De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Adres aan de Synode.
Het volgend adres is door het Hoofdbestuur aan de Synode verzonden. Aan de Classicale Vergaderingen zal gevraagd worden dit verzoek ter plaatse te steunen.
Aan de Synode der Ned. Herv. Kerk s Gravenhage.
Hoog Eerwaarde Heeren,
Bezwaard door de jongste wijziging van art. 3* Algemeen Reglement, waar het woord „manslidmaten" vervangen is door „lidmaten", door welke verandering aan de vrouwelijke lidmaten nu het stemrecht is verleend, heeft het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk de eer tot U te komen met het volgende voorstel :
Liefst zou het zien, dat de jongste wijziging van art. 3* Algem. Reglement geheel werd teruggenomen, daar het Hoofdbestuur voornoemd een tegenstander is van het Vrouwenstemrecht, zoowel in den Staat als in de Kerk. Maar het voelt, dat een verzoek, daarop doelende, onder de huidige omstandigheden, niet de minste kans zou maken gunstig te worden ontvangen. Vandaar dat het met het volgend voorstel tot Uw Hoog Eerwaarde Vergadering komt :
Art. 3* Algemeen Reglement worde zoodanig gewijzigd en aangevuld, dat het al of niet verleenen van het stemrecht aan de vrouwelijke lidmaten aan de plaatselijke gemeenten worde gelaten. Een wijziging dus die parallel zou loopen met hetgeen te lezen staat in art. 2 van het „Algemeen Reglement op het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde Gemeenten in Nederland, enz." : „Aan vrouwelijke lidmaten kunnen bij plaatselijk reglement dezelfde rechten ten opzichte van de stemgerechtigdheid worden toegekend als aan de manslidmaten "
Het Hoofdbestuur voornoemd bedoelt natuurlijk dan geen uitbreiding van actief tot actief-èn passief stemrecht voor de vrouwelijke lidmaten mogelijk te maken, maar het huidige actief stemrecht der vrouw in handen te leggen van de plaatselijke gemeente, die het dan, in een weg van orde, onder leiding van den kerkeraad, al of niet in het plaatselijk reglement kan vastleggen .
Als voorbeeld zou het Hoofdbestuur willen noemen : de gemeente Hilversum. Daar zijn door Kerkvoogden en Notabelen de stemgerechtigde lidmaten opgeroepen, om Woensdag 2 Mei j.l. bij stemming uit te maken, of aan de vrouw wèl dan niet het stemrecht zal worden verleend, met den uitslag, dat van de 222 uitgebrachte stemmen 73 stemmen vóór en 146 stemmen tegen het Vrouwenstemrecht openbaar werden, waarna door Kerkvoogden en Notabelen, naar art. 2 Alg. Reglement op het Beheer, in den geest van de meerderheid is gehandeld.
Het Hoofdbestuur is van oordeel, dat bij behoud van de eenheid der Kerk op deze wijze aan de plaatselijke gemeenten meer recht kan geschieden, wat niet anders dan tot bloei van het kerkelijk leven kan leiden, terwijl verdrukking de klachten verteert. Waarbij bovendien vele bezwaarde gemeenten dan in een weg van goede orde naar de heiligste beginselen kunnen handelen, terwijl zij nu daarin door anderen worden verhinderd.
Met verschuldigde gevoelens onder toebidding van des Heeren Geest, Die gezonden is, om in alle waarheid te leiden.
Het Hoofdbestuur voornoemd,

M. VAN GRIEKEN, Voorzitter. M. JONGEBREUR, Secretaris. Rotterdam.

5 Juni 1923. Veenendaal,

Onze Liturgie.
II.
De liturgie onzer Gereform. Kerk heeft een geschiedenis.
