Uit het kerkelijk leven.
De Classicale Vergaderingen.
Den laatsten Woensdag van Juni — dus nu Woensdag 27 Juni — worden alle Classicale Vergaderingen gehouden.
Men zorgt immers present te zijn, predikanten èn ouderlingen saam ? Laat ons ook in deze getrouw zijn, ook al zou er hier en daar iemand zijn, die zegt : „wat heb je aan al die vergaderingen". De Classicale Vergadering toch is de eenige keer in 't jaar, dat we kerkelijk samenkomen ; laat ons die gelegenheid gebruiken om te doen wat onze hand vindt om te doen.
Wij moeten dan ook acht geven op de Bestuursverkiezingen, zoowel waar 't gaat om leden van het Classicaal Bestuur alsook wanneer er plaatsen te vervullen zijn in het Provinciaal Kerkbestuur. Zeker ! er zijn allerlei redeneeringen in deze te houden, maar die de Kerk nog zooveel mogelijk willen vasthouden, zullen goed doen ook hier in den middellijken weg het goede voor haar te zoeken. En dan kan het van groot belang zijn, wie in de Kerkelijke Besturen zitten ; temeer waar de samenstelling van het ééne Bestuur dikwijls van 't grootste belang is voor de samenstelling van het andere Bestuur. (Denk maar aan het Prov. Kerkbestuur en de Synode). Dat men breken moet met de gewoonte, om altijd maar te laten zitten, die zit, wordt, naar we hopen, elk jaar aan meerderen duidelijk. Laat men in dien weg voortgaan ; het zal onze kerkelijke huishouding ten goede komen.
Na de Bestuursverkiezing krijgen we dit jaar heel wat Synodale voorstellen ter behandeling. Doch er is klein goed en er is groot werk bij. En gelukkig maar, want anders kwamen we niet Maar ditmaal. Temeer waar ook altijd behalve de Synodale schotels nog andere gerechten worden voorgedragen. Soms wel wat onbekookt, maar ze zijn er dan toch en ze kosten tijd van behandeling.
Wij beginnen bij 't „kleingoed." No. 2 van de synodale voorstellen is : de bepaling dat vertrekkende dominé's een catechlsantenliist moeten achterlaten. opdat de kerkeraad en de consulent wete, wie er zooal de catechisatie bezoeken. Wij vragen : waarom moeten zulke dingen in de kerkelijke wet van boven af worden voorgeschreven en opgelegd ? Kan men dat niet plaatselijk in orde maken ? Ons wetboek is toch al dik genoeg dachten wij. Wat de zaak zelf betreft, hebben wij tegen deze bepaling geen bezwaar. Goede orde wat het catechisatiewerk betreft is wel noodig. Maar misschien waren er nog wel belangrijker dingen, dan de namen van de catechisanten op een briefje te hebben. No. 3 wil : inperking van het geld, dat in vacaturetijd komt aan den Ring. Best. No. 4 wil : dat een dominé, die niet zelf de oorzaak is van het niet vervullen van een vacaturebeurt, geen geldelijk nadeel lijde. Wie zou daar tegen zijn ? No. 5 wil een bepaling geven, dat een dominé niet te lang buiten z'n gemeente vertoeft. Uitnemend. Waarom zou men het toelaten, dat een predikant een jaar op reis gaat, of 3 maanden weggaat ? Als er in deze misbruiken zijn, dan moet rnen er maar een stokje voor steken. Maar waarom heeft men nu niet getracht te regelen, dat een dominé recht krijgt op een behoorlijke vacantie, zooals b.v. de onderwijzers hebben? Om dan een onbezorgde vacantie te krijgen waar bij door de Kerk in de vacantiebeurten voorzien wordt. Nu kan een dominé een paar weken uitbreken, maar moet zelf voor plaatsvervangers zorgen, die hij ook nog betalen moet. Is dat op een kantoor ook ? Heeft één der vele Maatschappijen óók een dergelijke regeling ? Wij gelooven het niet. Daarom vinden wij het best, dat no. 5 aangenomen wordt, maar laten de ouderlingen op elke Classicale Vergadering een motie voorstellen, dat de predikanten recht hebben op een behoorlijke vacantie met vrijbeurten. De ouderlingen kunnen dat beter doen dan de predikanten, 't Lijkt anders misschien, dat de predikanten zulke egoïsten zijn ; al doen zij 't ook voor hun gezin, als zij deze dingen ter sprake brengen. No. 6 geeft een nadere bepaling inzake ligger-bepalingen. Nu maakt de kerkeraad den ligger op ; maar de kerkeraad kan geen waarborg geven voor de voldoening van datgene, wat op den ligger wordt toegezegd. Daarom moeten de kerkvoogden den ligger mee teekenen. Voorts moet op den ligger komen : a. de woning of vergoeding daarvoor ; b. het tractement, gegeven door het Rijk, de burgerlijke Gemeente of eenige andere corporatie ; c. de