 't verborgen ziet, zal het u in 't openbaar vergelden !" Ja, m 't openbaar! De liefde laat zich niet opsluiten. De krachten worden veniieuwd, de moeden krijgen kracht en de sterkte wordt vermenigvuldigd aan die, die geen macht hadden : in die mate, dat ze opvaren als met arendsvleugelen. Al ware 't, dat ze jaren achtereen zondig waren geweest, zoodra de Heere ze in de binnenkamer bezoekt dan wordt 't openbaar, dat de disselboom van hun juk worden verbroken, ze gaan rechtop, hunne enkelen worden vastgemaakt, ze treden op hunne hoogten. Hunne ziel is nu geheel verwijd om met blijmoedigheid, zelfs in duren tijd en hongersnood, ja in de donkerste oogenblikken des levens nog met blijmoedigheid te loopen het pad van Gods geboden. En daarom : „Naar uwe tenten, o, mijn volk : "
Opheusden (Geld.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's