Wij hebben al opgemerkt, dat Gods Heilig Woord ons geen liturgie geeft. Als wij de Schriften des N. Testaments lezen, vinden wij daar niet precies, hoe wij moeten handelen in alles bij onze openbare Godsvereering. Wel de beginselen, waarnaar wij in Gods huis moeten spreken en handelen. Doch niet een volledig uitgewerkte liturgie. Zelfs vinden wij ten opzichte van vele dingen niets, of maar zeer geringe aanwijzingen. Dat er geen beelden in de Kerk gebruikt mogen worden, is duidelijk. Maar waarom geen orgel ? Met de Schrift in de hand is het niet vol te houden, dat het niet mag, hoewel er ook niet staat, dat er een: orgel moet zijn. 't Is ook niet iets, dat het stuk van onze zaligheid raakt. Hoewel het bij ons lied wel kan gaan tot stichting of tot ontsttichting van de gemeente ; ook tot meer eerbied en dus tot eere Gods.
De liturgie van onze Gereform. Kerk is dus door menschen opgesteld, evenals b.v. onze Ned. geloofsbelijdenis en onze Heidelbergsche Catechismus. Gelijk ook de 12 Geloofsartikelen. Evenals de Psalmberijming.
Voor de deelen èn voor het geheel van onze liturgie geldt dus, dat zij door menschen is opgesteld. Een menschelijke schepping dus. Hoewel naar de beginselen, welke wij vinden in Gods Woord.
Na de Reformatie is men er toe gekomen de liturgie op te stellen, zooals wij in hoofdzaak haar nog hebben. Calvijn is ook hier de man, die de grondslagen legde, waarop Petrus Datheen heeft gebouwd. e d
Bij deze mannen moeten wij dus terecht komen, als wij willen onderzoeken, hoe van ouds de volgorde geweest is bij onze Gereformeerde liturgie. Nemen wij wat Calvijn in 1542 in de liturgie van Geneve gaf, wat Petrus Datheen vond in de liturgie van de Paltz en wat Zwingli in 1529 reeds in Zurich instelde, dan vinden wij wel verschilpunten wat de volgorde aangaat, maar in hoofdzaak is het hier toch hetzelfde en ging het van ouds in de Gereformeerde kerken in Zwitserland en Nederland om deze dingen : votum, zegen, lezen, belijdenis van schuld, absolutie of vrijspraak, psalmgezang, gebed prediking, slotgebed, zegen (hoewel Zwingli tegen gemeenschappelijk zingen, was). Wat Johannes a Lasco in de Londensche Gereformeerde Gemeente van Nederlandsche ballingen in deze invoerde verschilt niet veel van 't geen Calvijn te Straatsburg en te Geneve had gegeven.
Petrus Datheen is voor onze Nederlandsche Gereform. kerken een man van beteekenis. In 1566 gaf hij achter de Psalmen, door hem uitgegeven, een volledige liturgie voor den openbaren eeredienst. De volgorde was toen : 1. votum, 2. lezen der wet, 3. opwekking tot boete en schuldbelijdenis, 4. verkondiging van genade, 5. gebed. 6. lezen van de Apostolische geloofsbelijdenis, 7. preek, 8. gebed, 9. zegen.
Datheen's liturgie heeft verscheidene herdrukken beleefd (1567, 1568, 1572, 1579, 1614, 1619) en is op 't Convent te Wezel (1568) en de Synode te Dordrecht (1574) met enkele kleine wijzigingen kerkelijk goedgekeurd. In 1589 werd zij voor 't eerst als officieele liturgie gedrukt bij Jan Paedts te Leiden. Voor de latere edities is evenwel de uitgave, in 1611, bij R. Schilders te Middelburg verschenen, ten grondslag gelegd. Toegevoegd waren toen o.m. een formulier voor den H. Doop van volwassenen en een „Kort Begrip der Christelijke religie" (van Faukelius, predikant te Middelburg).
