De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

6 minuten leestijd

Beschouwing naast beschouwing inzake het vrouwenstemrecht in de Kerk.
IV.
De Schrift spreekt betrekkelijk weinig over de vrouw. Maar dit weten wij wel, dat tot de oorspronkelijke echtelijke ordening niet behoort, dat de man heerschappij zal voeren over de vrouw. De vrouw is met den man op gelijke wijze geschapen naar Gods beeld. En naar Gods scheppingsordinantie is zij een andere dan de man is, maar zij is één met den man. Zij is geschapen tot „hulpe tegenover" hem ; dat is : naast hem als een evenwichtige, die hij hem past. Niet om hem te dienen als minderwaardige, maar omdat het niet goed voor den mensch was alléén te zijn. Daarom gaf God den man zijn andere helft, om hem te vervullen als geen ander doen kon. Daarom zal ook nu de man zijn vrouw aanhangen en de vrouw zal haar vader en moeder verlaten en die twee zullen tot één zijn, één in liefde en leven.
De heerschappij-ordening van den man over de vrouw is, om der zonde wil, na den zondeval gekomen, gelijk alle klemmende heerschappij-ordening van mensch over mensch.
Maar ook die heerschappij-ordinantie brengt toch geen minderwaardigheid.
De Vorst heeft, om der zonde wil, heerschappij over het volk. Maar is het volk nu minderwaandig ? En moet de mond van het volk gebreideld ? Immers neen ! Heeft het volk ook iets te zeggen ? Immers ja ! In een gezonde samenwerking, gelijk de Heere wil, ligt tegelijk de opbloei der natie.
God zelf heeft de vrouw van den beginne eere gegeven. En Hij vraagt ook eere voor haar in het 5de gebod van Zijn heilige wet. Daar wordt de vrouw bekleed met heerschappij over de kinderen en zij is geenszins de minderwaardige van den vader. Onze Catechismus zegt dan ook : „dat ik mijn vader èn mijn moeder, en allen, die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze — aangezien het God belieft, ons door hunne hand te regeeren."
Van minderwaardigheid in het huisgezin dus geen sprake.
Van niet-meespreken in het gezin evenmin.
„Aangezien het God belieft, ons door hunne hand te regeeren."
Regeermacht zelfs aan de vrouw ! In het huisgezin, dat wereldje in 't klein.
En wee de man, wee de kinderen, die dat aan de vrouw zouden ontnemen, die dat de moeder niet zouden laten. Wan^t het is Gods heilige ordinantie en het belieft Hem ons gezin mee door de vrouw, door de moeder, te regeeren.
Gelukkig het huisgezin, waar man en vrouw elkander zóó kennen, zóó aanvullen mogen, zooals het Gode belieft naar Zijn Woord.
Ook op het terrein van de Kerk zal de vrouw ijverig zijn in goede werken ; zij zal diensten der barmhartigheid doen ; zij zal medewerkster des Evangelies zijn, zij zal onderwijzen en leeren ; zij zal in het werk der Zending ingaan gehuwd of ongehuwd, maar steeds met den man samenwerkend, gelijk het Gode belieft naar Zijn Woord. Zij zal de gemeensohap helpen met de gaven en krachten welke de Heere haar, de vrouw, gaf.
Na de uitstorting van den Heiligen Geest wondt dat openbaar.
Natuurlijk, dat zich daar misbruiken in mengen. Kan het ook anders ? Gaat het met het vrij onderzoek der Schriften óók niet zoo ? Dat is een heerlijk voorrecht, dat wij hebben boven Rome's Kerk. Want bij Rome wordt die vrijheid van onderzoek der Schriften geheel niet gevonden, omdat de Kerk boven de Schrift staat. Doch waar wij dat voorrecht in en door de Hervorming weer teruggekregen hebben, zijn de misbruiken niet uitgebleven. Wat dwaalleeringen, wat leugens, wat ontkenningen en wat loochening der Waarheid overal ! Toch blijven wij, als goede Protestanten, de vrijheid van onderzoek der Schriften voorstaan en beschouwen het als een onschatbaar voorrecht, van den Heere verkregen.
Zoo ook in het optreden der vrouw op het terrein van Christus' Kerk. Wat kon zij tot ruimen en rijken zegen zijn. Wat wordt het door de Apostelen, na de uitstorting van den Heiligen Geest bevorderd en geroemd met dankbare blijdschap. En wij handhaven het. Wij weten, dat het hier en in Indië tot grooten zegen kan zijn. In de school, in de gemeente, in de ziekenhuizen, in het werk der diaconie, vooral ook, als straks in afzienbaren tijd, het diakenambt meer Schriftuurlijk en meer practisch zal ingezet worden in ons kerkelijk leven.
Maar natuurlijk, daar ligt vlak naast het misbruik, het misverstand, de verwarring.
De vrouw is anders dan de man. Daarom moet ook haar kunnen en haar geven en haar doen anders zijn dan van den man ; want zij zelf is anders.
Maar zij draagt een nardusflesch met zeer kostbare olie en als zij haar hart mag ontsluiten en de flesch breekt en de olie wordt uitgestort, wordt het huis vervuld met liefelijken reuk !
Zoo ontsluiten zich de verborgenheden van de vrouw op het terrein van Christus' Kerk ; als de Heilige Geest haar harte vervult en zij gaat uitzingen en uitdragen en uitwerken en uitgeven wat de Heere er in gelegd heeft.
Echter moet dit haar vrouw-zijn niet veranderen. Dat heerlijke mag niet aangetast worden. Juist omdat het zoo heerlijk is !
Daarom is de droom der vrouw om de gelijke te zijn van den man, om man te zijn in de werdd, een groote dwaasheid. Dat is de ijdelheid der zonde. Zij is een andere dan de man, laat zij als een andere voor Gods aangezicht wandelen en tot een zegen zijn.
Daarom mag zij zich aan de Kerk, aan het gezin, aan het maatschappelijk leven niet onttrekken. God heeft haar als een hulpe tegenover den man geschapen. Zij is de evenwichtige vervulling van het saam-leven. Zij is zijn maat. Zijn wederhelft. En zóó is de vrouw een gemeenschaps-wezen. Voor de samenleving in de Kerk, in het gezin, in de maatschap­pij. Waarbij zij niet de mindere is, maar een andere dan de man.
Zij heeft daarbij trouw te zijn aan haar man, trouw aan de Kerk, trouw aan Vorst en trouw aan Vaderland. Zij is gemeenschaps-wezen, als huisvrouw als moeder, als aanvulling van het leven op elk terrein, zij kan en moet zijn, doorGQods genade, tot zoo grooten zegen en van zoo grooten invloed.
Zoo stelt de goede vrouw ook belang in de Kerk. Zij leeft mee. Zij gaat mee op. Zij ziet de dingen, voor haar zelf, maar meer nog voor haar man, voor haar kinderen, voor de gemeenschap. Als zoodanige hulp in het leven is zij geschapen, 't zij gehuwd of ongehuwd. Zij kan zich niet aan de gemeenschap onttrekken, tenzij haar natuur geheel ontaard is.
En de gemeenschap dienende, ook op het terrein van Christus' Kerk, moet haar invloed van waarde en beteekenis zijn.
Doch geenszins als man. Wel als vrouw.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's