Onze Liturgie.
III.
Naar Gods huis gaat Gods gemeente op den dag des Heeren en ook wel in de week, als er gelegenheid is. Naarstiglijk zal zij komen !
De onderlinge samenkomsten mogen immers niet veronachtzaamd, noch verwaarloosd worden !
Indien de gemeente het voorrecht heeft een luidklok te hebben roept deze op den stillen Zondagmorgen reeds van verre, dat 's Heeren dienst haar wacht. De Heere wil wonen in het midden Zijns volks en het volk mag naderen in des Heeren voorhoven.
Dan gaan de stammen, naar Gods naam genoemd derwaarts op, daar elk zich buigt voor het aangezichte des Heeren. die in Christus van Zijn gunst getuigt.
En geen wonder, dat op den schoonen Zondagmorgen het gezang gehoord wordt : „Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt : zie wij staan gereed, om naar Gods huis te gaan ; Kom, ga met ons en doe als wij ! Jeruzalem, dat ik bemin ! Wij treden uwe poorten in ; daar staan, o Godsstad ! onze voeten. Jeruzalem is wel gebouwd, wél saamgevoegd, wie haar beschouwt, zal haar voor 's Bouwheers kunstwerk groeten." (Psalm 122 : 1).
O ! schoone Zondagmorgen.
Het is goed, dat men den HEERE love met een psalm, een lied op den Sabbathdag !
Zoo zijn wij het kerkportaal door en treden Gods huis binnen. Wij zijn in de Vergadering van Gods gemeente !
Hoe moeten wij ons nu vóór den eigenlijken aanvang van den dienst gedragen ?
Want wij moeten niet te laat komen, wat oneerbiedig is en hinderlijk voor anderen, niet 't minst als de predikant reeds op stoel is. Wij moeten ook niet buiten blijven staan, om te rooken of te praten met Jan en Piet en Klaas over koetjes en kalfjes.
Nog minder moeten wij in het kerkgebouw ingaan, om daar te rooken of te praten. „Bewaar uwen voet, als gij ten huize uws Gods ingaat."
Op tijd, eerbiedig, moet de gansche gemeente zich neerzetten in Gods huis. Na thuis in stilte gebeden te hebben. Gods verborgen omgang vinden de vrienden des Heeren, bij wie de vreeze Gods in het harte woont. Zij zullen in het verborgen den sabbathszegen afsmeeken. En in Gods huis ingaande zullen zij met degenen die vergaderd zijn eerbiedig des Heeren aangezicht zoeken om mee daardoor te toonen, dat zij bezig mag zijn in het priesterlijk werk der gemeente, bijzonderlijk nu in stilte vragend om een zegen voor den Dienaar des WOords, voor de Opzieners, Armverzorgers, voor allen die zich in Gods huis vergaderd hebben, ook voor eigen ziel en huis een zegen vragend.
Terwijl de gemeente zoo op tijd en stil, eerbiedig en heilbegeerig in Gods huis samenkomt, een voor een zich begevend naar z'n bank of stoel, speelt zacht en eerbiedig 't orgel, bij voorkeur in den toonaard van het straks te zingen psalmvers. Alleen een feestdag eischt bijzondere feestklanken.
Terwijl de Dienaar des Woords met den Kerkeraad in de consistorie Gods aangezicht zoekt, om samen, ambtelijk te vragen om de werking des Geestes, die tot de vervulling van ieder ambt en in het bijzonder in den dienst des Woords zoo noodig is en terwijl de gemeente samenstroomt in 's Heeren huis, stil zich zettend ieder op z'n plaats (liefst familie bij familie, zonder door een man of vrouw met een busje te worden aangevallen) late zich gepast orgelspel hooren. Wat ons veel stichtelijker lijkt dan 't geen b.v. de Weselsche Synode van 1568 heeft voorgeschreven. Want die heeft gezegd : „dat er een of twee Capittelen eerst den volke voorgelezen worden, voor de Predikatiën, om de gemoederen door ijdel geklap niet te verstroyen."
Gods Woord dus een „rumoerdemper" ? — waarbij van de longen van den voorlezer wel wat veel gevergd wordt en waarbij het ijdel geklap toch niet voorkomen wordt dikwijls.
Daarom lijkt ons vóór den dienst gepast orgelspel 't best, waardoor ook het stil gebed niet verhinderd wordt.
Maar dan komen wij aan 't begin van den eigenlijken dienst en dus ook aan de eigenlijke liturgie of openlijke Godsvereering ; aan 't geen behoort tot onzen openbaren eeredienst.
Gewoonlijk is dan de voorlezer de man die begint.