De groote Dordtsche Synode heeft helaas ! geen tijd kunnen vinden, om de toenmalige liturgie aan een grondige herziening te onderverpen en de commissie daartoe benoemd heeft haar werk niet volbracht. Zoodoende is er eigenlijk nooit een officieele tekst van de liturgie geweest en de boekdrukkers hebben er niet zelden willekeurig van gemaakt, zooals het hun goed dacht.
Dit gaf zooveel klachten, dat de Synode van Breda in 1730 besloot een nieuwe, kerkelijk geautoriseerde editie te geven, maar men heeft toen niet den tekst van 1611 van R. Schilders te Middelburg gevolgd, maar die van 1566. Deze uitgave zag 't licht in 1737 en staat door de zorg van Prof. Gooszen achter de uitgaven der Psalmen van Prof. Acquoi. Prof. Rutgers heeft echter in 1897 een uitgave bezorgd naar de editie van 1611.
Het mag ons niet verwonderen, dat daar, waar de liefde voor Gods Woord en voor de Gereformeerde Waarheid weer opleeft, men ook meer aandacht gaat schenken aan de liturgie. En meer en meer gaan er stemmen op, om de liturgie van Calvijn, Datheen, a Lasco, Zwingli weer te bestudeeren en weer te maken tot ónze liturgie, aangevuld of gewijzigd, naar 't geen men oordeelt dat voor den tegenwoordigen tijd noodig of goed is. Want iedere tijd heeft toch zijn eigen eisch. Vooral als men meeleeft met de dingen en maar niet gedachteloos, in sleur, meeloopt. Over de hoofdzaken is dan geen verschil. Daarin mag geen verschil zijn. Voor Rome b.v. is de onbloedige herhaling van Christus' bloedig offer 't middelpunt en het hoogtepunt van heel den eeredienst. De Mis met alles wat er bij hoort. Zelfs al is er geen gemeente vergaderd. Als het sacrament er maar is en als de priester er maar is ! Niet de preek, niet het Woord is bij Rome het voornaamste. Neen ! de Mis — waarbij dan zoo nu en dan 'ook een stukske uit de Schrift of een heiligenlegende mag komen.
Voor ons staat dat anders.
En daarin zijn alle tijden van de Gereformeerde kerk hetzelfde.
Christus' offer is eenig en volkomen genoegzaam. Het is eens gebracht en dat voor goed. Het kan en het mag daarom niet herhaald worden. Het kan en mag daarom ook niet gemist worden. In onze Geref. liturgie mag dus niet als middelpunt komen een herhaling van 't geen op Golgotha zich heeft afgespeeld (zooals Rome wil). Bij ons mag niet weggelaten worden, wat het water van den Doop betuigt en wat in dit Avondmaalsviering...uitkomt, wat de prediking moet brengen : de verzoening der zonden in het bloed van Christus voor een iegelijk die gelooft (wat de modernen loochenen). In onzen Gereformeerden eeredienst moet hoofdzaak zijn en blijven de bediening van 's Heeren Woord, met verkondiging van het Evangelie des kruises, waarbij de sacramenten, gebed, gave, lied, ja alle handeling mede getuigenis moet geven.
Wij zullen dan ook door alle tijden een vinden bij de liturgie der Gereformeerde kerken, zoowel hier als elders, dat de preek als bediening des Goddelijken Woords in 't midden staat en het hoofdmoment is. Maar daarmee mag dan niet bedoeld zijn, dat de Gereform. kerken al het andere als van weinig of geen waarde zouden hebben geacht. Inegendeel. Over veel en velerlei is ernstig en dikwijls gehandeld en beraadslaagd en wij hebben ook in onzen tijd deze dingen niet licht te achten. Daarom willen wij over het begin en over den voortgang van onzen eeredienst en over alles wat daaromheen zich beweegt hier handelen, mee naar aanleiding van het Rapport, dat in het midden van de Gereformeerde Kerken is uitgebracht en straks op de Synode te Utrecht zal worden behandeld. (Wordt voortgezet).

