De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

12 minuten leestijd

Men schrijft ons ter plaatsing in deze rubriek :
De laatste Kamerzitting was verre van aangenaam. Het onverwacht met haastigen spoed ingediende wetsvoorstel tot steun aan de Hanzebanken, verwekte niet alleen veel verbazing in de Kamer, maar werd ook in het land over het geheel niet gunstig ontvangen. Het moge waar zijn, dat de wijze, waarop 't was aangediend, meegewerkt heeft tot deze slechte ontvangst, en dat de latere verbeteringen door den Minister aangebracht iets van den partijdigen schijn weggenomen hebben, meer dan schijn was dit echter niet. De Minister nam wel het woord „Hanzebank" weg, maar weigerde toch aan ds. Kersten de toezegging te geven, dat ook debiteuren van andere banken dan deze Roomsch Katholieke Middenstands-banken bij eventuëele moeilijkheden door dit wets voorstel hulpe zouden verkrijgen. Het is daarom onbegrijpelijk, dat de Kamer zich door de schijnconcessie-van den Minister van hare oppositie liet terughouden.
Zeer merkwaardig was de houding der Christelijk Historische fractie. Hoe wel het van den heer Schokking bekend was, dat hij zeer ernstige bezwaren tegen dit ontwerp koesterde, gelijk hij ook openlijk uitsprak, was het niet minder bekend van andere leden dezer groep, die zich gewoonlijk als vleeschgeworden antipapisten voordoen als 't een verkiezingsstrijd geldt, en ons, Antirevolutionairen al te groote toegeeflijkheid tegen Rome verwijten, dat zij nu bij dit ontwerp brandden van ongeduld om het toch maar aangenomen te zien. Toch betrof dit ontwerp, naar het schijnt althans, uitsluitend Roomsch Katholieke belangen. Zoo het noodig was te bewijzen, dat het antipapisme der Christelijk Historischen slechts een verkiezingsmanoeuvre is precies als hun ijver voor de Hervormde Kerk, dan is dit nu voor het gansche Nederlandsche volk wel duidelijk geworden. Van den gezant bij den Paus, waarvan de regeering verklaarde dat hij in 's lands belang noodig was, moesten de Christelijk Historische heeren niets hebben. En hoewel de Christelijk Historische Minister van Buitenlandsche Zaken dezen voorstelde en verdedigde, lieten de h.h. Christelijk Historischen eenstemmig na dit voorstel te steunen. En later hebben zij dien gezant bij den Paus uitgebuit, om de Antirevolutionairen te bestrijden. Maar nu het er om ging Roomsch Katholieke financiëele belangen te steunen met het geld van het gansche Nederlandsche volk, nu bleek, dat er .onder hen waren, die bijzonder o^-esteld waren op aanneming van dit voorstel. Toch was dit veel meer uitsluitend ten bate van de Roomschen dan de gezant bij den Paus. die dan tenminste nog nationale belangen heet te dienen. Uit dit alles blijkt duidelijk, hoe politieke leuzen ook bij de Chr. Historische groep den toon aangeven. Nu het op geldzaken aankwam, was er van antipapisme geen spoor bij hen te merken. Wij beoordeelen deze houding nu verder niet, maar constateeren alleen het feit, opdat de Hervormd Gereformeerden, die zich door zulke leuzen laten meevoeren, goed zullen weten wat zij aan de Christelijk Historische leuzen over Rome en de Hervormde Kerk hebben.
En de houding der Antirevolutionairen dan ? Inderdaad, het doet ons leed dat ook daar dit wetsvoorstel met vreugde begroet is. Wij gelooven niet, dat deze houding met die van dr. Kuyper in vroeger jaren tegen bemoeiïng met banken aangenomen, geheel overeenstemt, ook al erkennen we gaarne, dat de tijden anders en moeilijk zijn. Wij hadden tegen dit wetsvoorstel twee bezwaren, die, door alles wat ook de Minister gezegd heeft, niet zijn weggenomen. In de eerste plaats zijn wij van meening, dat dit gelegenheicjs-voorstel gevolgen met zich brengt zoowel uit 't oogpunt van beginsel als uit dat van practijk.