Als die er is — of als in zijn plaats misschien de dienstdoende ouderling optreedt, geldt 't zelfde ~ zal die goed doen met ongeveer aldus aan te vangen: „laat ons onze harten stemmen voor den dienst des Heeren, door te zingen. Geen lange redeneeringen moeten er gehouden worden. Maar een enkel woord tot inleiding is wel op z'n plaats.
De vraag doet zich echter voor : staat dat eerste psalmgezang op die manier door den voorlezer opgegeven, niet buiten den dienst ? Want de dienst is dan toch eigenlijk nog niet begonnen ?
Evenals datzelfde gevraagd kan worden als de voorlezer vervolgens „afwerkt" (zooals hij 't zelf vaak noemt) door achtereenvolgens te lezen de Wet des Heeren en een gedeelte uit de Schrift ? Staat dat dan niet alles buiten den dienst daar de dienst nog niet begonnen is door hem, die de leiding van de samenkomst der gemeente heeft ?
En daarom verdient het aanbeveling, dat onder het spelen van het orgel de dienaar des Woords met den Kerkeraad binnen komt, waarna deze den dienst kan beginnen. In elke vergadering begint men immers pas als het bestuur gezeten is en de voorzitter heeft geopend. Waarom zou men dan in de kerk beginnen vóór het begin en de opening overlaten aan den voorlezer ?
Gewoonte. Niets dan gewoonte. Misschien om practische oorzaken alzoo ingezet. Om een "makkelijk" begin te hebben ? of omdat het zoo „vreemd" is dat er nog niet begonnen is voor de domine op stoel is ? Hoe 't zij — aanbevelenswaardig is het niet.
Daarom moet het begin van den eigenlijken dienst zijn het votum : dat is de plechtige wijding der samenkomst door den dienaar des Woords aan den Drieëenigen God.
Dit kan op verschillende manieren geschieden. De Dordtsche Synode van 1574 schreef voor, daarbij te gebruiken de woorden van Psalm 124 : 8 : „Onze hulpe staat in den naam des HEEREN, die hemel en aarde geschapen heeft" Amen.
Op dit votum, waarmee de samenkomst der gemeente gewijd is, volgt de zegen. De bedoeling dier zegenbede is duidelijk. Krachtens het ambt van 'sHeeren wege toevertrouwd, wordt door den dienstknecht des Heeren Zijn zegen afgebeden over de vergaderde gemeente. En votum en zegen onderscheiden daarin de samenkomst der gemeente van iedere andere vergadering, welke dan ook niet met votum en zegen begonnen moeten worden.
De groetzegen luidt gewoonlijk : „Genade zij u en vrede van God onzen Vader, van Jezus Christus onzen Heere, door den Heiligen Geest, Amen." Of, indien men enkel met de woorden der Schrift wil spreken : „Genade zij u en vrede van God onzen Vader en dien Heere Jezus Christus, Amen". (Zoo komt het in de 22 Zendbrieven overal voor : Rom. 1 : 7, 1 Cor 1 : 3, 2 Cor. 1 : 2, Gal. 1 : 3, Efeze 1 : 2, Pil. 1 : 2, Col. 1 : 2, 1 Thess. 1 : 1 enz.).
In het Rapport bovengenoemd — en daarvan deelen wij nu verder een en ander mee, wordt ook nog een andere vorm voor de zegenbede genoemd en wel : „Genade zij u en vrede van Hem, Die is en Die was en Die komen zal ; en van de zeven Geesten, die voor Zijnen troon zijn; en van Jezus Christus Die de getrouwe getuige is. de eerstgeborene uit de dooden en de Overste der Koningen der aarde, Amen." (Openbaringen 1 : 4, 5). Deputaten wenschen hier geen bindende bepaling ; zij stellen voor de keuze tusschen die twee aan den dienstdoenden liturg over te laten.
Wij voor ons kiezen het liefst de sobere, zeer zeker geheel Schriftuurlijke zegenbede : „Genade zij der gemeente en vrede van God onzen Vader, van Jezus Christus onzen Heere, door den Heiligen Geest, Amen." Hiermee is dan de aanvangsliturgie afgeloopen.
Na votum en zegen komt gewoonlijk het lezen van de Wet en het lezen van een Schriftgedeelte.
Het lezen van de Wet des Heeren is een oude Gereformeerde gewoonte. De Dordtsche Synode van 1574 schreef dit voor ; en bepaalde tevens dat het in de weekpredikatiën niet zal geschieden" (art. 44). Ook in de buitenlandsche kerken werd dit vastgesteld, soms met de bepaling, dat er na het lezen aanstonds een toepasselijke bede zou gezongen worden, staande, zittende of knielende ; of ook, dat tijdens het lezen der Tien Geboden de klok zou geluid worden (een overblijfsel van Rome !)
