Van 's Levenspad.
Zondesmart.
„Hé, hé is dat loopen, maar gelukkig nog juist bijtijds." Deze woorden, waartusschen een groote vloek werd gevoegd, uitte een jongeman die een der groote stations van ons land kwam oploopen, juist op het oogenblik dat de trein, waarmede hij moest vertrekken, weg reed, een coupé van den reeds in beweging zijnden trein opende en daarin stapte, In de coupé bevond zich alleen een oude heer, welke op den door den jongeman gedanen uitroep, vroeg : „Gelooft gij dat er een God bestaat ? "
Verwonderd keek deze bij het hooren van deze vraag op en antwoordde onverschillig : „Dat is mij altijd gezegd, dus zal het wel zoo wezen".
„Maar gelooft gij dan ook, dat gij eenmaal voor dien God moet verschijner om Hem rekenschap van al uwe woorden en daden, ja, zelfs van uwe gedachten te geven ? " vroeg de oude heer weer.
„Ook dat is mij altoos geleerd", was het antwoord op denzelfden toon ; „dus zal dit ook wel zoo wezen."
„En gelooft gij dan tevens dat, wanneer gij sterft zooals gij nu leeft, de Heere het zooeven door u uitgesproken gebed zal verhooren. u voor eeuwig in de buitenste duisternis werpende ? "
„Ook dat is wel mogelijk", was weder het antwoord, „doch daar is immers toch niets aan te doen, want van eeuwigheid is reeds bepaald wie zalig wordt en wie niet, aan welk besluit niets meer te veranderen is. Wanneer ik nu behoor bij hen, die zalig worden, moet de Heere daar maar voor zorgen, en wanneer ik bij hen niet behoor, kan dat toch niet meer veranderd worden ; waarom zal ik dan nu niet eerst wat genieten in bet leven ? "
Bij het hooren van deze woorden sprongen den ouden heer de tranen in de oogen, terwijl hij sprak : „Wanneer gij even naar mij wilt luisteren, zal ik u iets uit mijn eigen leven vertellen, wellicht dat het u nog tot leering strekt. Daar was een tijd in mijn leven, waarin ik dacht en sprak zooals gij ; ook ik diende de wereld met al hare genietingen, daarin mijn grootste en hoogste vermaak zoekende. Wanneer ik werd gewaarschuwd, dat de Heere mij eenmaal rekenschap zou vragen, lachte ik daarom, evenals gij nu, zeggende, dat wanneer ik niet tot den uitverkorenen behoorde, daar toch niets aan te veranderen was. Vele, vele jaren lang leefde ik daarin voort, om dan echter te ervaren dat mijn naam, ja de naam van zulk een als ik, geschreven was in het Boek des Levens. Het was juist zooals ik altoos spottend en hoonend had gezegd ; ik behoorde bij hen, die reeds van eeuwigheid uitverkoren waren en daarom kwam de Heere ook mij opzoeken. Hij, die God, Wiens Naam nooit anders dan spottend over mijne lippen kwam, kwam tot mij en opende mijne oogen om mij te doen zien wie Hij en wie ik was. En wat ik zag ? Ik, die de wereld met al hare genietingen diende, zag dat Hij daar reeds in Zijne liefde en ontferming mij gadesloeg. Zijn bewarende hand gedurig over mij uitstrekte. Naar Zijn heilig recht had Hij mij voor eeuwig kunnen verstooten. Zijne hand van mij aftrekken, maar neen, dat deed Hij niet. Hij zorgde en waakte over mij. Hij schonk mij gezondheid en kracht, voedsel en kleeding ; deed mij niets ontbreken, ja, nog veel meer deed Hij voor mij. Hij zond Zijn eenigen Zoon, Hem gaf Hij over om bespot, gehoond, geslagen en gedood te worden ; Hem zond Hij om mijn schuld te betalen, mijn straf te dragen. Maar ook zag ik mij zelf bij al de liefde, al de trouwe zorgen, welke Hij mij betoonde, spottend over 's levenspad gaan, mijn vermaak in het ijdele genot der wereld zoekende. Welk een groot wonder werd het mij, dat de Heere mij; nog niet had verstooten, dat Hij mij naar Zijn heilig recht nog niet in den eeuwigen nacht had geworpen. Ik, die Hem dag aan dag smartte door mijn leven in de zonden, die dag aan dag spotte met de mij van Zijnentwege toegezonden waarschuwingen, ik moest gedurig uitroepen : Waar om toch, Heere, hebt Gij mij opgezocht, waarom mij niet verstooten ?
