De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Na deze dingen geschiedde het Woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende, : Vrees niet Abram ; Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Genesis 15 vers 1.

Heilige Onbevreesdheid.
De rijke beteekenis van dit „Woord des Heeren", dat tot Abram kwam „in een gezicht", kan alleen worden verstaan, wanneer we letten op de gebeurtenissen, die in het voorgaande hoofdstuk vermeld zijn.
Nooit was zulk een ongelijke strijd gewaagd als tusschen Abraham en deze machtige koningen. Met zijn driehonderd achttien knechten had hij hen achterna gejaagd en overwonnen en duizenden, misschien wel tienduizenden gedood. Zijn eigen leven had hij op het spel gezet en met bewonderenswaardigen moed het gevaar het hoofd geboden.
Bn nu als het achter den rug is, komt God tot hem met dat woord : „Ik ben uw schild." Hij had daarenboven den gemaakten buit aan anderen gegeven en voor zichzelf niets gehouden. En nu komt God tot hem met Zijn : „Ik ben uw loon, zeer groot."
Beide zaken had Abram gedaan eenvoudig in het geloof ; geen voorafgaand bevel of belofte had hij ontvangen ; geen verzekering van succes was hem ten deel gevallen. Hij had niet door gierigheid of zucht naar roem zijn krijgstocht ondernomen, maar alleen door de begeerte zijn naaste te helpen. En opdat Sodoms koning nu niet later zijn drijfveer zou kunnen smaden, weigert Abram standvastig ieder persoonlijk voordeel.
Als God zijn geloof op deze wijze beproefd heeft — of het niet uit woorden alleen bestond, maar ook in daden uitblonk — dan bezoekt de Heere hierna Abram genadiglijk met een openbaring Zijner gunste.
Zoo gaat het evenwel nog altijd ! Zij, die gunst betoonen aan menschen, niet om vuil gewin, maar om de liefde van Christus, die hen dringt, die zullen gunst vinden bij God.
Drieërlei valt er in het Woord des Heeren tot Abram te beluisteren.
Vooreerst : het welbehagen, dat God in Zijn uitverkorene heeft.
„Vrees niet, Abram !"
Dat zegt God, en Hij zegt het zóó vriendelijk, Abram bij zijn naam noemende, zooals een vriend tot zijn vriend spreekt, dat Abram ongetwijfeld het welbehagen Gods, dat er in doorklinkt, heeft opgemerkt.
Hoe dikwijls lezen we nu deze woorden niet door heel den Bijbel ! Wat spreekt God dit: vreest niet, telkens weer tot Zijn volk, zooals een vader het zegt tot zijn kind, dat bevend voor hem staat. En in veel gevallen noemt God den naam er bij van degenen in wie Hij een welbehagen heeft. „Vrees niet, Zacharias." „Vrees niet, Maria !"
God toont er door dat Hij het voor een erkende zaak houdt dat Zijn volk zooveel oorzaak heeft tot vreezen ; zoodat soms hun moed dreigt te ontzinken.
Wel kent de onwedergeboren mensch ook de vrees. Maar toch, dit is iets geheel anders dan de vrees, waarvan het hart van een ieder is vervuld, die Gods heiligheid en eigen aangerechtigheid heeft leeren aanschouwen met oogen, door den Heiligen Geest geopend.
De vrees der onwedergeborenen is slaafsch ; een gluiperige angst voor de gevolgen van het kwaad, die plaats maakt voor een geniepig pleizier, wanneer deze uitblijven.
Maar de vreeze, die ontstaat in de ziele dergenen, die in den weg van ontdekking en berouw met oprechte droefheid zich tot God bekeeren en die daar blijft, zoolang ze zich vleeschelijk verkocht onder de zonde moeten bekennen — die vreeze, onder aanvechting van buiten en bestrijding van binnen —• doet de ziel nederbuigen en met David klagen :
'k Zucht daar kolk en afgrond loeit Daar 't gedruisch der waat'ren groeit. Daar Uw golven, daar Uw baren. Mijn benauwde ziel vervaren.
Tot zulke vreesachtige en bekommerde zielen komt nu het Woord des Heeren : Vreest niet. God spreekt zoo. Hij, die weet wat van Zijn maaksel ziï te wachten, en dat wij stoi van jongsaf zijn geweest. Hij weet alle dingen, dus ook dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God. Hij weet, dat satan rondgaat als een brieschende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. En daarom spreekt God, om alle kleinmoedigen te versterken : vrees niet.
