Stichtelijke overdenking.
Maar één ding is noodig. Lukas 10 : 42a.
„Eén ding is noodig".
Wat wordt dit woord, door den Heere Jezus in het godvruchtige huisgezin te Bethanie gesproken, toch vergeten ! Indien daar eens door elk menschenkind aan gedacht werd ; als dat eene noodige eens met even groote naarstigheid gezocht werd als nu het onnoodige en sehadelljke, wat zou het er dan op de wereld geheel anders maar ook veel beter uitzien !
Het is helaas zoo gesteld, dat allerlei noodig geacht wordt, behalve het „eene noodige".
Geheel anders dan Martha (ware het nog maar als Martha) bekommert en verontrust men zich over vele dingen. Martha bekommerde en verontrustte zich nog over vele dingen om den Heere te dienen ; maar de kinderen der menschen bekommeren en verontrusten zich maar om duivel, wereld en zonde, dat is: zich zelf te dienen. En indien nu het doen van Maria door den Heere boven het dienen van Martha gesteld wordt, hoeveel is het dan te verkiezen boven hetgeen de kinderen der wereld doen.
Maria zat neer aan de voeten des Heeren om door Hem onderwezen te worden, om daar antwoord te krijgen op de vraag, die er leeft in het hart van elk kind Gods: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ? " Die vraag was bij de menschen op het Pinksterfeest, bij Paulus op den weg naar Damascus, en bij den stokbewaarder te Philippi en was bij allen en is nog bij allen, en zal bij allen zijn, die aan hun eigen dwaasheid zijn bekend gemaakt.
Het eene noodige is: (door den Heere onderwezen, geleid en geleerd te worden. Dat is het eene noodige voor alles en voor altijd. Ook voor onzen tijd. Maar wij zien, dat daar het minst naar gevraagd wordt, en het is geen wonder, dat er dan ook meer dan ooit verwarring en ellende komt.
Er wordt wel eens gezegd, ziende op de ellende, waarin de wereld ligt verzonken : er moest eens een man opstaan een groot man, met veel wijsheid en kracht, met een vasten wil ; een die niet zich zelf op het oog heeft, maar het heil der wereld ; een man die het vertrouwen van ieder waardig is ; een man die met zijn leven een voorbeeld voor allen is, en welke eischen van volmaaktheid men verder aan dezen gewenschten man stelt.
Welnu, die Man is er. Hij is opgestaan. Hij leeft. Hij leeft tot in alle eeuwigheid. Het is de Man, aan wiens voeten Maria zat om onderwezen te worden. Maar naar allerlei mannen wordt gehoord, doch naar Hem niet. Bij ieder wordt te rade gegaan, maar niet bij Hem, wiens Naam is : Raad. Hij wordt nog gehoond, bespot, veracht, gegeeseld, gekruist evenzeer als door de Joden te Jeruzalem. Tot Hem wordt geroepen : „Wij willen niet dat Gij Koning over ons zijt", en „in de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust."
En dat is toch het eene noodige, voor tijd en eeuwigheid : Hem te kennen en te erkennen in Zijn drievoudig ambt, als Profeet, Priester en Koning.
Uit die erkentenis vloeit alle heil voor tijd en eeuwigheid voort, die waarachtige en levende erkentenis is de ware godzaligheid, die de belofte heeft voor dit en het toekomende leven, en daarom tot alle dingen nut is. Nuttig tot alles wat goed is, en voor allen.
Dat is het eene noodige, wat de wereld behoeft om uit hare ellende verlost te worden ; dat is ook het eene noodige tot verlossing voor elke ziel.
Doch nu is die mensch, ja de geheele wereld zoo diep gevallen, dat het eene noodige, ja het allemoodigste overbodig, hinderlijk en schadelijk wordt geacht. De kranke wereld gaat wel bij zich zelf te rade, maar niet bij Hem. Daarom neemt hare krankheid hand over hand toe.