De leer der Herv. Kerk.
leder die de geschiedenis nagaat weet, dat men in zake de leer der Hervormde kerk bedriegelijk heeft gehandeld. Al lang. Al héél lang, helaas !
Men is gekomen met allerlei soepele bepalingen, maar onder de belofte, dat de leer der Herv. kerk zou worden gehandhaafd.
Men heeft proponents-formules opgesteld en belijdenisvragen, maar onder de belofte, dat men er voor zou waken, dat de fundamentstukken der Herv. leer niet zouden worden weggewerkt.
Men heeft gesproken van „geest en hoofdzaak" der leer maar onder de belofte, dat dit geenszins de vrijheid gaf dingen te leeren, die in strijd waren met de leer der Herv. kerk.
Zoo is men in 1816 begonnen, toen men de leer naar Gods Woord en naar de belijdenisschriften der Hervormde Kerk aanvaardde.
Zoo is men sinds 1816 voortgegaan, steeds zich aansluitend aan het voorgaande.
Zoo is onze Hervormde kerk confessioneel gebleven, hebbende een eigen belijdenis, met historische continuïteit, welke leer niet in geest en hoofdzaak mag worden verworpen of geschonden.
Wat gaan nu de modernen doen ?
Die zeggen, dat de Evangelieleer een andere is dan de kerkleer.
En de leer der kerk principieel verwerpend komen zij met de z.g.n. Evangelieleer, die in geen enkel voornaam punt met de leer der kerk overeenstemt.
Geest en hoofdzaak van de leer der kerk is o.a. de belijdenis aangaande de autoriteit van Gods Woord, de Drieëenheid, de Godheid van Christus, de verzoenende kracht van Christus' bloed enz. en zooals de belijdenisschriften der kerk dat omschrijven en in de formulieren van Doop en Avondmaal dat gevonden wordt, moet de moderne, de Vrijzinnig-Hervormde er niets van hebben. De beroepsbrief, de proponentsformule, de belijdenisvragen ontzeggen dan ook den Vrijzinnig-Hervormde het zedelijk recht zich bij de Hervormde kerk te voegen en bij die kerk te blijven : als zij b.v. ontkennen de opstanding van Christus uit den dood aan den morgen van den derden dag.
't Is waar, de kerk zelve in haar ongelukkige, allerdwaaste organisatie — welke spoedig het laatste greintje leven dat er in de Herv. kerk is overgebleven nog zal vermoorden als zij bestendigd wordt — heeft de praktijken van de Vrijzinnig-Hervormden beschermd en in de hand gewerkt.
Maar beroepsbrief. proponentsformule en belijdenisvragen, in het raam van de geschiedenis genomen — onder duizend verzekeringen toch gegeven, dat de Herv. kerk haar belijdenis niet losliet en niet verloochen wilde ! — zeggen bij voortduring, dat degenen die in geest en hoofdzaak verschillen met die leer der kerk geen recht hebben bij de kerk zich te voegen of bij de kerk te blijven.
Geest en hoofdzaak van de historische belijdenis — laat het dan niet om de letter, noch om een tittel of jota gaan ! — is gansch iets anders dan de moderne leert.
Is orthodox en modern het hierin eigenlijk niet roerend met elkander eens ?
En als het eerlijk is, dat in de Herv. kerk samenwonen, die het met Gods Heilig Woord en met de belijdenis der kerk in geest en hoofdzaak eens zijn, moesten degenen die in geest en hoofdzaak met de belijdenis en met het Woord verschillen heengaan.
Dan kunnen degenen, die op den bodem der confessie staan, hun plaats innemen.
Zal dat niet een eerlijke en mooie oplossing zijn ?

Stolwijk.