Vrees niet, want Ik heb in menschen een welbehagen. In Christus ben Ik de wereld met Mijzelven verzoenende.
Het welbehagen des Vaders in al Zijn uitverkorenen is nergens klaarder zichtbaar dan in Jezus Christus, den Zoon van God, die van den Vader daartoe verordineerd, in den bestemden tijd op aarde is gekomen om te zoeken en te zaligen door Zijn eenmalige offerande aan Golgotha's kruis, degenen die verloren waren in zichzelven, maar door bet geloof in Hem verordineerd waren kinderen Gods genaamd te worden.
Wanneer nu de Heilige Geest dat geloof in Christus gewerkt mag hebben in de ziel, zooals het geloof in Gods beloften, die immers in Christus allen ja en amen zijn, in Abram levendig was — dan hoort zulk een in het Woord des Heeren : Vrees niet, de betuiging van Zijn Goddelijk welbehagen in allen, die Hem vreezen, wier oogen geduriglijk zijn op den Heere.
Maar dan beluisteren ze tevens in dat Woord de belofte van beveiliging : „Ik ben uw schild", omdat de Heere getrouw is en niet laat varen wat Zijn hand begon.
„Vrees niet, klein kuddeke", sprak Jezus eens tot Zijn discipelen, „want het is des Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven."
De beveiliging van alle oprecht geloovigen is dus niet te danken aan eenig goed werk dat aan of in hen zou kunnen worden gevonden, niet door eenig werk of verdienste, maar alleen door het vrijmachtig welbehagen des Heeren, dat de Heere van eeuwigheid heeft gehad in het volk, waarmee Hij een verbond der genade wilde aangaan. Om Zijns Zelfs wille dus, om Zijn verbond gestand te doen, heeft God Zijn Zoon gezonden tot wijsheid en tot rechtvaardigmaking en tot heiligmaking, ja, tot volkomen verlossing van allen die in Hem gelooven zouden.
Opdat Abram zich niet zou verheffen op de kloeke daden door hem verricht, komt God daarna hem te wijzen op de betere dingen, die Hij voor hem heeft weggelegd. Beveiliging niet maar tegen aardsche vijanden alleen. O zeker, ook in dat opzicht kon Abram gerust zijn — maar tegenover alles wat hem naar lichaam of ziel zou mogen temeerdrukken, komt de Heere hem de genaderijke verzekering geven van Zijn onveranderlijke gunst.
„Ik ben uw schild." Dat is nog heel wat meer dan dat God Zijn engelen beveelt om u te bewaren op al uwe wegen.
God Zelf een schild voor Abraham, om hem te beveiligen tegen alle verwoestend kwaad. En niet alleen voor Abraham, maar voor allen, die, evenals hij, oprecht gelooven. Ook te dezen opzichte geldt het: U komt de belofte toe en uwen kinderen, en allen die verre zijn, zoovelen als de Heere onze God toe roepen zal.
Verleden, heden en toekomst liggen alle in deze heerlijke belofte besloten.
Zoo was het geweest voor Abram. In den bangsten strijd met zijn overmachtige vijanden was het immers Gods Almachtige hand geweest, die, ook al werd Hij van voren niet gezien en van achteren niet bemerkt. Zijn gunstgenoot in het leven had behouden.
Zoo is het nog in het heden. ledere dag brengt nieuw kwaad; iedere morgen andere zorgen. Nog spaart de Heere in wonderlijke lankmoedigheid u, o onbekeerde zondaar, nog is het heden der genade voor u verlengd — maar alleen de geloovigen mogen zich veilig weten achter het beveiligende schild. De Heere is rondom degenen die Hem vreezen. Hij is hun toevlucht en hun hoog vertrek.
Hij zal in alle ramp en pijn. Tot Mij om uitkomst zuchten. En Ik gestadig bij Hem zijn in al ziin ongenugten.
Want ook voor de toekomst geldt die beveiliging. Abram verkeerde onder vijanden ; gevaren omringden hem van allen kant ; hij was een vreemdeling in een vreemd land ; geen enkele vriend had hij buiten God. En nu krijgt hij de belofte van voortdurende bescherming. Geen kwaad zal hem genaken, geen wapen tegen hem gelukken.