toelage van de Gemeente ; d. emolumenten. Persoonlijke toelagen mogen op den ligger niet voorkomen. Vooral bij vacature geeft dat groote moeilijkheden. Voor tractement moet dan minstens het minimum tractement worden genoemd; Het spreekt vanzelf, dat boven het minimum door de Gemeente mag worden uitbetaald. Zijn er pastoralia, die aan wisseling onderhevig zijn, dan moet 't minimum tractement worden gewaarborgd. Voor dispensatie moeten dan regelingen worden getroffen. Ons dunkt, dat tegen dit 6de voorstel wel allerlei is in te brengen, maar wij meenen, dat de voordeelen meer zijn dan de nadeelen, vooral daar de ligger een stuk is, dat voor den predikant de eenige veiligheid geeft tegenover kerkvoogden en kerkeraad. Waarom zou men deze zaak niet zoo goed mogelijk regelen, om daardoor zooveel mogelijk rust en veiligheid te schenken bii dingen, die geregeld moeten worden en dikwijls in den voortgang zooveel moeilijkheden en zooveel onaangenaams kunnen geven, juist als ze niet goed geregeld zijn. Beide partijen zijn bij een goede regeling gebaat. No. 7 wil een regeling maken in betrekking tot de practische vorming van onze a.s. predikanten en wel zóó, dat een candidaat tot den H. Dienst voortaan ook een bewijs zal moeten kunnen toonen, dat hij gedurende drie maanden zich practisch geoefemd heeft. Dit bewijs zal moeten worden afgegeven door den kerkelijk hoogleeraar. Moet die practische oefening van drie maanden nu ook geschieden onder leiding van dien hoogleeraar ? Neen, dat schijnt niet de bedoeling te zijn. De practische oefening in een of meer der werkzaambeden, die aan de predikanten zijn opgedragen, vgl. artikel 21 van het Reglement voor de Kerkeraden, kan zoowel vóór als na het proponentsexamen worden verricht. Wie kan nu predikanten dwingen een proponent „in dienst" te nemen ? En is drie maanden niet een te korten tijd, als men wat bereiken wil in deze richting ? Moet bovendien zooiets niet geheel vrij blijven ? Natuurlijk is er niemand die het in twijfel trekt of practische oefening voor een candidaat goed is. Maar hoe moet het geschieden ? En hoe kan een kerkeiijk hoogleeraar bewijs geven ? Wij voelen voor heel deze regeling een bitter klein beetje. No. 8 slaan we even over. Dan krijgen wij no. 9, dat wil, „dat de kerkeraad ieder jaar een begrooting zal maken van kosten voor het godsdienstonderwijs." Op de dorpen ook ? En wat moet er dan op komen staan? Misschien dat een dergelijk voorstel goed is voor plaatsen met meer dan één predikant. Maar ook dan zal het wel niet veel uithalen. Als kerkvoogden zorgen voor goede lokaliteit, vuur en licht, en er kan een goede inrichting van het lokaal komen, ja, dat zou je ware zijn ! In die richting te werken is noodig. Een beroep op de kerkvoogden dus, ook uit het midden van de Classicale Vergaderingen ! En voorts ja, een kerkeraadsbegrooting maar zal het meer dan een begrooting op papier worden? Wat de Synodale toelichting zegt: „De vraag, van waar het geld gevonden moet worden, kan op verschillendie wijzen worden beantwoord", lijkt ons een waarheid als een koe. Maar dergelijke reusachtige waarheden zijn soms heel moeilijk in de practijk. Het resultaat van die reusachtige waarheden is soms reusachtig klein.— hadden we haast gezegd. Doch genoeg. Wij zullen niet jubelen als no. 9 wordt aangenomen. Wij zullen er ook geen traan om laten als het keldert. Wij voor ons zullen vóórstemmen. No. 10 handelt over godsdienstonderwijzers in nieuw gestichte gemeenten. Er zal een nieuw artikel 11* in het Reglement op het Godsdienstonderwijs moeten worden ingevoegd ; om zoodoende godsdienstonderwijizers. die reeds tien jaar in nieuwgestichte gemeenten werkzaam zijn, een meer kerkelijke positie te geven. Het is verleden jaar reeds behandeld en nu belangrijk gewijzigd. Wij hopen hartelijk, dat èn in het belang van nieuwe gemeenten ên in het belang van de godsdienstonderwijzers, die zoo hard gewerkt hebben in nieuwe gemeenten, deze wetswijziging wordt aangenomen. Nu niet wijzigen meer — hoewel er misschien nog wel wat over te zeggen was — maar nu vaststellen ! Vóór, dus. No. 11 is een weglating in artikel 7c van het Reglement op het Examen, voortvloeiende uit het nieuwe Academische statuut. De toevoeging en omzetting in artikel 7c en Tb zijn ook noodig. No. 11 worde aangenomen !