Stolwijk in Zuid-Holland is onder ons bekend als een van ouds moderne gemeente, waar de vrijzinnigen het heft in handen hadden en graag baas speelden. Maar de belangstelling voor de prediking heeft het bij de overheerschende partij nooit hooger kunnen brengen dan het vriespunt. Anderhalf mensch en een paardekop — zooals de spreekwijze wel luidt — kwam er des Zondags éénmaal in de kerk ; waarvan de collecten ook de sporen droegen. Maar men bleef de gemeente toch maar in vrijzinnige richting drijven en men scheepte de gemeente maar met vrijzinnige predikanten op — zich verder niet bekommerend om de dingen.
De rechtzinnigen, die voorstanders waren van de Gereformeerde waarheid, moesten intusschen maar in de evangelisatie vergaderen. Zij moesten maar voor zich zelf zorgen. En als men hun den voet dwars kon zetten; dan liet men het van vrijzinnige zijde niet na. Dat is u eenmaal „vrijzinnig"....
Intusschen is het nu spaak geloopen daar in de Herv. kerk te Stolwijk, zooals het in vrijzinnige gemeenten, met ene belangstelling van nul graden Celsius, nog wel meer spaak loopen zal. Wacht maar ! Wij gelooven niet, dat onze gegevens in deze foutief zijn.
De Hervormde domine Kanis heeft nu lang genoeg voor stoelen en banken gepreekt. Hij heeft nu lang genoeg honger geleden. Er is menig woordje over gevallen. Kerkeraad en Kerkvoogden heben er het hunne van gezegd, maar niets gedaan. En. nu is er geen Kerkeraad meer. De broeders zijn weggeloopen. En wat moeite men heeft gedaan, er waren geen liefhebbers voor de kerkeraadsbanken meer onder de vrijzinnigen. Wat zal een mensch zich ook druk maken !
Nu heeft zich de eigenaardigheid voor gedaan, dat het Classicaal Bestuur van Gouda gedaan heeft „wat des Kerkeraads is" en dat Bestuur heeft rechtzinnige menschen uitgenoodigd en benoemd tot kerkeraadslid, met gevolg, dat er weer een kerkeraad in de Ned. Herv, Gemeente van Stolwijk is, maar een rechtzinnige kerkeraad nu !
Toch wel zielig voor zoo'n vrijzinnige gemeente en voor zoo'n vrijzinnigen domine. Een bewijs van onvermogen, van armoede. Stumperig toch !....
Hoort hoe de moderne domine zelf gesproken heeft in het midden van de gemeente — nadat de rechtzinnige broeders ouderlingen en diakenen door Ds. Steenbeek van Bergambacht in hun ambt waren bevestigd.
Toen beklom Ds. Kanis den kansel en zei, dat de vrijzinnigen tot inkeer moesten komen en zich bewust worden van de schande, die zij over Stolwijk en de vrijzinnige partij hebben gebracht. Dat die inkeer spoedig zou komen verwachtte hij niet Hij gispte zeer sterk de karakterloosheid, het gemis aan verantwoordelijkheidsgevoel en het gebrek aan geldelijke offervaardigheid zijner partijgenooten. Als een levende aanklacht tegen hun lamlendigheid en zouteloosheid zou hij voortaan in hun midden verkeeren, levende met orthodoxe ouderlingen en diakenen.
Verder zei hij aan 't adres van de orthodoxen : dat hij die orthodoxe partij aan wie het eindelijk gelukt was, na jaren van moeizame inspanning, getuigend van haar godsdienstig leven en haar gehechtheid aan de kerk der vaderen, het bestuur in handen te krijgen, alleen dan zou kunnen respecteeren, wanneer zij zijne rechten zou erkennen om zich zonder broodzorgen geheel aan zijn geestelijke taak te kunnen wijden. Wilde men dat niet, dan zou hij van meetaf op den meest gespannen voet staan met den orthodoxen kerkeraad en de orthodoxe partij. Hij zou intusschen rustig afwachten de voorstellen, waarmede de orthodoxie tot hem zou komen.