De bedoeling van het Wet-lezen is natuurlijk geene andere dan de gemeente iederen Sabbath te herinneren aan de kenbron harer ellende en aan den regel der dankbaarheid voor degenen, die een nieuw leven mogen kennen. Zóó opgevat is het een eerbiedwaardig gebruik, waarbij het geenszins past, om vóór de kerkdeur of in 't portaal te blijven staan rooken en praten. Heel wat beter is dan wat in: Frankrijk wel gewoonte was (is), om het voorlezen van de Tien Geboden zittend met gebogen hoofd aan te hooren. Het lezen der H. Schrift behoort zeer zeker rechtstreeks tot de bediening des Woords. Want dan wordt Gods Woord der gemeente aanstonds voorgelegd als de bron van alle waarheid en zonder eenige menschelijke toevoeging wordt de gemeente dan aan dat Woord voorgesteld.
Hier doet zich de vraag voor : moet de voorlezer 't Schriftgedeelte lezen of moet de liturg, moet de dienaar des Woords dit doen ? Gewoonte is veelal dat de voorlezer het doet.
Maar méér zin heeft het zeker, dat de predikant zelf dit werk verricht. Het ligt meer op zijn weg, dan dat het de roeping van den voorlezer zou wezen.
Gevraagd kan verder : wat moet gelezen worden ?
Er zijn kerken in het buitenland, waar een vast rooster bestaat van hoofdstukken, die op de opeenvolgende Zondagen worden gelezen. In andere kerken leest men de gansche Schrift in groote gedeelten achtereenvolgens voor. Bij geregeld kerkbezoek krijgt men zoo het geheel der Schriften te hooren.
Onder ons heerscht echter een andere gewoonte. En, naar wij meenen, gelukkig. Want ten eerste wordt in onze gezinnen nog Gods Woord geregeld gelezen, zoodat het des Zondags niet zoo noodig is, dat alle hoofdstukken achter elkaar worden gehoord, maar ten tweede gaat het verband tusschen het voorgelezen gedeelte der Schrift — als men een rooster volgt — en den tekst, die behandeld zal worden in de preek, geheel verloren. Bij ons zit dat éénheidsbegrip voor en daarom wordt onder ons bij voorkeur ter voorlezing zulk een Schriftgedeelte gekozen, dat óf de straks te behandelen tekst bevat óf dezelfde gedachte van den tekst ; dat in ieder geval inleidt tot de waarheid, die straks zal verkondigd worden. Dan wordt het lezen des Woords waarlijk voorbereiding tot het overdenken des Woords.
„Het is niet goed, dat alle handelingen in den eeredienst — behalve gezang en collecte — verricht worden door den dienaar des Woords", lezen we in het Rapport uitgebracht door de Deputaten door de Synode der Geref. Kerken benoemd. „De dienaar des Woords heeft de leiding van de vergadering, maar dit wil niet zeggen, dat hij alleen het woord voeren moet en alle anderen moeten zwijgen en luisteren". Als een van de liturgische beginselen wordt dus genoemd de gemeenschappelijkheid ; en uit kracht van dit beginsel wil men dan, dat de gemeente ook zelve werkzaam zal optreden o.a. in haar lied, maar ook b.v. doordat de voorlezing van de Wet en het uitspreken van de Geloofsbelijdenis door een ander dan de dienaar des Woords geschiedt.
En dan merkt het Rapport in verband met het voorlezen van de Wet dit op : „In de Heilige Wet des Heeren wordt der gemeente voorgehouden hoe zij als een volk Gods, dankbaar voor de verlossing, moet leven. Verneemt de geloovige den eisch van Gods Wet, dan ziet hij opnieuw zijn onvolkomenheid en afwijking, komt tot verootmoediging, belijdt zijn zonde en bidt om vergeving. Daarom moet in de liturgie op de Wet volgen de belijdenis van zonden."
Wat de Deputati Synodi daarmee bedoelen verklaren zij nader. Zij willen een belijdenis van zonden (en ook de verkondiging van vergeving, absolutie, daarna) invoegen, om historische redenen.
Want het is geen „nieuwigheid" wat zij willen.
Het is van ouds zoo geweest, hoewel later in verval geraakt.
Men wil dus terugkeeren tot de oude paden, tot de oorspronkelijke Gereformeerde liturgie.
Immers in de Straatsburger uitgave van Calvijns liturgie waren de schuldbelijdenis èn de verkondiging van vergeving opgenomen ; eveneens in de liturgie van a Lasoo. En in de eerste volledige editie van onze Nederl. liturgie, die van Datheen, uit het jaar 1566, staat : „Nadat men in de gemeente Christi des Zondags voormiddags de Tien Geboden Gods gelezen of gezongen heeft, neemt de kerkedienaar daaruit oorzaak de gemeente te vermanen tot boete en bekentenis harer overtredingen en te gelooven de evangelische beloften van Christus, dewelke beide hij met getuigenis der Schrift bewijst. Waarop hij den onboetvaardigen de straf Gods en den boetvaardigen geloovigen de genade Gods in Christus verkondigt".
