Uit het kerkelijk leven.
Beschouwing naast beschouwing inzake het vrouwenstemrecht in de Kerk.
VI.
Wij oordeelen, dat de vrouw zich geenszins moet opdringen, om óok het stembiljet machtig te worden, om óok mee te kiezen en óok mee alles te regelen en te regeeren, zooals dat tegenwoordig door het stembiljet placht te geschieden.
Dat betaamt aan de vrouw niet. En onze christelijke vrouwen doen het ook niet.
Vanaf de eerste christengemeente tot op den huldigen dag hebben de christelijke vrouwen niet om het stembiljet gevraagd.
Zij hebben wel van den beginne meegewerkt in de gemeente daar, waar zij als vrouwen de gemeente dienen konden
Zij hebben ook natuurlijk haar oordeel over de personen in de gemeente, die voor ambtsdragers in aanmerking komen. En in dagen van vacature laten zij haar gedachten gaan over de predikanten, die in de gemeente optreden. En als het pas geeft durven zij haar oordeel ook wel zeggen ; waarmee de mannen niet zelden hun voordeel kunnen doen. Maar naar 't kiesrecht hebben zij niet gestaan ; zij hebben er nooit om gevraagd ; en ook in dezen modernen tijd begeeren zij het niet.
Nu mogen de mannen — die met Gods Woord rekening wenschen te houden en die gaarne naar de Gereformeerde beginselen van Kerkrecht handelen — hier wel een beetje voorzichtiger worden. Want die bevinden zich op een terrein — 't is ook hier telkens verder gegaan ! — waar zij heelemaal niet thuis hooren. Onze Gereformeerde mannen mogen dus maar niet alleen zeggen : weg met het vrouwenkiesrecht ! Ook mogen zij maar niet doen, alsof dat vrouwenkiesrecht nu 't klaarste bewijs is, dat wij afgezakt zijn van de grondslagen van Gods Woord. Want het kiesrecht, dat de mannen hebben en uitoefenen, is een zéér klaar bewijs, dat we aan de beginselen van Gods Woord ontzonken zijn. En onze mannen bevinden zich er zoo rustig bij ! Zij doen het toch zoo graag ! Wee zelfs dengene, die het „verkiezingswerk" in andere banen zou willen leiden. En ziet dat nu is toch een treurig ding, wanneer we tegenover een ander roepen : „houd den dief" — terwijl wij zelf rustig bezig zijn te stelen.
Wat toch is het geval ?
Naar uitwijzen van Gods Woord — zoowel Handelingen 1 en 6 als 1 Tim. , 5 vers 2-2 en Titus 1 vers 5 (Schrift met Schrift vergelijken !) bewijst dat er samenwerking moet zijn tusschen den Kerkeraad (het ambt) en de gemeente.
Noch de kerkeraad mag alles alleen doen zonder de gemeente te hooren ; noch de gemeente mag alles alleen doen zonder met den Kerkeraad te rekenen.
En toch gebeurt dat onder ons, in de dorpen en in de steden. Veelal doet de Kerkeraad alles, zonder de gemeente te hooren. Dat is niet naar de Schrift, noch naar onze Belijdenis, noch naar de beginselen van ons Gereformeerd Kerkrecht.
Erger wordt het, wanneer ide gemeente — en dan nog weer een gedeelte van de gemeente (het kiescollege) — alles doet, zonder met den Kerkeraad (het ambt) te rekenen.
Dat is in strijd met de Schrift.
Dat is revolutionair en naar het beginsel van de Volkssouvereiniteit, met de beslissing van de helft plus één.
Kan het ongelukkiger ?
Kan men het verdedigen met de Schrift ?
Schrift ?
Geenszins ! En onze mannen, ook onze Gereformeerde mannen, doen het toch wat graag ! Ook als zij ten opzichte van de vrouw roepen, dat het tegen de Schrift ingaat.
Heeft men dan zelf zooveel eerbied voor de Schrift en voor de Gereformeerde beginselen van Kerkrecht ?
Was het maar waar !
Men zal dus de wijze van Verkiezing moeten naspeuren, zooals die ons in de Schrift is aangegeven. En nog eens, of men nu Hand. 14 vers 23 ; Hand. 1 ; Hand. 6 ; 1 Tim. 5 vers 22 ; Titus 1 vers 5 (lees die plaatsen rnaar eens na !) of welke Schriftuurplaats ook, opslaat, overal zal men (Schrift met Schrift vergelijkend !) vinden, dat er gestaan moet worden hiernaar : dat de Kerkeraad (het ambt) de aanwijzing en het oordeel der gemeente te weten kome, om, Christus in het ambt dienende, met die aanwijzing en het oordeel der gemeente rekening te houden ; om dan vrij en zelfstandig een keuze te doen, welke keuze door de gemeente behoort te worden geapprobeerd of goedgekeurd ; 't welk gewoonlijk dan door stilzwijgen geschiedt.
Nu moet niemand ons vreemd aankijKen, als wij zeggen, dat deze Bijbelsche manier van verkiezing van ambtsdragers nu langer dan driehonderd jaar over 't algemeen heelemaal niet naar Bijbelsch beginsel noch naar uitwijzen van de beginselen van Gereformeerd Kerkrecht is geschied. Het lijkt er niet naar ! Men heeft maar wat gescharreld ; rekening houdend met de omstandigheden, die over 't algemeen voor de Gereformeerde Kerk niet gunstig waren.
Men moest rekening houden met de Overheid.