Op de vraag, of hij nu eigenlijk niet heen moest gaan, antwoordde de moderne domine zelf : ik acht mij niet demissionair. Wat echter niet beteekende, dat hij wenschte te blijven.
Wij zouden zoo zeggen: waar de vrijzinnigen bewezen hebben, dat zij in Stolwijk niet in staat zijn, om de Kerk te regeeren en te verzorgen en waar ds. Kanis over die vrijzinnigen niet veel woorden van lof heeft gesproken, daar moest men nu een orthodoxen kerkeraad niet met een modernen domine laten zitten.
De vrijzinnigen hebben het recht verbeurd een domine van hun richting te hebben.
En de vrijzinnige domine moet voelen, dat Stolwijk nu een rechtzinnigen predikant noodig heeft.
Daarom moest de domine er maar niet lang over doen en maar in den kortst mogelijken tijd heengaan, opdat er een nieuwe toestand kan komen in Stolwijk.
Dan kan de evangelisatie worden gesloten.
En in de kerk komen weer menschen dan.
Dan is de zaak weer gezond.
Wij wenschen den broederen te Stolwijk wijsheid van Boven toe, opdat zij mogen weten, wat zij hebben te doen. En waar zij hebben bewezen de Kerk der Vaderen niet te willen loslaten en de Heere zoo ongedacht een heele wending heeft gegeven in den gang van zaken, daar hopen wij van ganscher harte, dat de Heere ook verder nu den weg mag effen maken en de moeilijkheden spoedig mogen opgelost worden.
Het is toch de Heere, die de harten der menschenkinderen neigt als waterbeken !
Wij zeggen zoo dikwijls : het kan niet ; het kan nooit!
Maar de Heere heeft maar te spreken en het is er, te gebieden en het staat er ! Hij laat niet varen de werken Zijner handen en Hij gedenkt Zijn verbond gestadig.
Een handje helpen ?
Wij willen een handje helpen. Den modernen domine van Stolwijk.
In Noord-Holland heeft Ilpendam en Warder zoo spoedig mogelijk een vrijzinnig domine noodig.
In Groningen : Kropswolde en Aduard.
In Friesland : St. Jacobi-Parochie, Hoorn op Terschelling, Peins en Zweins Olde en Nijeberkoop, Makkinga en Oosterwolde.
In Drenthe : Zweelo. Wij zeggen dat niet.
Maar de moderne rekenaar L. J. van ijk te Rijswijk (Z; H.) schreef dat imers onlangs in het weekblad voor de vrijz.-Hervormden.
Welnu, als de eene hand de andere wascht, zijn ze beide schoon.

Een lappendeken.
De Vrijzinnig-Hervormden hebben hun program weer eens gepubliceerd. Het luidt
„Laat iedere groep in onze Kerk, die een eigen kerkelijk en godsdienstig ideal nastreeft, zich afzonderlijk organiseeren naar eigen beginselen. Men kan zich dan geheel „uitleven", doen en laten, wat men wil, alléén er blijft een zeker verband door historisch geworden toestanden en tot gemeenschappelijk optreden als Volkskerk.
Zoo ontstaat als het ware een Ned. Hervormde kerk A., B. en C — meer letters zullen er wel niet noodig zijn. Is dit niet inderdaad de eenig-mogelijke oplossing ?
Over onderdeelen valt natuurlijk te praten, maar wat de algemeene lijn betreft, is dan deze oplossing niet de eenig mogelijke ? "
Aldus het „Weekblad voor de Vrijz. Hervormden".
Wij gaan hier nu niet op in. Wij onderstreepen alleen nu maar de woorden „tot gemeenschappelijk optreden als Volkskerk".
ledere groep vrij zich uitleven.
En dan samen „gemeenschappelijk optreden als Volkskerk".
Een mooie Volkskerk !
Wij dachten, dat hier gesproken moest worden van „een lappendeken".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's