De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone ! 2 Corinthe 12 vers 9b.

Veel liever!
Sinds het Werkverbond. gebroken daar neerligt, werd de mensch een hoogmoedig schepsel, en vervult trotschheid zijn vleeschelijk hart. Rijk is hij en machtig in eigen oog. Verheven iuchtkasteelen bekoren hem. Babylonische torens zou hij liefst doen verrijzen. En God heeft hij niet noodig. Zietdaar zijn breuk en ramp.
Tot in den hemel klimt hij, tracht hij althans door te dringen, om in arrenmoede den Koning der Koningen van den troon te stooten.
De hel wenscht hij te vernietigen, opdat de verschrikkingen der hel hem niet verontrusten.
Van de aarde met haar wee en tranen zal hij een aardsch paradijs formeeren.
„Geduld ! geduld !" roept hij u toe ; „het kan al niet in één dag gelukken ; maar komen doet het. Reeds zie ik het morgenrood van de gouden toekomst gloren."
Zoo zwoegt en tobt de mensch, een ieder onzer ; en we blijven dat doen, zoolang, totdat — de Heere komt met Woord en Geest en ons in de ziel grijpt, een : „Tot hiertoe en niet verder !"' spreekt.
Dan is het afgeloopen. Dan wordt de mensch een gansch ander schepsel, van binnen en van buiten; een nieuwe mensch ziet het geestelijk levenslicht in hem. Dan gevoelt hij zich niets meer zonder den Heere, dan vermag hij niets meer tot stand te brengen uit en van zichzelf. Dan leert hij ervaren, wat het vrome volk soms treffend noemt : „zalige afhankelijkheid."
Waag nu niet de veronderstellhig, dat tengevolge dezer groote levensverandering, die het Woord noemt de wedergeboorte, des menschen bestaan op aarde v.el ann en onbeduidend en eentonig zal zijn. Integendeel, nu gaat het pas recht rijk en belangwekkend worden ; maar op gansch andere wijze dan voorheen. Ook beginnen hart en lippen roemtaal te spreken, maar wederom zeer onderscheiden van voorheen : hij verkondigt niet meer eigen eer, doch alleen en uitsluitend de eere zijns Heeren. En kent Rij schooner levenstaak, dan om niet meer tot eigen eer, maar tot des Heeren eere te leven, en niet meer eigen roem, maar Gods roem te verkondigen ?
De wedergeboren mensch wenscht veel liever te roemen in eigen zwakheden, en daarnaast in de kracht van Christus, welke in hem woont.
Wat was de onbekeerde Saulus toch een man ! Geweldig sterk meende hij te zijn in zichzelf. En zonden betreuren, daarmee hield hij zich niet onledig ; immers behoefde hij, de Farizeër, die van 's morgens vroeg tot 's avonds iaat de wet volbracht, te weenen over zijn zonden ? Veeleer paste hem een : „O God. ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen ; ik dank U, dat ik mijzelf tot zulk een heiligen Farizeër wist te vormen !" Aan wijsheid ontbrak het hem evenmin ; daarom behoefde hij aan den genadetroon niet te bedelen ; immers hij had zijn leerjaren doorgebracht aan de voeten van den grooten Gamaliel.
Wat ontbrak hem dan nog ? Eigenlijk mocht de Heere hem wel dankbaar zijn, dat hij zoo goed wilde wezen die gehate secte der christenen te vervolgen. Welk een verdienstelijke daad achtte hij dat naar eigen schatting !
Hoe geheel anders de door God en tot God bekeerde Paulus ! Nederig is hij en klem, vol ongerechtigheid en schuld van eigengerechtigheid ; ja, de voornaamste aller zondaren.
En dan in alles zoo diep en volstrekt afhankelijk. Zonder den Heere gevoelt hij zich gansch onmachtig. Ook is hij bedelarm. Zelf bezit hij niets dan zonde. Al het goede moet hij van zijn nieuwen Koning, van Gods Zoon, van den eens zoo gehaten, doch nu zoo innig beminden Heere Jezus ontvangen.
Ja, de liefde overmeesterde zijn ziel. Nu is de liefde in hen sterk als de dood, haar ijver hard gelijk het graf, haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren, die door vele wateren niet zouden kunnen worden verdronken. Al bood iemand hem al het goed van zijn huis voor deze liefde, het zou hem niet de moeite waard wezen, over dat aanbod nog één woord te wisselen.