Ter bespreking blijft nu nog over wat wij zouden willen noemen : het groote werk, n.l. het 1ste voorstel rakende „de Groote Synode" en het 8ste voorstel : een Reglement op het Hulppredikerschap.
Daarover dus nu nog een enkel woord.
De kwestie van „de Groote Synode" is niet van vandaag of gisteren. Al jaren terug is er over gesproken en in het jaar 1920 is door de Synode zelf de zaak eigenlijk beslist. Alleen vond men het noodig, rekening houdend met verschillende opmerkingen, een Commissie te benoemen, die alles nog eens zou nagaan, om dan een uitgewerkt plan ter tafel te brengen. Men is dus niet over één nacht ijs gegaan, maar de dingen zijn zoo goed mogelijk behandeld nu de Commissie, door de Synode van 1921 benoemd, bestond uit de heeren : dr. Weyland, prof. Aalders, ds. Van Paassen, mr. de Bie en ds. Van Grieken. Wat die Commissie ingediend heeft bij de Synode van 1922" is door de Synode met 11 tegen 7 stemmen (rechts tegenover links !) aangenomen en wordt nu voor afdoening andermaal aan het oordeel der Classicale Vergaderingen onderworpen.
De hoofdbeginselen en hoofdlijnen van het voorstel, dat natuurlijk een compromis moest, zijn, waarbij lievelingswenschen soms moesten worden losgelaten en uitgesteld, zijn als volgt :
Inplaats van de tegenwoordige Synode van 19 leden, gekozen door de Provinciale Kerkbesturen — een echte „getrapte" verkiezing dus — komt er een van 45, naar het getal der 44 classes plus de Waalsche Commissie, gekozen door en uit de classes. Van die 45 zijn 30 predikanten en 15 ouderlingen of oudouderlingen. Volgens een vasten rooster krijgt een classis nu eens een predikant, dan weer een ouderling af te vaardigen, waardoor variatie in de Synode op gepaste wijze als vanzelf komt. De leden hebben 6 jaar zitting. Inplaats van 2 komen 3 kerkelijke hoogleeraren, uit elke academiestad één. Ook kunnen, wanneer dergelijke zaken behandeld worden, afgevaardigden van corporaties (Zending, werk van barmhartigheid, onderwijs, enz.) uitgenoodigd worden.
De gewone Synodale vergadering wordt elke twee jaar te 's Gravenhage gehouden, aanvangende op den derden Dinsdag in de maand Augustus. De Synode, die vertegenvoordigend, besturend en rechtsprekend lichaam is, houdt in eigen hand de wetgeving, de benoeming van professoren en synodale ambtenaren (secretaris en quaestor-generaal) en de beraadslaging en beslissing over wat den bloei der Kerk betreft.
De rechtspraak wordt grootendeels overgedragen aan een Commissie voor de rechtspraak, bestaande uit 5 Synodeleden, gekozen voor twee jaar, maar herkiesbaar.
Wanneer men op die twee feiten let : om de twee jaar. vergaderen van de Synode en het werk van de Commissie voor de rechtspraak, zal men moeilijk kunnen zeggen, dat dit niet een belangrijk voordeel en een groote verbetering ten opzichte van de kerkelijke wetgeving is. Vooral ook als men er acht op slaat welke maatregelen dienaangaande zijn genomen ; en wel : voorstellen inzake algemeen bindende Reglementen worden gesteld in handen van de Commissie, die functioneert als de Synode niet vergadert en die ze nader voorbereidt. Zij zendt ze daartoe aan de Classicale Vergadering en Provinciale Kerkbesturen om consideratie en advies. De Classicale Vergaderingen behandelen deze voorstellen in hare voorjaarsvergadering (we krijgen voortaan twee Classicale Vergaderingen) en zenden hare consideraties vóór 15 April aan het Provinciaal Kerkbestuur, waaronder ze ressorteeren. Het Provinciaal Kerkbestuur verzamelt deze consideraties en zendt ze met eigen beschouwingen vóór 1 Juni aan de Commissie voor de wetgeving. Deze brengt de voorstellen met de ingekomen consideraties en adviezen door bemiddeling van de Synodale Commissie voor 1 Juli hij de Synode over. Indien het daar aangenomen is, wordt het als finaal aangenomen door de Synodale Commissie uitgevaardigd. Als 'de Kerk de voorstellen dus behandeld heeft, krijgt de Synode deze zaken voortaan maar ééns te behandelen en de eindstemming door de leden der Provinciale Kerkbesturen vervalt.