Zoo spreekt God nog tot de gemeente der geloovigen hier op aarde : Ik ben u een schild! De Kerk der belijdenis is van alle zijden door vijanden omringd, die loeren op haar ondergang ; zij is een lelie onder de doornen ; een schaap onder de wolven. De wereld is tegen haar ; de hel is tegen haar. Als God het zou toelaten, was ze in enkele uren van de aarde weggevaagd. Want in zichzelve heeft ze geen kracht noch bedrevenheid tegen de aanslagen harer vijanden ten doode.
Haar bekwaamheid, haar veiligheid is enkel uit God. Hij is haar schild. Een ieder, die waarlijk gelooft, mag het er voor houden dat hij veilig is, veilig, nu en in de dagen die nog komende zijn ; veilig onder rampen en in strijd, veilig onder smart en rouw, veilig zelfs bij het naderen van den dood, want met Paulus mogen ze zeggen : Wij zullen meer dan overwinnaars zijn door Hem, die ons heeft liefgehad.
God de Heere is een zon en een schild. Wie dat mag gelooven, dien deert geen kwaad. Want dat is meer zelfs dan het schild des geloofs en het borstwapen der gerechtigheid te hebben aangedaan ; immers dan staat God Zelf tusschen ons en het gevaar. En Hij beschaamt nimmer de hope Zijner ellendigen.
Tenslotte wordt nog een heerlijke belooning toegezegd in dat Woord des Heeren aan Abram, den vader aller geloovigen. Ik ben uw loon zeer groot. Alles had Abram opgegeven in het land zijner maagschap en hij was gegaan langs een weg, dien hij niet wist, naar een land, dat hij niet kende. Hij had geweigerd iets voor zich te nemen van het goed der inwoners van Sodom, die hij met hun have had bevrijd uit de hand hunner vijanden. Hij had alles opgegeven voor zichzelf hier op aarde en nu komt God en belooft hem alles te zullen vergoeden door hem Zichzelf te geven.
God belooft alweer niet, hem op de een of andere manier te vergoeden, dertig-, zestig-of honderdvoud wat Abram om Gods wille heeft vaarwel gezegd. Hij zegt niet : Ik zal u beloonen, maar : Ik ben uw loon.
Welk een rijke belofte ! Geen wonder dat er nadrukkelijk staat: uw loon zeer groot.
De Heere toch geeft overvloedig boven wat wij bidden of denken kunnen. Geen schuldvergiffenis — want in Christus is die immers al geschonken aan degenen voor wie God zelf ten schild wil wezen. Geen rechtvaardigmaking alléén ; neen hemelsche gelukzaligheid door volkomen heiligmaking. Neen, verre boven dat alles uit, geeft God. Wat in geen menschenhart is opgeklommen en geen oor ooit heeft gehoord en geen oog ooit heeft, gezien, dat geeft God aan allen die Hem vreezen. Hij geeft Zichzelf. Ik ben uw loon, zeer groot.
O welk een bemoediging, welk een versterking dan in deze opwekking tot heilige onbevreesdheid voor allen die den Heere vreezen, die gelooven dat Hij is en een belooner is dergenen die Hem zoeken.
„Versterkt dan de slappe handen en stelt de struikelende knieën vast", o gij kleingeloovigen, die zoo beducht zijt voor 's vijands schrikk'lijk woeden. „Zegt den onbedachtzamen van harte : Weest sterk, en vreest niet ; ziet ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en ulieden verlossen." Zoo klonk door den mond van Jesaja eens de nadere bevestiging van Gods beloften.
Als gij echter door het geloof in Christus van Gods welbehagen u nog niet verzekerd kunt houden, bedenk dan toch, dat de Heere niet alleen een waarmaker is van Zijne beloften, maar van alle woord door Hem gesproken, en dat dus Zijne dreigingen tegen den ongeloovige eenmaal in al hun zwaarte u treffen zullen.
Hier mogen de vijanden van God en Zijn Gezalfde en Zijn volk hun zegelied dan al aanheffen — het is in den weg van zelfverloochening en zelfopoffering immers dat Gods oprechte volk er toe gebracht wordt alles te verwachten van Hem, Die bescherming en belooning heeft toegezegd aan allen die Hem vreezen.
Zoo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn ?
Geen geval, geen zorg, geen list Oost noch West, noch zandwoestijn. Doet ons meer of minder zijn; God is Rechter, die 't beslist Die als aller Oppervoogd Deez' vernedert, dien verhoogt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's