Uit het oogpunt van beginsel, want wij zijn van meening idat ook met betrekking tot dit voorstel geldt art. 16 van het Program van beginselen, dat beperking van Staatsbemoeiïng eisch is om het evenwicht tusschen ontvangsten en uitgaven te bereiken. En deze bankaffalre brengt ons, hoewel de regeering verlegen zit om de 120 millioen te vinden, die bezuinigd moeten worden, al weder tot meer Staatsbemoeiïng Wij gelooven niet, dat de regeering op dit gebied een taak heeft, vooral niet nu zij niet weet, waar die zal eindigen, als er straks nog meer nieuwe bankongelukken gebeuren. Er zijn trouwens meer banken in moeilijkheden geraakt, waarbij ook de belangen van vele nijveren betrokken waren en er zijn levensverzekeringsmaatschappijen ondergegaan, waarbij zelfs het bestaan van duizenden, weduwen en weezen, betrokken was, zonder dat de regeering iets gedaan heeft om deze allen te redden. Waarom dan nu zulk een haast gemaakt met een wetsvoorstel, dat zeker veler belang raakt en velen helpen zal, die er toch igeen meerdere aanspraak op kunnen maken dan die anderen. Die bij de Hanze-banken hunne zaken deden, hebben geen meer recht op Staatshulp dan die ze bij andere financiëele instellingen hebben ondergebracht; In zijne zaken is ieder zelf verantwoordelijk en het gaat niet aan, dat bij een ongeluk de Staat de publieke kas voor de gedupeerden openzet. Zelfs een beroep op de gevolgen voor de arbeiders kan er hier niet door. Er zijn trouwens nog genoeg werken ten algemeenen nutte, die kunnen worden ter hand genomen ten bate van het gansche volk. Daarbij komt, dat het zich steken in bankzaken buiten de taak der Overheid, ligt. En zeer terecht is dan ook door de Sociaal Democraten er terstond de aandacht op gevestigd, dM dit een precedent was. Als de Staat geld steekt in bankzaken, heeft hij ook wat te zeggen. Tenslotte moet zulk een bemoeienis met den geld handel leiden tot een bemoeienis met 't gansche bankwezen. Uit dit verwarren der grenzen van staat en maatschappij kan niets goeds en wel veel kwaads voortkomen. Men begint zonder te weten, waar men eindigt. En wij zijn er dan ook zeker van dat later, misschien in gansch andere omstandigheden, er op deze misgreep zal worden teruggewezen.
Ons eerste bezwaar is dus een beginsel-bezwaar. Maar daarbij komt nu nog dit andere, dat ons ook niet van gewicht ontbloot schijnt en dat door den heer Colijn volstrekt voorbijgegaan is.
Deze Hanze-banken zijn Roomsch-Katbolieke banken. Aandeelhouders en klanten zijn Roomsch. Er mogen eenige uitzonderingen op zijn, maar dan zijn deze uitzonderingen, die den regel bevestigen, 't Is bekend, dat de Roomsch Katholieke Kerk systematisch streeft: naar de verroomsching van ons volk en dat zij daarbij ook gebruik maakt van economische wapenen. Boerenplaatsen en landerijen, winkels en groote zaken, worden systematisch opgekocht en door allerlei middelen werkt de R. K. Kerk als een poliep in ons volksleven. Dat zij op deze wijze streeft naar de vermeerdering van haar macht en invloed, dat is haar zaak. Wij denken er niet aan, haar dit ten kwade te duiden, maar stellen haar ijver aan de iaksche Protestanten en oaverschülLgen ten voorbeeld. Tot de-middelen waarvan zij zich bedient, behooren ook deze R. K. Middenstandsbanken. Deze banken zijn geen zuivere bankinsteUingen, maar propaganda-middelen der Roomsche Kerk. Dat halfslacbtige ikarakter is de oorzaak van hare ellende. Die bankdirecteuren werden uitgescholden voor „stommerikken", onbekwaam voor hun vak ; maar deze menschen hebben niet anders kunnen doen.. Zij stonden voor de tweeslachtige taak om het doel der kerk te dienen tegelijk met de bankzaak. Én ook hier kan niemand twee heeren dienen. Zij stonden bij alles onder het patronaat der kerk. De geestelijke adviseur was ten slotte zoo niet alles bevelend, dan toch zeer invloedrijk
