Van 's Levenspad.
„Vader".
Ach, kon 'k nog, als vroeger jaren,
Vader, in uwe oogen staren.
Daar uw teed're liefd' in zien
Hoe, ach hoe zou 'k mij verblijden
Zoo gij m', als in vroeger tijden.
Uwen handdruk nog kondt biên.
Deze droeve klacht werd-vaak geuit door Johan, maar ach, immer was die klacht vergeefsoh, " want zijn vader was reeds jaren geleden weggedragen naar het graf.
Waarom hij dan die klacht uitte, waar om hij dan zoo verlangde nog eens in zijns vaders oogen te kunnen staren, nog eens dien warmen handdruk te mogen gevoelen ? Omdat zoo veel, zoo heel veel gebeurd was sinds den tijd dat zijn vader door den dood werd weggenomen, zoo heel veel, wat hem nu dag aan dag deed verlangen nog eens met zijn vader te kunnen spreken, één enkele maal slechts nog eens in dat liefdevolle oog te blikken, om dan te kunnen vertellen wat was gebeurd, welke groote verandering had plaats gegrepen.
Wat dan dat alles was dat hem daar naar deed verlangen ?
Nog heel jong zijnde, had hij den voet reeds op het breede pad der zonde gezet, had hij zich overgegeven aan alles wat de wereld bood, slechts in haar ijdelheden en genietingen lust en vermaak vindende. Nauwelijks den kinderschoenen ontwassen zijnde, had hij alles waarin hij-van jongsaf was opgevoed, den rug toegekeerd om voort te gaan op 's levenspad, daar, waar de Heere niet werd gediend. Welk een droefheid en smart berokkende hij daardoor zijnen vader, wanneer deze bemerkte dat zijn kind van het rechte spoor afdwaalde, zich overgevende aan zonden en ongerechtigheden. Steeds opnieuw weerklonk dan ook diens vermanende en waarschuwende stem, dag aan dag hield deze hem voor, wat het einde van zulk een leven zou wezen, daar lichaam en ziel daardoor werden verwoest.
Niets baatte echter, geen liefdevolle woorden, noch zware straffen waren in staat Johan af te voeren van het pad, waarop hij den voet had gezet, steeds verder zette hij daarop zijne schreden.
Menigmaal nam zijn vader hem alleen bij zich, om dan met alles wat in hem was te trachten hem van het kwade af te houden, maar alles was tevergeefs. Luisterde hij eerst nog schijnbaar naar wat zijn vader tot hem zeide, weldra deed hij ook dat niet meer en speelde een spottende glimlach om zijn mond, wanneer zijn vader met tranen in de oogen hem vroeg het kwade te verlaten, te bedenken dat eenmaal de tijd zou komen, waarin de Heere hem voor Zijn rechterstoel zou dagen, hem oordeelende naar zijne eigen werken.
Menig jaar ging zoo voorbij, totdat Jolhan's vader opeens ziek werd en in enkele dagen door den dood werd weggerukt. Even werd Johan getroffen, toen hij zoo opeens den dood zoo dicht nabij zag, doch slechts weinige weken later was hij alles weer vergeten, ging hij weer voort, evenals voorheen, ziph zelfs verblijdende dat zijn vader hem nu ntet meer lastig viel, hem nu niet meer kon waarschuwen
Wat voor Johan's vader echter altoos vergeefs was geweest, wat die niet kon, was niet te wonderlijk of te groot voor den Heere, voor Hem, die alle dingen naar Zijnen wil bestuurt. Nog geen jaar nadat 2ijn vader door den dood was weggerukt, kwam de Heere hem de oogen openen, deed hem zien wie hij was, waarin hij tot nog toe had geleefd. Hij zag de groote scheiding tusschen den Heere en zijne ziel, hij zag, dat, indien hij zoo voortging, de Heere hem straks van Zich zou stooten, hem werpen in den eeuwigen nacht, waar eindeloos zijne klacht van Godsgemis zou klinken.
Welk een groot wonder werd het hem dat de Heere dit nog niet had gedaan, dat Die hem nog niet in de buitenste duisternis had geworpen. Welk een wonder werd het hem, toen hij, bij het gezicht op zijne zonden, denkende voor eeuwig om te komen, dat wondere genade-evangelie mocht hooren, dat in Christus Jezus, dien sterken Held, hulpe besteld was voor een zondig schepsel. Den dood, den eeuwigen dood nog slechts waardig, die alleen nog verdiend en dan nog te mogen hooren dat die dierbare Heiland en Zaligmaker gekomen was om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, dat deed hem in verwondering voor den Heere nederzinken, uitroepende : „Waarom, waarom toch, Heere. hebt Gij naar mij nog willen omzien" ?
Nu dacht hij weer terug aan de dagen vvaarin hij in het kwade voortleefde en waarin keer op keer de waarschuwende stem zijns vaders werd vernomen. Nu dacht hij terug aan de dagen, waarin zijn vader met tranen in de oogen hem smeekte het leven der zonde vaarwel te zeggen, terwijl hij diens woorden met een spottenden glimlach aanhoorde. Nu zag hij het beeld zijns vaders weer voor zich, kwam het verlangen in hem op zijn vader te kunnen vertellen wat de Heere had gedaan, maar ach, daarvoor was het thans te laat, nooit, nooit meer zou hij dat kunnen doen. Nog één enkele maal staren in dat liefdevolle vaderoog, nog één enkele maal dien warmen handdruk gevoelen, om dan te vertellen, dat zijn gebed was verhoord, dat zijn kind niet langer in de zonden kon leven. Eén enkele maal nog in dat trouwe vaderoog te staren, om dan geen droefheid en smart, maar vreugde en blijdschap daarin te ontdekken over wat de Heere deed. dat is steeds Johan's verlangen, wat echter nooit vervuld zal worden. Daarvoor te laat, dat maakt hem steeds weer zoo droevig, dat doet zijn hart zoo'n pijn; maar toch, toch blijft hem één troost over. Eén troost, wanneer hij in oogenblikken van stil vertrouwen kan zegden :
Maar toch mag ik nog vertrouwen, Dat 'k hem straks weer mag aanschouwen. Hem ontmoeten, vroolijk, blij. Hem ontmoeten bij den Heere, Wien dan w' eeuwig brengen d' eere. Voor Zijn daan aan hem en mij.
Nóg gaat Johan voort over 's levenspad, telkens weer droevig over wat hij deed. steeds weer verlangend zijn vader nog te bezitten, om hem alles te kunnen vertellen, en dan na al het door hem berokkende leed, dat trouwe vaderoog van vreugde te zien stralen.
Daarom, jongeling, jongedoohter, die wellicht, evenals Johan, over 's levenspad gaat, laat dit voor u een waarschuwing zijn. Nooit is die smart te peilen, die droefheid in woorden uit te drukken. O, indien gij dan uwe ouders nog hebt, indien zij u vermanen het kwade te verlaten, hoor dan toch naar hen. Wanneer zij straks door den dood izijn weggerukt en gij krijgt een oog om te zien waarin gij leefdet. zal deze klacht ook immer uit uw mond worden gehoord, een klaoht, die het harte wondt, vanéén scheurt.
Te ver kunt gij nooit zijn afgedwaald, te groot of te veel kunnen uwe zonden nimmer wezen, want Christus Jezus roept u toe in het rijke, wondere genade evangelie, dat Hij onwaardige zondaren wil redden, zulken een Borg en Middelaar, een Heiland en Zaligmaker wil zijn.
Dat een ieder bedenke : Heden is het nog tijd, maar morgen wellicht reeds eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's