Wij gelooven niet, dat iemand dezen gang van zaken niet een veel betere, meer normale en vluggere manier van handelen zal noemien dan de wijze waarop nu gehandeld wordt!
Aan de Commissie voor de rechtspraak, die zal bestaan uit 5 leden, wordt een deel van de rechtspraak opgedragen, die thans bij de Synode berust. Hierdoor wordt de arbeid van deze verlioht en iets bereikt, wat reeds lang gewenscht is met het oog op een goede rechtspraak.
Voor de nieuwe regeling worden twee gewone Classicale Vergaderingen noodig geoordeeld, een in Maart en een in October. In de Maart-vergadering zullen de consideraties worden gegeven ; in de October-vergadering hebben de benoemingen plaats, wordt overwogen, welke voorstellen bij de Synode zullen worden ingediend en wordt kennis genomen van het verslag, dat het lid der Synode geeft van de belangrijkste handelingen der Synode.
Dat wij nu twee Classicale Vergaderingen per jaar krijgen, kan tegelijk bevorderen, dat er, zonder dat er buitengewone vergaderingen worden uitgeschreven — waar toch niet veel van kwam — D.u veel meer dingen, rakende het kerkelijk leveiL. kunnen worden besproken ; wat zeer wenschelijk is.
De besturende macht heeft de Synode voor een groot deel overgedragen aan de Algemeene Synodale Commissie, die uit haar midden voor den tijd van twee jaar wordt benoemd, herkiesbaar is, wat grooter wordt dan tegenwoordig (11 leden) en geregeld vergadert. Dat zal voor het financieel beheer waarschijnlijk veel vereenvoudiging kunnen geven en de voorbereiding voor de wetgeving in de hand werken ; te meer waar voor dit laatste uit haar midden drie leden speciaal zullen worden aangewezen.
Van alle kanten wordt gelukkig beweerd, dat het nieuwe voorstel veel groote verbeteringen brengt. Zelfs ds. Eilerts de Haan, een (moderne) tegenstander overigens, schrijft: „Wij willen aanstonds erkennen, dat verschillende bezwaren, die wij tegen het vorige voorstel inzake de groote Synode hadden, bij het nieuwe zijn ondervangen."
Gelukkig !
Ongetwijfeld zal er meer contact tusschen de Kerk en de Synode komen. Tegenspreken hiervan lijkt ons altijd, wonderlijk, om geen ander woord te gebruiken. Ook al zou men méér willen hebben, kan men toch niet ontkennen, dat hier een groote vooruitgang in die richting is. Zal men dan het aanmerkelijk „betere" verwerpen, omdat men het in eigen oog „beste" niet bereiken kan ? Bij de modernen zit natuurlijk voor : vrees, groote vrees voor verlies aan invloed aan hun kant en vrees, groote vrees voor toenemenden invloed der reohtsche en uiterst reohtsche richtingen.
Wat de „duurte" van de groote Synode betreft is veel nu ondervangen, door het om de twee jaar vergaderen. Ulit een omslag van ƒ 6.— per predikantsplaats zullen, naar berekening, de „enorme" kosten — waarover de modernen het altijd hebben als schrikbeeld — kunnen bestreden worden.
Of er tegen de bepalingen van het voorstel, zooals het er nu ligt, geen bezwaren zijn in te brengen ? Of er geen opmerkingen te maken zijn ? Of er geen verbeteringen zijn aan te brengen ? Natuurlijk. Maar welk bestek en welke teekening van een huis, school of Kerk is volmaakt ? Blijven er geen wenschen over altijd ? En als men gebouwd heeft, zegt men dan niet telkens : jammer, dat wij dit niet zus en dat niet zóó hebben gedaan ! Maar bouwt men daarom niet? Blijft men daarom altijd met bestek en teekening en een potlood zitten, zonder tot bouwen te besluiten, niets anders doende dan critiek oefenen ?