Hier is dus sprake van de Wet des Heeren lezen óf zingen.
Daarna van opwekken tot schuldbelijdenis, met dreiging van straf en aanzeggen van vergeving.
Het zingen van de wet is onder ons vrijwel in onbruik geraakt; bij 't begin van de voormiddag godsdienstoefening wordt zij voorgelezen.
Maar na dat voorlezen, waarbij de Gemeente zich bij den aanvang geplaatst ziet voor het aangezicht van den heiligen God, moet zij gedrongen worden tot belijdenis van hare overtredingen. En in een eigen liturgische actie moet dan tot uiting komen, wat er in het harte omgaat.
Hoe ver staat de gemeente beneden den eisch der Wet ! Hoevele zijn de overtredingen ! En daarom eerst het lezen van de Wet (zooals a Lasco en Datheen (1566) willen), maar dan ook de schuldbelijdenis.
Die schuldbelijdenis worde gelezen door den dienaar des Woords, nadat de voorlezer de wet heeft doen hooren. En onmiddellijk na het „Amen" belijde de gemeente zelf hare zonden door te zingen het 6de vers van het berijmde gebed des Heeren.
De volgorde zou dus bij den aanvang van de godsdienstoefening zijn : Votum, zegen, lezen van de Wet — en daarna spreekt de Dienaar des Woords dan :
„Hemelsche Vader, eeuwige en barmhartige God, wij erkennen en belijden voor Uwe Goddelijke Majesteit, dat wij arme ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verdorvenheid, geneigd tot alle kwaad, en onnut tot eenig goed en dat wij met ons zondig leven zonder ophouden Uwe heilige geboden overtreden, waardoor wij Uwen toorn tegen ons verwekken en naar Uw rechtvaardig oordeel op ons laden de eeuwige verdoemenis. Maar, o Heere, wij hebben berouw en leedwezen, dat wij U vertoornd hebben ; wij beschuldigen onszelven en doen aanklacht van onze misdaden, begeerende dat Gij genadiglijk onze ellendigheid wilt aanzien. Wilt U over ons ontfermen o allergoedertierendste God en Vader en ons vergeven alle onze zonden om het heilig lijden van Uwen lieven Zoon Jezus Christus. Wil ons ook verleenen de genade Uws Heiligen Geestes, die ons leere onze ongerechtigheid van ganscher harte te erkennen en onszelven recht te mishagen opdat de zonde in ons moge gedood worden en wij in een nieuw leven weder opstaan, in hetwelk wij waarachtige vruchten der heiligheid en gerechtigheid voortbrengen, die U kunnen aangenaam zijn door Jezus Christus, onzen Heere, Amen."
Hierna zingt de gemeente : Vergeef ons onze schulden. Heer ; Wij schonden al te snood uw eer ; De boosheid kleeft ons altijd aan. wie onzer zou voor U bestaan. Had Jezus niet voor ons geleên ? Wij schelden kwijt, die ons misdeên. Gebed des Heeren : 6.
Daarna spreekt de dienaar des Woords aldus van vergeving der zonden (absolutie) :
„Allen, die oprecht berouw hebben over hunne zonden en hunne toevlucht nemen tot den eenigen Zaligmaker, Jezus Christus, verkondig ik de vergeving der zonden in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, Amen."
Men kan over deze dingen verschillend oordeelen ; men kan z'n bezwaren hebben, maar men kan niet zeggen, dat het nieuwigheden zijn, ook niet dat het on-Schriftuurlijk is, ook niet dat het in strijd is met onze belijdenisschriften.
Laat men eens lezen „een kort gebed voor de predikatie in de week", dan vindt men daar, in het eerste gedeelte, ondergebracht wat van ouds door Calvijn èn a Lasco èn Zwingli èn Datheen in hun liturgie was ingelascht. Dus oorspronkelijk stond het waar men het nu weer brengen wil, opdat de openlijke schuldbelijdenis, die door allierlei omstandigheid uit onzen eeredienst verdween weer terug kome.
Hebben onze groote Reformatoren niet beter begrepen dan men het nu dikwijls doet dat er in een gezamenlijk schuldbelijden na het lezen van de Wet, zoo groote beteekenis ligt ? En is het niet in schoone Bijbelsche taal, zoo echt gezond gereformeerd weergegeven, wat dan in het harte van Gods kinderen moet omgaan ?
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's