Kort verslag van den gehouden Landdag te Woerden.
't Was aan den morgen van Donderdag 14 Juni 1923 somber in het rijk der natuur.
Toen wij des voormiddags met den trein vanuit Utrecht naar Woerden snelden, kletterde de regen tegen de ruiten, en wij dachten : onze Jongelingen-landdag valt in 't water.
In Woerden aangekomen, hoorden wij van.de Regelingscommissie, dat het gemeenteterrein wèl gereed, doch niet de aangewezen plaats was om te vergaderen. Wij gingen door naar het gebouw „Delegentia", hetwelk wegens de weersgesteldheid voor ons een aangename schuilplaats was.
Ongeveer kwart voor twee opende de voorzitter J. H. van Erven, in kwaliteit van voorzitter der Provinciale afdeeling Utrecht, dit samenzijn door te laten zingen Psalm 133 vers 8 en ging voor in gebed. Vervolgens las hij Hebr. 11 van vers 27 tot het einde. Hij riep de aanwezigen het welkom toe en hoopte, dat wij aan deze plaats een aangenaam samenzijn mochten hebben. Hij zegt, dat het ook in dezen tijd noodig is dat 't Woord der Schrift tot ons doordringe : „Tot de Wet en tot de Getuigenis, zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben."
Alsnu geeft hij het woord aan ds. Lans, van Zeist, tot het houden der openingsrede. Z.Eerw. het woord nemende, spreekt ongeveer als volgt:
Het heeft hem getroffen dat op onzen Bondsdag te Amersfoort ons Tweede Kamerlid, de WelEd. gestr. heer Duymaer van Twist in zijn rede sprak over den jongeling. (De vorige eeuw was de uitroei) : Geef mij het kind en de toekomst is mijn. Onze eerw. is de eeuw van den jongeling).
De satan is er op uit met zijn grijparmen den jongeling mede te sleuren. Alleen door het geloof is er mogelijkheid om aan den grijparm te ontkomen. Hebreen 11 is zulk een schoon hoofdstuk. Heeft Jozef niet door het geloof geantwoord : Zoude ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God ?
Naar aanleiding van Hebr. 11 vers 30 spreekt hij een kernachtig openingswoord. Wat een vreemd verschijnsel was daar bij Jericho te zien. In zeven dagen toog Israël met de priesters voorop om de stad, dertien maal.
De wereld zegt : „Wat beteekent dat gedoe ? "
Zij vindt het dwaasheid. Zouden de muren dan vallen door dien ommegang? Immers neen !
Ja toch ! Door het geloof. Kan de mensch dan niets ?
Neen ; ja toch ! De mensch heeft een roeping te vervullen. Uit zichzelf kon Israël niets ; maar de Heere alleen. Hun zwaard deed hen dit land niet erven. Hun arm deed hen geen heil verwerven. Maar Uwe rechterhand, Uw macht, heeft hun dat heil, dien voorspoed toegebracht.
En toch staat er : „door het geloof zijn de muren van Jericho, enz.".
Ja, de Heere werkt middellijk en dit zou ook hier blijken. De jongeling wil werken. Laat hem maar voortgaan. Wij moeten hem hierin niet tegen houden.
Moge deze dag nog zegen afwerpen ook voor de jongelingschap. Wat zal nu een jongeling van Gereformeerden huize doen ? Laten wij ons niet laten weerhouden, doch voortgaan in den weg, die naar Gods Woord is en zich aansiluit aan de Gereformeerde Waarheid.
Na het zingen van Psalm 133 vers 1 en 3 behandelt de heer J. Gaasbeek, uit Veenendaal, het onderwerp : „Van kleine kracht". Naar aanleiding van Openb. 3 vers 7—13 ontvouwt hij den brief aan Filadelfia gericht.
De verdeeling daarvan is als volgt: Ie. Door wien werd dit getuigd : „Van kleine kracht" ; 2e. Van wie werd dit getuigd ; 3e. Wat werd van haar getuigd ; 4e. Welke rijke belofte ontving zij.
1. Door wien werd dit getuigd ? Door den Heilige, die heilig is in zijn richten. Heilig in Zijn wegen. Die als mensch heilig heeft geleefd. Door den Waarachtige, die de Waanheid is. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. Die waarachtig is in Zijne beloften en in Zijn bedreigingen. Hij heeft den sleutel Davids, die opent en sluit.