Wij gelooven, dat men verstandig zal doen het voorstel, zooals het er ligt, nu aan te nemen. De tijd zal dan wel leeren, wat er gewijzigd, bijgeschaafd en verbeterd moet worden. Terwijl wij immers er van overtuigd zijn, dat het een groote verbetering zal zijn, als de Synode van thans, die ook voor de toekomst als Synode van 19 leden machteloos is, vervangen wordt door een Synode, gekozen door de Classicale Vergaderingen.
Wij adviseeren dan ook met grooten emst : aannemen !
Nu nog een enkel woord over no. 8 der Synodale voorstellen, n.l. het Reglement op het Hulppredikerschap.
Het 8e voorstel is : een nieuw Reglement op het Hulppredikerschap. " Men heeft deze zaak opnieuw willen regelen, maar het komt ons voor, dat men nog lang niet klaar was met de verzameling en de ordening van de stof, toen men al een nieuw reglement ging in elkaar zetten. Wij.kunnen dan ook onze stem niet geven aan dit 8ste voorstel en wij hopen, dat men er overal zoo over denkt, opdat 't door de Kerk verworpen wordt. Allerlei dingen hebben zich voor den geest geplaatst van de Synode. Er kunnen werkkrachten gebruikt worden. Maar wie en hoe ? Aan de candidaten is gedacht, aan de vrouw is gedacht, aan den godsdienstonderwijzer - evangelist, aan de rustende Zendelingen, aan hulppredikers, aan emeriti en nu is men gaan door elkaar gooien, naar onze meening, met gevolg, dat men iets onbruikbaars heeft gekregen, dat door den een om deze oorzaak en door den ander om een andere reden zal worden verworpen.
De grondgedachte is goed : dat in het gebrek aan werkkrachten op het terrein, waarvoor de predikanten zijn aangewezen, moet worden voorzien door de aanstelling van hulpkrachten. Maar natuurlijk is dat dadelijk al moeilijk om 't uit te werken. Die hulpkrachten mogen geen predikant zijn (als zoodanig), want het moeten hulpkrachten zijn. Maar voor hulpkrachten op dat terrein kan men niet alles gebruiken. Daarom wil men b.v. een godsdienstonderwijzer die een trapje hooger staat in ontwikkeling, en die een Fransch óf Duitsch boek moet kunnen lezen, (en die twee jaar „geoefend" moet hebben ; waar en voor wie wordt niet gezegd). De Zendelingen, die naar 't vaderland zijn teruggekomen om dat ze in Indië niet gezond zijn — en hier voor de Zendingsvereenigingen financieel een belangrijken post vormen op de lijst van uitgaven — wil men gebruiken gaan. Maar hoe ? De opleiding is niet zóó, dat zij als predikant kunnen optreden ; ook moet voor misbruiken gewaakt worden, dat men niet over Indië naar de Nederlandsche pastorie reist, zooals men vroeger wel over Amerika naar Holland terugkwam, om daar dan al spoedig dominé te spelen. Voor alles moet een weg van orde zijn en alle dingen moeten eerlijk geschieden ! Dus dan als hulpprediker ? Wij, voor ons, hebben hier nog al bezwaren. Maar daar zou over gesproken kunnen worden. Daarbij is nu ook gevraagd : Kan de vrouw niet gebruikt worden als hulpkracht ? Dat alles is verwerkt in een nieuw Reglement ; met wijzigingen in andere reglementen (voor de vrouw is b.v. een wijziging voorgesteld in art. 7a van het Reglement op het Examen („het kerkelijk voorbereidend examen") om daar in te voegen , hetzij mannelijke, hetzij vrouwelijke, enz.) ; en dat maakt, dat het voor ons onaannemelijk is geworden.
Het spijt ons wel, dat wij dat zoo zeggen moeten. Maar die godsdienstonderwijzers, die wat Fransch of Duitsch moeten leeren en twee jaar moeten „oefenen" en dan boven hun collega's godsdienstonderwijzers zóóver uitsteken als een hulpprediker gaat boven een godsdienstonderwijzer; die kwestie van de vrouwelijke hulppredikers en de regeling ten opzichte van de oud-Zendelingen, kunnen wij niet gelukkig noemen.
Wij zullen dus tegen stemmen.
Ons adres aan de Synode inzake het vrouwenstem recht in de Kerk.