Op die vraag kon ik geen enkel antwoord vinden, dan dat het Zijn teedere liefde. Zijn trouwe zorg. Zijn eeuwige genade en ontferming was, welke Hij betoonde aan een, die niets meer dan den eeuwigen dood waardig was. Ja, ook mijn naam geschreven in het Boek des Levens, daarom kwam de Heere mij afvoeren van den weg des verderfs, mij leiden op Zijn paden en wegen.
Maar nu, ach, hoe menigmaal zie ik nu vol droefheid en smart terug op het achter mij liggend leven, de in het kwade doorgebrachte jaren. Dag aan dag wensch ik nu dat die zonden niet waren bedreven, dat ik vele jaren vroeger mijn leven aan 's Heeren dienst had gewijd, want immers dan zou ik nu niet met dat knagende berouw over 's levenspad gaan, dan zou dat gedurige zelfverwijt mijn harte niet verwonden. Dan zou ik nu niet behoeven terug te zien op een leven, doorgebracht bespottend en hoonend Hem, Die mij niets dan goed deed. Voor al mijn spotten en hoonen, voor al mijn leven in het kwade, was de last, welke mijn Heiland moest dragen, des te zwaarder ; daardoor moest Hij des te meer lijden, want de straf, welke ik verdiende, moest Hij dragen, opdat Ik daar van ontheven, weer verzoend zou worden met dien God, tegen Wien ik zoo zwaar misdreef.
Uit uw spreken thans bemerk ik, dat gij op het zelfde standpunt staat als ik, in die dagen, en wanneer nu ook uw naam geschreven is in het Boek des Levens, wat dan ?
Zekerlijk zal de Heere u dan opzoeken, u tot Zich voeren, maar evenals ik zult gij dan over 's levenspad gaan, dag aan dag vol droefheid en smart over zulk een leven. We moeten elkander weer verlaten, want we naderen het station, waar ik moet uitstappen en wellicht zien we elkaar nooit weer. O, laat deze waarschuwing dan niet voorbijgaan ; ga zoo niet langer voort, laat het leven, dat nooit voldoet, varen. Buig u voor den Heere neder, vraag Hem ook uwe oogen te openen, om u te doen zien wie Hij is en wie gij zijt; dan, wanneer gij dat ziende moet erkennen slechts den eeuwigen dood waardig te zijn, dan zal Hij komen, u toeroepende geen lust in uwen dood te hebben. Dan ook zult gij in verwondering wegzinken, uitroepende : „Waarom, Heere, dat toch aan mij ? " en. het daarop gevonden antwoord zal wezen, dat Hij, door eeuwige liefde bewogen, naar zulk een als gij omziet. Dan zult gij mogen ervaren dat de dienst der wereld zoo arm, hol en leeg is, doch de dienst des Heeren rijk en gelukkig. Dan, wanneer uw stervens uur komt, zal het sterven slechts een doorgang zijn tot het eeuwige leven, waar gij den Heere moogt aanschouwen. Hem loven en prijzen voor wat Hij deed. Dan zult gij mogen staan voor den troon van het Lam dat geslacht werd tot verzoening ook van uwe zonden en eindeloos juichen : „Gij zijt waardig te ontvangen den lof en de aanbidding en de dankzegging, want Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed."
De trein stopte, en de oude heer verliet dezen, na den jongen man de hand gereikt te hebben, welke deze drukte, de oogen beschaamd neerslaande.
Moet hier nog wat bijgevoegd worden ? Neen, want immers dit spreekt genoeg voor zichzelf. Alleen dit : Gaat ook gij evenals die jonge man over 's levenspad ? O, dat dit dan ook tot uwe leering mocht wezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's