Stichtelijke overdenking.
En ik zag een grooten witten troon en Dengene die daarop zat. van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de dooden klein en groot staande voor God, en de boeken werden geopend ; en een ander boek werd geopend dat des levens is ; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was naar hunne werken. En de zee gaf de dooden die in haar waren en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren en zij werden geoordeeld een iegelijk naar hunne werken. En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs, dit is de tweede dood. En zoo iemand niet gevonden werd, geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. Openb. 20 : 11—15.
Het jongste Wereldgericht.
Johannes op Patmos — van de menschen verlaten — maar door den Heere op een bij zondere wijze begenadigd, waar hij opgetrokken werd in den derden hemel, en daar onuitsprekelijke dingen mocht zien. Eenzaam, doch met God gemeenzaam. Eenzaam, maar niet alleen, waar het den Heere beliefde, hem in te leiden in Zijne binnenkameren. Hij spreekt hier tot ons van den dag van 's Heeren komst ten oordeel, den dag, waarop de Heere luisterrijk zal verschijnen met zulk een majesteit dat hemel en aarde zich als voor Hem zullen verbergen. De dag, op welken alle dooden zullen verrijzen, ook die in de diepte der zeeën nederliggen en voor Zijn Rechterstoel zullen gesteld worden, waarop de boeken zullen worden geopend en al het verborgene aan het licht zal worden gebracht, een dag waarop een ieder geoordeeld zal worden — waarop daarna dood en graf voor eeuwig te niet zullen worden gedaan, terwijl de geweldhebber, de duivel, voor eeuwig in den poel des vuurs zal geworpen worden. — En wiens naam niet gevonden wordt in het boek des levens, zal naar het oord der eeuwige smart verwezen worden. Ook wij — persoonlijk — .zullen ook eenmaal in dat gericht staan. Ook over ons zal het oordeel gaan. En wee ons, indien onze naam niet staat in het boek des levens ; want dan zal ook voor ons 't vonnis luiden : eeuwig verwezen worden naar den poel des vuurs. Bovenstaande woorden wijzen ons op den Rechter, de rechtspraak en het vonnis.
Wie is de Rechter ? De Verhoogde Zoon des menschen, Gods Zoon, Wien God de Vader macht heeft gegeven om te oordeelen de levenden en de dooden. Johannes ziet den Heere zittende op een grooten witten troon. Gtoot en wit genoemd, als symbolen van de majesteit en heerlijkheid van den daarop gezeten Rechter. De blinkende Morgenster is verschenen op de wolken des hemels, op Wien als met ouden letteren geschreven staat : Koning der Koningen en Heere der Heeren. Ja Hij is gekomen, Die ter rechterhand Gods zat, dezelfde als weleer, doch toen een doornenkroon dragende, thans getooid met een lichten stralenkrans, toen moordenaren, thans hemellingen aan Zijne zijde, te voren omringd met een schare van spotters, die den gehangene aan het kruis niet met rust kunnen laten, thans echter aangestaard door een verbaasde en ontroerde menigte uit alle geslachten der aarde. De aarde en de hemel vloden en de dooden klein en groot worden voor den Rechter gedaagd. Dooden, uit den dood opgewekten, van allerlei rang en stand, rijken en armen, vorsten en onderdanen, jongen en ouden. Geen purper of kroon siert meer den vorst. Geen koninklijke staf is in zijn hand, geen lijfwacht omringt hem. Alle onderscheid is hier weggevallen. Hier staan ze als gelijken : de geleerde zoowel als de ongeletterde, de meester zoowel als de dienstknecht ; maar ook de spotter — zoowel als het volk des Heeren. Vaders en kinderen, leeraars en gemeenteleden, ouden en jongen, van allerlei geslacht, taal en natie. — Zoo zeker toch als wij allen leven, zoo zeker is het ook dat wij allen zullen sterven, en zoo onomstootelijk waar is het ook, dat wij allen zullen opstaan, en staan zullen voor den rechterstoel. De dood toch is geen vernietiging van ons bestaan, maar eene scheiding van den uit- en inwendigen mensch ; die scheiding zal voortduren totdat het bazuingeschal van den jongsten dag zal worden gehoord en allen die in de graven zijn, Zijne stem zullen hooren en uitgaan, die 't goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. Wanneer men dan tegen den naderende winter alles ziet verwelken en verdorren om in den lentetijd door de almacht des Heeren met vernieuwden groei te voorschijn te treden, toont het ons aan dat het herleven plaats heeft. Zoo ook met de menschenkinderen. Zij zullen worden opgewekt om dan geoordeeld te worden. Dringe die gedachte ons tot ernstig zelfonderzoek.
Ten 2de de rechtspraak. Gelijk voor een aardsche rechtbank de rechter uitspraak doet over den beklaagde die voor zijn gericht wordt gebracht en hen vrijspreekt of veroordeelt, zoo zal ook de hemelsche Rechter allen, die voor Zijn vierschaar gesteld worden, oordeelen. Ja, waar een aardsche rechter feilen kan, daar zal de Heere rechtvaardiglijk iin alle mogelijke opzichten kunnen oordeelen, omdat alle dingen voor Zijn oog naakt en geopend liggen.
