Uit het kerkelijk leven.
Beschouwing naast beschouwing inzake het vrouwenstemrecht in de Kerk.
III.
Wij moeten nu even zien in welk verband 1 Cor. 14 : 34 voorkomt. Paulus heeft het in het 14de hoofdstuk over de samenkomsten der gemeente te Corinthe, waarin het helaas ! niet in alle opzichten betamelijk en ordelijk toeging (vers 33 en 40).
Wat Paulus hier zegt over de samenkomsten, zoowel voor de huis-gemeenten als ook voor de grootere samenkomsten der gemeente, is allerbelangrijkst in vele opzichten ook voor ons. Maar Calvijn teekent er bij aan (vs. 35): „Ondertusschen moet de godzalige lezer opmerken, dat het middelmatige duigen zijn waarvan Paulus hier spreekt, waarin niets ongeoorloofd is, dan wat tegen de betamelijkheid en stichting strijdt". En hij zegt verder : „Er volgt niet noodzakelijk, dat latere gemeenten aan de inzettingen der vroegere moeten gebonden worden ; er zij begeerte naar stichting, er zij matigheid en voorzichtigheid en dan zal in de verscheidenheid der ceremoniën en gebruiken niets berispenswaardigs zijn."
Gelukkig dat Paulus, door den Heiligen Geest, alzoo heeft geschreven. En gelukkig, dat Calvijn het zoo ons nog eens nader komt uitleggen.
Want als wij zoo lezen, hoe Paulus zegt, dat het bij de samenkomsten moet toegaan, dan weten wij heel goed : zóó gaat het onder ons niet toe.
En als de verschillende secten ons daar verwijt van maken, komende met de verwerping van het ambt en met hun profetieën, gezangen, leeringen, gebeden — dan zeggen wij, dat wij onze samenkomsten toch niet ruilen willen voor hun vergaderingen !
Wat daar in Corinthe geschiedt, is dus iets, dat speciaal behoort tot de eerste gemeenten en wat dan in Corinthe nog weer op een heel bijzondere wijze in toepassing gebracht werd. Wie vers 26 tot 33 van het 14de hoofdstuk van den Isten brief leest, voelt dat aanstonds.
Daartusschen staan nu ook de bijzondere handelingen van sommige vrouwen. Een, twee, drie „profeten" spraken. Anderen spraken dan ook. Zij spraken door elkaar, wat onordelijk en onbetamelijk was, waarbij nu ook de vrouwen begonnen mee te profeteeren en mee te vragen en mee te debatteeren. Wat de verwarring nog grooter maakte en waarbij de vrouwen zich als uitzinnig aanstelden.
Vandaar dat Paulus komt met te zeggen: dat de geesten der profeten moeten onderworpen zijn ; en dat die vrouwen in de samenkomsten, bij het debatteeren en profeteeren den mond moeten houden, daar het schandelijk is. zooals zij optreden. Als ze dan wat te vragen hebben, om nog te willen leeren wat ze niet weten of begrijpen, laten ze 't geen zij niet begrepen hebben dan thuis met haren man bepraten.
Dat hier over het zich bewegen der vrouw in het algemeen, wat den dienst des Heeren betreft, geenszins gesproken wordt, is duidelijk voor ieder die 1 Cor. 14 leest. Ook is hier geen liturgie voor onzen tijd gegeven.
Wat wèl uitkomt, hier en overal, dat is : dat de vrouw onderworpen is en dat dit haar verhindert het publieke leer-ambt te hebben. „Het leerambt betaamt aan de vrouw niet : want indien zij leert zoo is zij over alle mannen en het betaamt, dat zij onderworpen is" schrijft Calvijn terecht.
Daarom moet de vrouw niet in het leerambt noch in het regeerambt optreden, opdat zij niet over de mannen heersche.
Dat geldt voor Corinthe en al de andere gemeenten. Hoe zij overigens in Gods huis en in Gods gemeente verkeeren moet is niet met de hier door Paulus gebruikte woorden zonder meer uitgemaakt.