Nu is door den loop, der omstandigheden in de hedendaagsche wereld, deze heele zaak misgeloopen. Talloos vele degelijke en solide zakenmenschen geraakten daardoor in moeilijkheden, maar welke reden ia er nu voor den Staat om nu klaar te staan met hulp ? Ons komt het voor, dat dezelfde R.K. Kerk, die de insteliingen gebruikt heeft voor hare propaganda, zedelijk verantwoordelijk is voor deze ramp. Zij is geroepen om te steunen en te helpen. Dat is hare taak en niet die van den staat. Op deze wijze wordt Staatssteun èn het Staatsgeld gebruikt om de propaganda van de Roomsche Kerk te steunen en uit den nood te helpen, om haar van hare zedelijke verantwoordelijkheid af te helpen en nu de financiëele lasten te leggen. op het geheele volk. Was de Roomsche Kerk niet in staat hare verantwoordelijkheid te dragen, dan zou het een vraag van barmhartigheid kunnen zijn, maar zeker niet van wet en recht, hulpe te bieden. Maar wij zijn overtuigd, dat de Roomsche Kerk over zeer vele middelen beschikt. Zij kan schoone kerken, kloosters, ziekenhuizen en wat niet al bouwen uit een ruime beurs. Maar dan kan zij óók de luttele millioenen waarborgen, die noodig zijn om haar bankinstellingen — propaganda-instrumenten — uit de misère te verlossen of in te staan voor de solide debiteuren.
Hoe ook gezien, is er dunkt ons geen de minste aanleiding, dat de Staat zich zoo te haasten had, als nu is geschied, om aan de Roomsche Kerk het werk uit de handen te nemen.
Het komt ons voor, dat er in heel deze geschiedenis veel duister is, veel, dat ons met vreeze vervult en dat ons doet vragen, of niet. Ook in deze benauwde tijden het voor alles noodig is, dat de volle waarheid openbaar wordt. Het komt ons voor, dat ook de gezondheid van het volksleven meer gediend is door de volle waarheid, hoe diep ellendig en zorgvol zij ook moge zijn, dan door gelegenheidswetjes, die de beginselen van souvereiniteit in eigen kring, van het onderscheid tusschen staat en maatschappij, miskennen tot bedekking van de vreeselijke waarheid, dat ons volk op weg is naar de verarming, waar uit het door zulke maatregelen niet zal worden gered.
Wij zullen het hierbij laten. Onze lezers weten nu, dat de Christelijk Historischen, ondanks hunne leuzen van antipapisme nog niet zóó antipapistisch zijn als zij schijnen. En het moet ons bovendien nog uit de pen, dat, naar onze overtuiging de Kamer zich door een schijnconcessie heeft laten tevreden stellen. Het woord „Hanzebank" ging er uit, maar de zaak zelve bleef. Van de toegestane gelden zal niet ieder genieten kunnen, die door banken in financiëele moeilijkheden raakt, hoe soiled hij zij, maar alleen de soliede klanten der Hanze-bank, en dat zijn vrijwel uitsluitend Roomschen.

Waarom wij feestvieren.
Herhaaldelijk blijkt ons van bezwaren, die bestaan tegen het voornemen om het zilveren Kroningsfeest van onze Vorstin feestelijk te gedenken.
Men heeft niet slechts bezwaar tegen de uitspattingen, die onze nationale feesten vaak ontsieren — een bezwaar, dat wij natuurlijk van heeler harte deelen — maar ook tegen 't feit der feestviering zelf. Het is geen tijd om feest te vieren. Terwijl tal van volksgenooten, „verslagen nederzitten vanwege de breking van den staf des broods", trekke men geen feestgewaad aan ; terwijl van velende dringendste behoeften onvervuld moeten blijven, bestede men geen belangrijke bedragen voor onnutte zaken, doch spare men wat te sparen is ten bate van allen.