Zooals men weet, heeft het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond een adres aan de Synode verzonden, waarvoor aan de Classicale Vergaderingen adhaesie is gevraagd. In ons adres hebben wij als voorbeeld, boe dergelijke dingen plaatselijk en afzonderlijk goregeld kunnen worden, genoemd wat pas in Hilversum is geschied onder leiding van het College van Kerkvoogden.
Nu heeft men gezegd: dat is een zaak van Beheer, en daar kan zooiets wel. Maar de kwestie in ons adres aan de orde gesteld, zegt men, raakt niet het Beheer, maar het Bestuur, en, zoo zegt men, op het terrein van onze Kerkregeering. op het terrein van het Bestuur, kan zoo'n regeling niet getroffen worden, dat de eene gemeente een andere regeling heeft dan de andere ; daar moet het alles gelijk zijn !
Wat blieft u ?
En waarom heeft Zeist dan een kiescollege en Utrecht niet ?
Omdat dit aan de plaatselijke gemeente is overgelaten om er zelf, eens in de tien jaar, over te beslissen.
Zooiets zouden wij oök inzake het vrouwenstemrecht in de Kerk willen hebben, n.l. dat het aan de plaatselijke gemeente werd overgelaten al of niet aan de vrouwen het stemrecht te verleenen.
Of wij niet liever heel dat vrouwenstemrecht weg willen hebben ?
Natuurlijk. Dat hebben wij ook in ons adres staan. En kan men dat verkrijgen — als 't vèrststrekkende voorstel — dan zal het ons verheugen.
Maar wij hebben ook een klein beetje niet de werkelijkheid gerekend en omdat wij er zóó over denken, dat een half ei beter is dan een ledige dop, en dat het beste niet de vijand van het betere moet zijn, hebben wij ons adres zóó ingericht als het er ligt.
Alleen zullen wij nu, nu in de Pers de opmerking gemaakt is, dat het voorbeeld van Hilversum de kwestie van het Beheer raakt, tot nadere ondersteuning van ons verzoek ook de kwestie van het Kiescollege in de toelichting opnemen.
Wil men, bij mogelijke tegenkanting op de Classicale Vergadering, ook aan deze kwestie denken ter verdediging ?
Het Reglement op de Predikantstractementen.
Ook de heeren van het Convent geven niet het advies aan de Kerkeraden : weigeren ! Althans zoo hebben zij ons stellig verzekerd. Waarover wij ons hartelijk verheugen. Het zou ook niet verstandig zijn trouwens, zulk een advies te geven. Ook onverantwoordelijk.
Maar dat legt ons dan tegelijk den plicht op, om dat Reglement, waartegen nog al bezwaren zijn, zoo goed mogelijk te maken. De heeren dr. Locher, van Leiden ; ds. Binsbergen, van Leerbroek; ds .Grootjans, van De Meern ; de heer Henkemans, van Den Haag ; ds. Den Hertog, van Rotterdam ; ds. Van Ingen, van Harderwijk ; ds. Jellema, van Wageningen ; ds. Jongebreur, van Veenendaal ; dr. Olthuis, van Rotterdam en ds. Van der Snoek, van Kralingen — voorwaar een illustre gezelschap, dat ons vertrouwen waard is — hebben een poging gewaagd om een aantal verbeteringen in elkaar te zetten, waarvan het resultaat is gepubliceerd en aan de Classicale Vergaderingen, is toegezonden ter bespreking, om alzoo uit de Kerk zelve een verzoek aan de Synode te doen, tot verbetering van bedoeld Reglement.
Onze eerste indruk, toen wij het stuk lazen, was : een knap stuk werk. Die dat gemaakt heeft zit wel in de dingen in ! En wij gelooven, dat men goed zal doen, om met dit voorstel ernstig rekening te houden. Van de bespreking van dit stuk op de Classicale Vergadering verwachten wij niet veel, tenzij er iemand is die er in zit en die het kort en krachtig weet duidelijk te maken aan de broederen.
Mogen wij, aan de hand van het stuk. een paar dingen naar voren brengen ?
Ie. De aanslagen van den Raad van Beheer wekken bij velen de gedachte aan willekeur. Men weet niet, volgens welken regel men aangeslagen wordt. Dat geeft veel ontevredenheid.
Nu is in dit stuk een weg gewezen om regels voor den aanslag bij kerkelijke wet vast te stellen.
Nu staat er in de wet, dat de gemeenten „naar draagkracht" worden aangeslagen. Maar dat geeft geen waarborg. Wat is „naar draagkracht" ? Waarom soms de eene stad veel meer dan de andere stad ?