Geen stap ook meer op den levensweg waagt hij zonder zijn Leidsman. Als hij de hand van zijn Jezus mist, durft en kan hij niet verder treden.
Zoo is hij te vergelijken bij de vaten der weduwe uit Elia's dagen, die eerst tot den bodem ontledigd werden, opdat zij geheel met olie zouden kunnen gevuld worden.
En wat nu voor den onwedergeboren mensch zeker heel vreemd moet klinken, en waar de schijn-christen niet van hooren wil, die Paulus had noodig, altijd weer opnieuw nederig en klein gemaakt te worden, wijl hij, wat hij in zijn eertijds niet wist, maar waaraan de Heere hem door Zijn Heiligen Geest bekend gemaakt had, een hoogmoedig hart omdroeg, ook nog na ontvangen genade, dat hem bijblijven zou tot aan, tot op zijn stervenssponde. Des Heeren werk immers aan Zijn volk is niet alleen klein maken, doch ook klein houden.
Dit laatste nu is niet het minst gewichtige werk, hetwelk de Heere aan onze zielen doet. Zelf immers zijn we zóó : al had de Heere ons gebracht tot voor de hemelpoort, en Hij liet ons daar aan ons lot over, we vluchtten heen, en kozen vliegensvlug het pad, dat ter helle voert.
Evenals kinderen dagelijks het toezicht hunner ouders en leermeesters behoeven, aldus blijft het ook noodig, dat Koning Jezus zich allen dag en ieder uur met Zijn volk inlaat, wil Hij ze redden van het vreeselijkst verderf.
En hierbij kan de Trouwe, Opperste Zieleherder niet altijd even zacht en vriendelijk te werk gaan. Een slaande hand dient Hij soms op te heffen en een vertoornd aangezicht te toonen. Hoor Jeremia eens van zijn God en tegen zijn God klagen : „Hij heeft Zijnen boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan."
Kastijdingen en tuchtmiddelen hebben al Gods kinderen noodig op hun levenspad. Hun zondige natuur en slechte afmakingen veroorzaken zulks. Aan koning David wordt door den wreeden dood de jongste lieveling afgenomen. Op Paulus komt de satanische engel aan, en slaat hem in het aangezicht, en dat met ruwe vuist. Petrus wordt, oud geworden, omgord door een ander en gebracht waar hij niet wil. Zoo zouden wij een lange lijst kunnen samenstellen, waarbij wij, lezer, indien gij tot Gods volk door genade moogt behooren, ook uw kruis zouden moeten opsommen.
Maar wat nood ! Alle kinderen Gods ontvangen in hun goede oogenblikken eenzelfden troost uit den hemel : „Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht." En allen zingen in zingenstijd één geestelijk roem lied : „Zoo wil ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone !"
Onbekeerden onder onze lezers, mocht ge er door den Heiligen Geest aan ontdekt worden, hoe noodig het is, dat ook gij met oprechte gebeden u wendt tot den Hoorder en Verhoorder, om te vragen of ook gij door genade zaligende kennis aan deze heilige dingen moogt verkrijgen ; immers een andere weg bestaat er ook voor u niet, die naar den hemel leidt, dan de weg, waarover de Heere Paulus en al Zijn kinderen voert.
Maar gij, lezers, in wie de beginselen der genade, klein of groot, geworteld werden, ge hebt doornen en kruisen noodig, wil het wèl zijn voor tijd en eeuwigheid. Hier toch bevindt gij u nog niet in het land der ruste, ge zijt nog steeds op reis, ook nog op school, om veel af-en aan te leeren. De Heere echter alleen weet, wat ge behoeft; en de Heere weet het zoo goed, veel beter dan gij zelf. Ge zult moeten leeren niet wijs te zijn bij uzelf, en in diepe afhankelijkheid lot en leven in Zijn hand te stellen. Als ge dat doen moogt, o dan zijt ge voor veel verdriet gespaard, en wordt het verlangen naar den hemel sterker.
En hiermee kunnen wij u troosten : de Heere zal zorgen dat er geen schaap van Zijn kudde verloren gaat ; allen komen binnen in het Vaderhuis met de vele woningen.
Giessendam.

A. PRINS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's