De Heere zegt wel dat Hij de Heelmeester is ; maar Hij wordt niet vertrouwd. Hij getuigt, dat er genezing is onder de schaduw Zijner vleugelen, maar tot Hem wordt niet de toevlucht genomen. Hij schrijft wel de voortreffelijkheden Zijner Wet voor, maar die worden als wat vreemds geacht. Nog geldt het woord des Heeren, maar nu in veel uitgebreider zin: Jeruzalem ! Jeruzalem ! gij die de profeten doodt en steenigt, die tot u gezonden zijn ! hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen bijeen willen vergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeen vergadert onder hare vleugelen ; en gijlieden hebt niet gewild ! Daarom ging Jeruzalem verloren, door eigen schuld. Daarom gaat de wereld verloren door eigen schuld. Tegen alle waarschuwingen in wordt door gegaan, met verachting van alle middelen door den Heere tot behoudenis gegeven.
Het Woord des Heeren is nu geheel of gedeeltelijk in 558 talen overgezet, en in even zoovele talen gedrukt en verspreid ; maar het is niet geschreven op de tafelen des harten. Daarom zal het oordeel ook des te zwaarder zijn. Want die het geweten en niet gedaan zullen hebben, zullen met vele slagen geslagen worden.
Een ding is noodig. „Waarom weegt gijlieden dan geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uwe ziel zal leven", spreekt de Heere.
Naar het rechtvaardig oordeel Gods zal het wel nooit gebeuren, dat de geheele wereld heilbegeerig naar het eene noodige zal vragen en als Maria aan de voeten des Heeren zal nederzitten om van Hem onderwezen te worden.
Want wij lezen, dat de afval eerst groot zal zijn, eer dat Christus wederkomt ; maar de Heere zal toch ten allen tijde een overblijfsel hebben naar de verkiezing Zijner genade. En dit zal steeds een kenmerk zijn van dat overblijfsel, dat het zóó overtuigd is van de noodzakelijkheid van het eene noodige, dat het niet rust voor het weet, dat eene noodige te bezitten.
En wat is voor ieder van hen, dat eene noodige ? Dat is : te weten het eigendom van Christus te zijn en alzoo door Hem met God verzoend. Dat is het eene noodige, want daarin ligt alles opgesloten. Dat is de „eenige troost beide in leven en in sterven" gelijk de Heidelbergsche Catechismus het uitdrukt.
Die dat weet heeft alles, want dan weet hij ook, dat Christus met Zijn dierbaar bloed voor al zijne zonden volkomen betaald heeft, dat Christus hem Uit alle geweld des duivels verlost heeft en alzoo bewaart dat zonder den wil des Hemelschen Vaders geen haar van zijn hoofd vallen kan, ja ook, dat alle ding tot zijne zaligheid dienen moet.
De gansche Heilige Schrift en de ervaring van al Gods volk van alle tijden bevestigt dit. Er is nooit iemand geweest, die aan het eene noodige niet genoeg heeft gehad. Als de Heere aan Zijne discipelen vraagt: Heeft u een ding ontbroken, antwoorden zij allen eenparig : Neen Heere !
Die eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid hebben gezocht, hebben ook ondervonden dat alle deze dingen, n.l. voedsel, kleeding en deksel werden toegeworpen. En omgekeerd ; al hadden zij alles en het ééne noodige niet, dan misten zij nog alles. Want wat baat het een mensch al gewint hij de gegeheele wereld en hij lijdt schade aan zijne ziel."
Wat baatte het een Nebukadnezar al kon hij vol trots zeggen : Is dit niet het groote Babel dat ik gebouwd heb ! en hij had het eene noodige niet.
Wat baatte het een Belsazar, al kon hij een schitterend, goddeloos feestmaal aanrichten, en hij werd gewogen in de weegschaal Gods en te licht bevonden.