Er is in dezen gedachtengang iets wat ons toespreekt. Het besef van saamhoorigheid als deelen van één volk, als leden van één lichaam. Als één lid lijdt, lijden alle leden.
Wij wenschen den geest, die zich hierin uit, allerminst te wederstaan, al achten wij zijne afmatting van nationale feestviering in Septemter a.s. eenzijdig.
Men rekent toch onvoldoende met den wezenlijken grond der voorgenomen feestviering.
God geeft ons een voorrecht te ge­denken, dat slechts aan weinig volken ten deel valt. Het voorrecht van een kwart-eeuw in ongestoorden vrede geregeerd te worden door eene geliefde Koningin uit ons nationale Vorstenhuis.
Toen om ons tronen omgestort werden, hield Gods hand den troon der Oranje's in stand ; toen vele volken door den oorlogsgeest bezocht werden, heeft Hij ons den vrede bewaard ; en nu millioenen in diepe ellende ter aarde geworpen liggen, zuchtend onder het onrecht van revolutionair bewind of van buitenlandsch geweld, schenkt Hij ons een volkstoestand, waarin zeker de nood der tijden wordt gevoeld, maar die toch over het geheel wel zóó is, dat hij ons door schier allen wordt benijd.
Deze genade Gods mogen wij niet miskennen noch gering achten ; wij hebben ze duizendvoudig verbeurd en nu zullen ze Hem tot eer, dankbaar gedenken ; in ons hart en in ons huis, in onze school en in onze Kerk ; maar ook daarbuiten in zichtbare eenheid met ons Nederlandsche volk. Allereerst door Hem te brengen het offer onzer lippen, maar daarna ook door gemeenschappelijk vreugdebetoon als uiting van de blijdschap, die ons aller hart vervullen mag.
Dit gemeenschappelijk vreugdebetoon heeft op dezen gedenkdag bijzondere beteekenis. Onder ons volk gaat nog een geheel andere geest rond dan die geest van saamhoorigheid, waarvan wij zooeven gewaagden ; een geest uit de diepte, die niet weten wil van de gestelde machten ; die het Koningschap verouderd acht; die aanstuurt op een Socialistische republiek of op een Communistisobe gemeenschap.
Die geest wil niet weten van ons Septemberfeest. Hij zegt dit onomwonden, maar ook wel meer omkleed.
Te Bethanië waren er, die Jezus verwierpen, maar die dit zoo niet wilden zeggen en daarom klaagden over de geld verspilling met de zalf van onvervalschten nardus. Zoo zijn er thans die klagen over al die geldverspilling voor dit Oranjegedoe in dezen, voor velen zoo boozen tijd ; onder die klacht verbergend hun wensch, dat Oranje wèg ware en aldus in den gerechtvaardigden drang naar voorzichtig financieel overleg mengend een zeer onzuiver element.
En daarvoor wijken wij niet één oogenblik. Ook niet in schijn.
God geeft ons als volk in Septeber Zijne goede gaven te gedenken en stort ons als het ware zelf de feestvreugde en de dankbaarheid in de ziel.
Daarom willen wij ons nationale zilveren feest vieren, met opgewekte harten. Hem eerend. In dat feestvieren getuigend van onze onverzwakte liefde voor Oranje en van ons dankbaar genieten van het voorrecht, dat God ons in ons Koningshuis behield.
Maar daarnaast miskennen wij den nood der tijden niet ; is ons oog geenszins gesloten voor de bittere zorg van talloos velen. In ons feestvieren willen wij hen gedenken. Met de daad gedenken en daartoe de uiting onzer feestvreugde inperken.
De Koningin gaat ons hierin voor en wij volgen haar Koninklijk voorbeeld. Onze feestviering drage daarom ditmaal een eenvoudig karakter ; zij zij gespeend aan alle overdaad ; zij zoeke in geestelijke waarachtigheid meer dan in uitbundigheid haar zegel. Maar daarom, zal onze vreugde niet minder groot zijn ; onze dankbaarheid niet minder echt ; ons getuigenis vóór Oranje niet minder krachtig.

(De Standaard),

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's