Een objectieve maatstaf moet in het Reglement worden aangegeven. Het voorstel, dat nu ter tafel ligt, geeft een model van zulk een vasten regel.
2e. Is ook deze cardinale fout, die nu in het Reglement voorkomt, verbeterd : de bezoldiging van eigen predikant en steun aan andere gemeenten moet niet op één lijn worden gesteld.
Vele gemeenten spannen zich in hei geheel niet in en trekken toch de voordeelen van andere, waaronder gemeenten, die zich tot het uiterste inspannen. Dien misstand wil men wegnemen door nader te bepalen, wanneer men ondersteuning kan vragen en wanneer men ondersteuning moet verleenen. Daarvoor zijn dan twee kassen genomen : die voor de uitkeering naar dienstjaren en kinderen en die voor hulpbetoon.
De eerste gaat zóó — en dat is billijk — dat het totaal voor het aantal dienstjaren en kinderen (een zaak, die al de gemeenten raakt) over héél de Kerk wordt omgeslagen, waarbij, al de gemeen ten lasten en al de gemeenten lusten hebben. De bijdrage wordt dan berekend — en dat is reëel — naar het aantal predikantsplaatsen welke een gemeente heeft.
Dat zijn dus de twee kassen : A voor de predikantstractementen (en wel voor 't geen boven het minimum komt voor dienstjaren en kinderen) en B. de kas voor de minder-gegoede gemeenten (hulpbetoon).
De gemeenten die minimum tractement en aanslag voor dienstjaren en kindergelden niet kunnen bijeenbrengen uit eigen middelen (waarvoor vaste regels zijn aangegeven) moeten geholpen worden door die gemeenten, die overvloed hebben (dus niet door alle gemeenten, maar door dezulke die het doen kunnen, waarvoor ook vaste regels zijn gegeven)
3. Zullen voortaan de Classicale Besturen advies hebben te geven voor de aanslagen en voor de toelagen. 'Die Besturen zijn het best on de hoogte van de draagkracht van de gemeenten in eigen ressort.
4. Is het wenschelijk, dat niet de kerkvoogden maar de kerkeraad de corporatie is, waarmee in deze dingen de Raad van Beheer onderhandelt. Voor die aanslagen is dan advies van het Classicaal Bestuur gewenscht.
5. Wordt nader geregeld het recht van den prediikant op uitkeeringen, waar bij weer vaste regels worden aangegeven ook voor 't geval, dat er niet genoeg om uit te keeren in kas is.
6. Is de verhouiding van de groote gemeenten en de kleine gemeenten (stad en platteland) veel beter geregeld.
Overzien wil een en ander, dan kunnen wij niet anders zeggen, dan dat wij hartelijk hopen, dat dit voorstel van dr. Locher, ds. Binsbergen en anderen, zoo als het er ligt, wordt aangenomen.
Laat men de 6 hoofdlijnen door ons genoemd — er zou nog meer te noemen zijn, maar juist om duidelijk en overzichtelijk te zijn doen wij het niet — in 't oog houden. En het zou ons zéér tegen vallen, als men niet eenparig getuigde : hier ligt een veel betere weg, dan wij nu hebben.
Laat ons ook hier het betere grijpen, als 't te grijpen is. En het niet verwerpen omdat wij zoogenaamd nóg iets beters willen hebben.
Dank aan de voorstellers.
Het voorstel van de Vrijzinnigen.
De „Nieuwe Rotterdamsche Courant" wil er ons op voorbereiden, dat, hoewel het niet op ónze Classicale agenda staat er van de Vrijzinnig Hervormden een voorstel inzake den modus-vivendi ter tafel komt; omdat men daar een dergelijk voorstel „onverwijld" bij de Synode wil indienen.
Wij gelooven niet, dat de Vrijzinnig Hervormden met een dergelijk voorstel zullen komen nu. Wij zouden het tenminste „voorbarig" achten, als zij het deden. Maar ingeval dat zij het doen, hopen wij, dat er op onze Classicale Vergaderingen geantwoord zal worden, dat wij niet zullen medewerken om in onze dorpen en in onze stadsgemeenten officieel de modernen te gaan erkennen en dat wij geen hand zullen uitsteken om ze in onze dorpen en steden officieel predikanten, preekbeurten, doopsbediening en avondmaalsbediening te geven; dat wij er niets voor voelen, dat wij officieel een moderne Kerk krijgen in onze Hervormde Kerk en dat wij alzoo hun voorstel inzake den modus-vivendl niet kunnen steunen, maar zoolang mogelijk zullen bestrijden.