Wat baatte het 'n rijken dwaas al had zijn land nog zoo wel gedragen, en al had hij op grond daarvan zich een vroolijke toekomst beloofd, en in dienzelfden nacht werd zijn ziel van hem geëischt.
Wat baatte het den rijken man uit de gelijkenis, al had hij alle dagen vroolijk en prachtig geleefd, en al werd hij met veel pracht en praal begraven en hij deed zijne oogen open in de hel.
Bij alles wat zij hadden, misten zij het eene noodige, en daarom hadden zij aan alles niets, en waren zij bij al hun rijkdom nog arm.
Misgun hun dan geen ingebeelden zegen (Psalm 37 vers 4). Maar: Let toch en zie op vromen en oprechten, Want wat men denkt van de uitkomst hunner paan, God kroont met vree het einde Zijner knechten. (Psalm 37 vers 19).
Want zij hebben het eene noodige hetwelk van hen niet zal weggenomen worden.
Welk een voorrecht voor diegenen, die met Maria het goede deel hebben verkozen. Zij hebben alles. Zij behoeven niet bezorgd te zijn voor den dag van morgen. Want de Heere zorgt voor hen. Zij mogen met den apostel Paulus verzekerd zijn, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel hen zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, hunnen Heere.
„Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen „Hij ziet in gunst op die Hem vreezen".
Al de beloften Gods zijn voor hen in Christus Jezus, Ja en Amen.
Mochten de oogen dergenen, die nog blind zijn voor het eene noodige eens geopend worden. Zij zoeken in hun blindheid en dwaasheid maar de dingen der wereld, die geen vrede kunnen geven. Zij worden telkens teleurgesteld en komen er bedrogen mede uit. En dat geeft in den tijd al zulk een bittere smart, die soms tot rampzalige wanhoop leidt.
Maar hoe vreeselijk zal het straks zijn als zij met alles bedrogen uitkomen voor de eeuwigheid.
En nu denken wij niet alleen aan hen, die maar voor de wereld leven en roekeloos met God en godsdienst spotten, maar ook aan hen, die nog wel godsdienstig zijn, ja soms een groote kennis der Waarheid hebben, die vooraan staan zelfs dn den strijd voor de Waarheid, die een naam hebben, dat zij leven en zij zijn dood ; die eenigszins schijnen te gelijken op Martha, die bezig was met veel dienens. O dat zij zichzelven eens afvragen of zij het eene noodige wel bezitten, ja of hun oog wel geopend is voor de noodzakelijkheid en onmisbaarheid van het eene noodige. Of zij met alles wat op zich zelf niet Is af te keuren, nog een heiligen onvrede hebben, omdat zij bij alles nog missen, wat zij hebben moeten.
Gelukkig, die zoo gesteld is, gelukkig, die het eene noodige ziet. Maar — zien is nog geen hebben. Doch aan het hebben gaat het zien vooraf. In de eerste plaats moeten de oogen geopend zijn voor het ongenoegzame van de dingen die men ziet, van de dingen, die vergaan Dan eerst wordt er een heilige onrust geboren en een verlangen naar het eene noodige.
Ja dat is noodig voor het eene noodige het is een deel daarvan. Want die zoekt, zal vinden, die hongert, zal verzadigd worden.
Dit is tot troost voor het zoekende en hongerende volk. Maar daaraan hebben zij niet genoeg. De zoeker heeft niet ge^ noeg aan zijn zoeken; neen, hij moet vinden. De hongerige heeft niet genoeg aan zijn honger; hij moet spijze hebben. Zoeken en hongeren zijn wel kenmerken maar geen grond. Die op zijn zoeken en hongeren zou rusten, mist het eene noodige en zal het zoo nooit verkrijgen. Maar die volharden zal in het zoeken naar het eene noodige, die zal zalig worden. Zij hebben met Maria het goede deel verkozen, hetwelk oök van hen niet zal worden weggenomen.
Dinteloord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's