2. Van Filadelfia werd getuigd. Zij had te lijden van de menigvuldige aardbevingen en van de Joden.
3. Zij bezat kleine kracht, kleine genade.
4. Zij ontving .een kostelijke belofte, die bestond in : zij zou gemaakt worden tot een pilaar in den tempel Gods. Van hare vijanden zouden door den Heere sommigen tot vrienden worden gemaakt.
Na het zingen van Psalm 103 vers 7 en 9 verkrijgt ds. Lekkerkerker, van Delft, het woord en spreekt naar aanleiding van Joh. 3 vers 36 : „Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hem."
1. De noodzakelijkheid van 't geloof. 2. Het wezen van het geloof. 3. De vrucht van het geloof. 4. Het gemis van het geloof.
1. Het geloof in Christus is noodzakelijk. De Roomschen willen door hun werken zalig worden. Dat geloof wordt door een weg van lijden geschonken. Het geloof kan zoo maar, zonder meer, niet worden aangenomen.
2. Het wezen des geloofs is vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook mij eeuwige gerechtigheid van God geschonken zij. Genade is geen erfgoed. Het geloof is Gods gave.
3. De vrucht des geloofs openbaart zich naar buiten. Een geloof zonder meer, is een dood geloof. Uit de werken openbaart zich het echte. De vrucht vaindat geloof is : „het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere."
4. Het gemis van dat geloof baart den dood en de eeuwige verdoemenis.
De toorn Gods blijft op hem, die ongehoorzaam is.
Met een ernstige vermaning hoe noodzakelijk het bezitten van dat waarachtige geloof is, besluit hij zijn rede.
Gezongen wordt Psalm 27 vers 7.
Hierna pauze. Na de pauze spreekt ds. Lammerink, van Delft, naar aanleiding van Psalm 97 vers 11 : „Het licht is voor en rechtvaardige gezaaid en vroolijkeid voor den oprechte."
De ware vreugde wordt door de wereld niet geboden. Het leven is niet anders dan moeite en verdriet. Voor een tijd vult de wereldling zijn tijd ; daarbinnen blijft het echter ledig.
Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid;
Voor de onrechtvaardigen is er duisternis. Zij leven in de duisternis en gaan daarin onder.
Voor den rechtvaardige is Jezus Christus het licht.
Christus het licht. De vroolijkheid is voor den oprechte. Voor den onoprechte is er geen vroolijkheid. Hij zal zijn dagen in smart eindigen en eeuwige smart zal zijn deel zijn.
Dan is die blijdschap en dat licht gezaaid. Het is hier slechts in beginsel. Hier wordt het licht bij enkele stralen genoten en de blijdschap bij kleine teugen ; eenmaal zal zij volkomen zijn.
Na het zingen van Psalm 89 vers 7 besluit hij zijn rede.
Ondertusschen is ds. Beekenkamp, van Leiden, aangekomen om de slotrede te houden. Naar aanleiding van Joh. 21 vers 15: „Volg gij Mij", ontvouwt hij : Ie. Volgen ; 2e. Volg Mij ; 3e. Volg gij Mij.
De Heere Jezus spreekt hier het laatst tot Zijn discipelen, voor Hij van de aarde heengaat. Petrus wordt weer in eere hersteld als Apostel, hetwelk gepaard gaat met een drievoudige belijdenis. De Petrusnatuur komt weer naar voren, , als hij vraagt : Wat zal deze ? En dan wijst hij naar Johannes, waarop de Heere Jezus tot hem zegt : „Volg gij Mij."
Nu is er hier gevischt, gesproken en gegeten. Wij mogen dat tenminste veronderstellen.
Volgen wij omdat het ons om Jezus is te doen ? Dan hebben wij ook gegeten en dan is er ook tot ons gesproken. Met anderen hebben wij niet te maken of zij volgen. Volgen wij die „Mij." Volgen wij Jezus ?
Dit is Zijn laatste woord geweest.
Hij is de weg, de waarheid en het leven.
Volgt gij. Gij die hier aanwezig zijt ?
Neen, niet straks gaan praten over dit en dat, maar overdacht wat gij hoordet en gevraagd : Volg ik reeds ; ben ik die gij, die volgt ?
Met een hartelijke vermaning besluit hij deze opgewekte slotrede.
Nadat wij nog gezongen hadden Ps. 119 vers 5 sloot Z.Eerw. met dankgebed.
Moge er vrucht worden gezien op dezen derden landdag en moge het gesprokene rijke vruchten dragen voor de jongelingschap.
Het Bestuur der Prov. afd. Utrecht,
J. Gaasbeek, Secr.
Veenendaal, Juni 1923.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's