De boeken werden geopend, die boeken n. l, waarin al de gedachten, woorden en daden der menschen staan opgeteekend. Vervolgens een ander boek werd geopend, dat des levens is. In dit laatste boek staan zij opgeteekend, door den Heere in eeuwige liefde gekend, diegenen, die God de Vader aan den Zoon gaf, en die deze kocht door Zijn dierbaar bloed, deze, voor welke de Hoogepriester pleit in het Hoogepriesterlijk gebed : die Gij Mij gegeven hebt. Diegenen, die de Heere in Zijne handpalmen heeft gegraveerd en voorgekend voor de grondlegging der wereld. O, de Rechter, Die hier optreedt, is geen kortzichtig mensch, die zich vergissen kan, neen, 't is de Alwetende Zelf, die naar recht en waarheid zal oordeelen. Steke men zijn hand in eigen boezem en vrage men zich met diepen ernst af : Hoe zal het ons dan zijn. Zal het wel met ons zijn ? Of zal groote angst het hart vervullen ? Het vonnis toch zal voor den één zijn vrijspraak van straf en daarna eeuwig geluk, voor den ander een vreeselijke straf en eeuwige smart.
3e. Het vonnis. Niet alleen de dooden, die in de graven waren, werden ten gerichte gedaagd, maar óók die in de zee lagen. Ook dat stof op den bodem der zee stond op. Nu is er geen plaats meer voor den dood en daarom verneemt de ziener, dat de dood en de hel, n.l. het doodenrijk van hun macht beroofd worden en in den poel des vuurs geworpen worden. Want evenmin er in den hemel de dood zal heerschen, evenmin zal in de plaats der eeuwige smart de dood gevonden worden ; ja, daar zal men den dood zoeken, maar niet vinden. Op den lichamelijken dood zal de tweede dood volgen voor degenen die niet in Christus geborgen zijn. Nu volgt de beslissing van den Rechter. Hij zal ze plaatsen — die verloren gaan aan Zijn linkerhand en die behouden worden aan Zijn rechterhand, om de eersten te verwijzen naar den poel des vuurs ; de laatsten naar de hemelsche heerlijkheid. Geen middenplaats alzoo, evenals er in den tijd der voorbereiding geen middenweg was.
Ook wij, ieder persoonlijk, zullen voor dat gericht staan. Ook over ons zal het vonnis gaan. Ook onze naam moet in het Boek des Levens staan, zal het ons eeuwig wèl zijn.
O, is ernstig zelfonderzoek dan niet noodig ? Van nature behooren wij den vorst der duisternis toe, daar wij in zonden ontvangen en geboren zijn, en indien wij niet wedergeboren worden, zullen wij voor eeuwig omkomen.
Staan ook onze namen in het Boek des Levens ?
Kunnen wij dat weten ?
Wij zullen dan door Gods genade onder het licht des Heiligen Geestes onszelf moeten leeren verfoeien vanwege onze zonden. Wij zullen dan ons als melaatschen en dood-kranken moeten hebben leeren kennen en den dood leeren schrijven op al onze werken, om onzen Rechter om genade te roepen. Ja, dan komt de Borg en Middelaar, Jezus Christus, ons begeerlijk voor, en de ziele zucht tot Hem : Och, Heere ! och, wierd mijn ziel door U gered. Redding is toch alleen mogelijk door een oprecht geloof, dat werk des Heiligen Geestes, in den eenigen Borg en Middelaar, Die in die ure des gerichts een Voorspraak is der Zijnen. Wee onzer, als wij zonder dien Borg voor de vierschaar zullen staan. Dan zal het zeker blijken : Mené Mené Tekel Upharsin : Gewogen, maar te licht bevonden.
En ik zag de dooden, klein en groot. Ook wij zullen sterven. Wie weet, hoe spoedig. Gelijk het gras is ons kortstondig leven. Ook kleinen kunnen weggenomen worden.
Zijt gij bereid den Heere te ontmoeten ? Want na het sterven, het oordeel. Dan wordt de plaats voor eeuwig aangewezen. En die niet staan geschreven in het Boek des Levens, zij worden verwezen naar het oord der eeuwige smart. En dat zijn zij, die onbekeerd sterven ; niet alleen de spotters, maar óók de schijn-vromen, de werkheiligen ; ook de bijna-Christenen. Och, bedenkt het. Nog is het de tijd der genade. Maar in het gericht zullen zij niet beschaamd uitkoomen, aan wie de Heere Zijne vrije genade verheerlijkt heeft, de gegevenen des Vaders, die gekochten door den Zoon, de kleinen op den weg der genade, dat gekrookte riet, maar ook de eikeboomen der gerechtigheid. Zij zullen ingaan in de rust, voor het volk van God weggelegd.
Och ! Zij het dan de bede : Heere ! mocht ook ik daar plaats vinden, al is het de kleinste plaats.
W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's