Hoe kan Rotterdam, Veenendaal, Leiden, Zeist, Ermelo, Harderwijk, Arnhem, Ameide, Schoonhoven, Putten, enz. enz. adhaesie betuigen aan zulk een voorstel.
Als men de Hervormde Kerk om hals wil helpen, dan moet men den weg van den modus-vivendi opgaan. Dan blijven Jan-en-Alleman nog wat ; en degenen, die voor Schrift, belijdenis en Kerk voelen, die gaan heen en zoeken ergens anders een onderkomen.
Wie voelt nog wat voor een Kerk — ja, wèl voor een Kerk, die krank is — maar immers niet voor een Kerk, die officieel zegt : ieder wat wils !
De samensteliing der Synode.
Woensdag 18 Juli a.s. vergadert de Synode weer, Javastraat 100, 's Gravenhage. Zij zal — éën derde van de leden treedt jaarlijks af — als volgt zijn samengesteld :
voor Gelderland hebben zitting : W. Stoel, predikant te Bemmel en J. Barbas predikant te Hengelo ;
voor Zuid-Holland : dr. H. Schokking, predikant te 's Gravenhage en J. Sneep, ouderling te Numansdorp ;
voor Noord-Holland : C. J. van Paassen, predikant te Haarlem en D. Eilerts de Haan, predikant te Heiloo ;
voor Zeeland: dr. G. J. Weyland, predikant te Veere en P. Landsman, ouderling te Vlissingen ;
voor Utrecht : ds. P. Bongers te Kamerik.
voor Friesland : D. Zoete, predikant te Lemmer en H. M. Tromp, oud-ouderling te Sneek ;
voor Overijssel: A. de Haan, predikant te Zwolle ;
voor Groningen : F. Tammens, predikant te Zuidbroek en J. H. Voerman, ouderling te Groningen ;
voor Noord-Brabant met Limburg : dr. C. F, M. Deeleman, predikant te Grevenbicht ;
voor Drenthe : W. J. Wagter, predikant te Koekange en H. C. C. Franck, ouderling te Veenhuizen ;
voor de Waalsche Kerken : G. E. M. Picard, predikant te Arnhem en mr. H. J. M. Tijssens, oud-ouderling te 's Gravenhage.
Van de Kenkelijke Hoogleeraren hebben zitting : dr. L. Knappert en dr. W. J. Aalders
Wat ons weer moet opvallen, is het feit, dat als vertegenwoordigers van het miniem klein, onbeteekenend aantal Waalsche Kerken, die saam zoo groot zijn als een dorpsgemeente, niet minder dan twee afgevaardigden in de Synode zitten. Die twee moderne heeren (want er komt nog bij, dat ze modern zijn) zullen dus weer mee helpen beslissen in dingen, die de Waalsche Kerken eigenlijk totaal niet aangaan en die over de Hervormde Kerk in haar geheel, niet zelden door de stem van de Walen !! allerlei onaangenaamheden brengen, die de Walen dan met hun pink zelfs niet aanraken.
Wanneer zullen die heeren eens gaan gevoelen, dat zij het zedelijk recht missen om in tal van dingen een beslissende stem uit te brengen ? Waarom gaan zij niet vrijwillig terug tot de plaats waar zij in 1923 hooren ?
Een beroep op historische rechten is een beroep op iets dat verouderd is en totaal uit den tijd — en zulk een beroep op 't geen geen recht van bestaan meer heeft mogen wij bij zulke vooruitstrevende menschen als de modernen zijn, zelfs niet veronderstellen. Daar zijn zij veel te veel menschen voor van hun tijd, die van een versteeningsproces veel te veel afkeer hebben !
Wat overigens de samenstelling betreft, zullen de verhoudingen zijn : 6 vrijzinnigen en 13 rechtzinnigen. De vrijzinnige leden zijn : voor Noord-Holland ds. Eilerts de Haan; voor Groningen ds. Tammens; voor Noord-Brabant len Limburg ds. Deeleman ; voor Drenthe ouderling Franck en dan de twee Waalsche heeren. Van de Kerkelijke Hoogleeraren is prof. Knappert vrijizinnig en prof. Aalders reohtzinnig.
De verhouding is dus, wal vrijzinnig en rechtzinnig betreft, niet ongunstig. Zij 't een profetie van goede dingen, die tot zegen zijn voor de Kerk onzer Vaderen, die alleen maar leven kan bij de belijdenis van den Christus der Schriften, het eeuwig fundament van Gods Gemeente van alle plaatsen en alle tijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's