Wij leggen hier dadelijk naast 1 Timotheus 2:8: Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting. Desgelijks ook, dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelve versieren, niet in vlechtingen des baars of goud of paarlen of kostelijke kleeding, maar ('t welk den vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. Een vrouw late zich leeren in stiiheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat ze leere, noch over den man heersche. maar wil dat ze in stilheid zij." Daar hebben wij eigenlijk dezelfde dingen als in 1 Cor. 14
De mannen baden, opheffende heilige handen. Dat moesten zij althans doen.
Maar daarbij kwam onder veel rumoer twisting en boosheid. Men begon — als de geesten der „profeten" niet onderworpen waren — met elkaar en tegen elkaar te debatteeren, te vechten zelfs. „Met toorn en met twisting" ging het soms toe in de samenkomsten. Waarbij de vrouwen zich oneerbaar kleedden en zich versierden met goud of paarlen en de haarvlechten gebruikten niet tot eere maar tot schande. In de huisgemeente en in de grootere samenkomsten der gemeente.
Dan schrijft Paulus. dat de vrouwen die „de godvruchtigheid belijden" zich zullen sieren door goede werken en dat zij zich niet zullen onteeren in het midden der samenkomsten, zooals helaas ! geschiedde, maar dat zij in stilheid haar weg zouden gaan.
Dezelfde Apostel, die in Rom. 16 Maria noemt „die veel voor ons gearbeid heeft" (vers 16) en Tryfena en Tryfosa „vrouwen die in den Heere arbeiden" en Persis „de beminde zuster die veel gearbeid heeft in den Heere" (vers 12) — diezelfde Apostel des Heeren roept dus in Corinthe — en voor andere gemeenten doet hij 't door middel van Timotheus — de vrouwen op, om zich toch niet te verlagen tot allerlei schandelijke, bewegelijke druktemakerij, waarbij zij schreeuwerig en oneerbaar zich tusschen de mannen bewegen en willen heerschen in de samenkomsten, — om liever in stilheid haar weg te gaan en zich te geven tot goede werken en de gemeente te dienen in het Evangelie. Ook, als 't uitkomt, in ootmoedigheid profeteerend (1 Cor. 11 : 5).
Ook hier dus weer ten slotte hetzelfde als In den Isten Corinthenbrief : „Paulus wil den vrouwen het leerambt verbieden, om daarin niet te heerschen over de mannen" — zegt Calvijn.
Leggen wij hier naast 1 Cor 11 : 5a: Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd", dan voelen wij ook hier, dat Paulus het niet heeft over en tegen vrouwen die bidden en profeteeren maar dat hij bepaalde oneerbare, onbetamelijke, weelderige, manhaftige dingen op 't oog heeft, om die te veroordeelen. Waarbij wij weer even herinneren aan 't woord van Calvijn : „Ondertusschen moet de godzalige lezer opmerken, dat het middelmatige dingen zijn, waarvan Paulus hier spreekt, waarin niets ongeoorloofd is, dan wat tegen de betamelijkheid en stichting strijdt ; terwijl hij verder zegt : „Er volgt niet noodzakelijk, dat latere gemeenten aan de inzettingen der vroegere moeten gebonden worden ; er zij begeerte naar stichting, er zij matigheid en voorzichtigheid : en dan zal in de verscheldenheid der ceremoniën en gebruiken niets berispenswaardigs zijn."
Wij zeggen deze dingen nog eens, omdat wij zoo lang en zoo dikwijls in kringen verkeerd hebben, waar de vrouwen altijd met een muts op 't hoofd moesten loopen en zitten, 't leek wel de vreeselijkste zonde, dat een vrouw met bloot hoofd liep. En wij hebben wel menschen ontmoet, die bezwaar hadden, dat een zuster der gemeente op de Zondagsschool vertelde en daar voorging ; wat men heelemaal niet goedvinden kon als die zuster der gemeente zonder hoed stond te vertellen en zonder hoed bad en dankte.
Och, arme !
Gelukkig, dat Calvijn voor de godzalige lezers andere dingen heeft geschreven. En die de kantteekeningen van den Statenbijbel naleest merkt ook wel, dat Paulus in 1 Cor.11 't niet zoozeer heeft over het profeteeren en het spreken naar het Woord door de vrouwen ; want de apostel verbiedt hier de zaak niet, maar alleen de wijze waarop het geschiedde keurde hij af. Gelijk b.v. Euodia en Syntyche door Paulus worden bestraft wegens haar „oneenigheid" maar geenszins omdat zij „met hem gestreden hebben in het Evangelie".
Wat ligt er een heerlijk werk voor onze vrouwen, ook in het midden der gemeente, 't zij op eigen initiatief, 't zij gekozen door de gemeente, zooals in de eerste Christengemeente wel gewoonte was.
Natuurlijk blijft bij dit alles waar, wat we lezen in 1 Tim. 2 : 15, dat „de vrouw zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in het geloof en liefde en heiligmaking met matigheid". En de Spreukendichter heeft de huisvrouw en moeder een onvergankelijke eerkroon gevlochten !
De Heere wijst ieders plaats wel aan ; en zooals Hij het doet is het goed. Daarbij geen verwijfde mannen en geen mamwijven ! !
Maar dat verandert aan de zaak toch niet, dat in de gemeente van Christus de vrouw in stilheid een heerlijke plaats kan innemen, daartoe van den Heere geroepen, ijverig in goede werken en medewerkster zijnde in den dienst der barmhartigheid en des Evangelies.
Aan de vrouw is toch niet geboden, zich uitsluitend binnen die muren van haar huisgezin te bewegen, daar zij als lidmate van de gemeente van Christus ook buiten haar huis zooveel vindt, dat zij niet missen kan en waarop haar hart zich moet zetten, óók tot voordeel en zegen van haar huisgezin, dat mee tot de gemeente behoort.
Zoo werd b.v. op het Convent te Wezel het volgende besluit genomen : „Op die plaatsen, waar dit gelegen zal komen, oordeelen wij, dat ook vrouwen van beproefd geloof en eerbaaren levenswandel en die van gevorderden leeftijd zijn, naar het voorbeeld der apostelen recht tot dit ambt (n.l. het diakenambt) kunnen aangenomen woonden." Wel is dit besluit te Middelburg op de Synode gewijzigd, maar de dienst van daartoe bekwame vrouwen bleef begeerd. En Koelman schrijft in zijn „Ambt en Plichten der Ouderlingen en Diakenen" : „Het is zeker, overmits wij hebben het apostolisch voorbeeld en de practijk van de Oude Kerk na de Apostelen, gelijk Voeitius dit toont, dat, waar het de tijden, plaatsen en zeden der menschen zoo kunnen lijden, in groote gemeenten, waar een groot aantal is van arme, zieke, kramende vrouwen, weduwen en zogende vrouwen, zulke diaconessen mogen gekozen worden als behulpsels van de diakenen en hun dienstig in de uitvoering van hun ambt."
Veel weten wij dus nu wat de vrouwen wel en wat de vrouwen niet mogen doen in de gemeente. Zij mogen alles doen, als zij maar dienen ; als zij maar geen autoriteit of gezag hebben, om te heerschen over de mannen. Overigens zijn zij in Christus één.
Daarom geen leer-of regeerambt.
Maar wel mogen zij de gemeente dienen in het Evangelie, in goede werken, 't zij gekozen zijnde of op eigen initiatief werkende.
En nu komt de vraag : mogen de vrouwen, de zusters der gemeente, als het gaat om de verkiezing van Ouderlingen en Diakenen of als er een beroeping van een predikant aan de orde is, ook namen noemen van mannen, met geestelijke gaven toegerust, die geschikt zouden zijn om in het ambt gekozen, de gemeente van Christus te dienen, tot opbouwing van het lichaam van Christus ?
Alles hangt er van af, of in het stemmen van de lidmaten een element van gezagsoefening ligt. Ligt er dat in, dan moeten de vrouwen zwijgen en liever in stilheid haren weg gaan, dan over de mannen te willen heerschen, 't geen de Heere niet toelaat, „want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva."
In zooverre is de zaak dus gemakkelijk.
Maar aangezien hier nog wel een en ander te zeggen valt wachten wij hier mee tot een volgend artikel.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's