En men was altijd bang voor „het gemengde volk" dat er binnen de grenzen van de Gereformeejde Kerk was. Eerst, pas na de Reformatie, voor de vele Roomschgezinden. En daarna, voor de libertijnen en vrijgeesten.
Twee schrikbeelden dus. Twee blokken aan 't been !
Allereerst de Overheid. Die wilde zoo graag iets — of laten we maar gerust schrijven veel — in het kerkelijk leven te zeggen hebben. Die deed zoo graag zelf alles. Ook de benoemingen en de beroepingen en de goedkeuringen. En van onze mooie Gereformeerde beginselen kwam in deze o ! zoo weinig terecht ! Verknoeid is de boel.
En aan den anderen kant wist men wel, dat er zoovelen binnen de grenzen van de Gereformeerde Kerk waren, die allesbehalve Gereformeerd waren. En zou men nu aan „de menigte" alle beslissende macht geven ? Immers dat kon en dat mocht niet. En daarom is men altijd min of meer op twee gedachten blijven hinken ; dan dreigde het gevaar : het ambt zonder de gemeente ; en dan weer : de gemeente zonder het ambt. Welk laatste „gevaar" nu onder ons geen kleinen omvang heeft verkregen.
In de Dordtsche Kerkorde is het min of meer te merken, dat men op allerlei bedacht moest zijn en op z'n hoede wezen ! Eenerzijds lezen we dan ook : ,, Zoodat het naar de gelegenheid van iedere Kerke vrij zal zijn, zooveel ouderlingen, als er van noode zijn, der gemeente voor te stellen, om, van haar (ten ware er eenig beletsel voorkwam) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulation bevestigd te worden."
Dat is : de Kerkeraad benoemt de ouderlingen, stelt ze aan de gemeente voor en de gemeente laat het zwijgend passeeren.
Wat niet goed is, natuurlijk.
Maar daarnaast geeft de Dordtsche Kerkorde dan ook een anderen weg aan en wel: „of een dubbel getal om het halve deel door de gemeente te laten verkiezen."
Dan geeft de Kerkeraad niet voor elke vacature een dubbeltal (dat mocht niet), maar als er drie ouderlingen noodig waren gaf de Kerkeraad zes namen ; en uit die zes namen koos de gemeente. A stond dus niet tegenover B, en C niet tegenover D en E niet tegenover F. Dat verstaan wij onder „dubbeltallen." Maar het moest een dubbel getal zijn en dus zes namen, waarvan, zonder persoonlijk tegenover elkaar gesteld te zijn, de helft gekozen werd. Uit de zes koos men de drie die men wilde.
Maar men kon het óok nog anders doen : er kon door de gemeente een groslijst worden saamgesteld, door den Kerkeraad een „tal" gemaakt en door de gemeente dan worden aangewezen wie(n) men begeerde, waarna de Kerkeraad benoemde.
Prof. Rutgers zegt hiervan een en ander in zijn „Kerkelijke Adviezen." De Kerkeraad moet volgens de D.K.O. de benoeming doen „zoodat na elke stemming daarvoor een Kerkeraadsvergadering moet worden gehouden." En „natuurlijk zal dan de benoeming wel bijna altijd conform de aanwijzing der stemgerechtigden moeten geschieden, zoodat die Kerkeraadsvergadering in den regel slechts een formaliteit zal zijn. Maar het geval kan zich toch ook voor doen, dat na het opmaken van het dubbel getal aan den Kerkeraad iets ter oore is gekomen, waardoor hij een der voorgedragenen, ook al werd hij door de stemming aangewezen, niet zou kunnen of mogen benoemen."
„In ieder geval" — zoo besluit prof. Rutgers — , , moet de benoeming toch altijd uitgaan van den Kerkeraad, die er verantwoordelijk voor is."
Hier ligt saamgebracht èn wat art. 22 D.K.O. èn wat art. 31 Ned. Geloofsbelijdenis omschrijft.
Het oordeel berust bij den Kerkeraad. Hij leidt de verkiezing en benoemt de gekozenen. Maar niet op Roomsche manier, waar de bisschop b.v. de pastoors en de kapelaans benoemt, waarbij de gemeente ze moet ontvangen zonder goed-of afkeuring.
Op Gereformeerde wijze moet het onder ons toegaan : een zoodanige samenwerking, waarbij het ambt de leiding en de benoeming heeft en de gemeente wordt gehoord. Zoo is men èn door de gemeente èn door den Kerkeraad aangewezen en gekozen en benoemd en mitsdien van God zelf aangewezen en verkozen."
Wat een verschil met het huidige „kiesrecht" van den man en met hét pas ingevoerde „kiesrecht" van de vrouw!
En dan zouden wij „verdedigers zijn van het kiesrecht van de vrouw in de Kerk" ! I Dan zouden wij ons „opgeworpen" hebben, om dn deze als pleitbezorger te fungeeren !
Wij, die nu al jaren in woord en geschrift tegen dat mannenkiesrecht getoornd hebben.
En nu er nog vrouwenkiesrecht bij !.. 't Is al te dwaas.
(Wordt voortgezet).
De Vrijzinnige beweging.
De Vrijzinnig Hervormden roeren zich nog al. Dat kan geen kwaad. Wij moeten niet inslapen en het goed weten, dat wij tegenover een groote menigte staan van Hervormden, die in onze Hervormde Kerk niet thuis hooren en die niet rusten voor ze de Hervormde Kerk om hals gebracht hebben.
Als ze dat kunnen.
Wat hebben ze vergaderd ! Te Amsterdam, te Arnhem, te — overal. En provinciaal en landelijk was het overal : wij blijven !
Natuurlijk ! Wij hadden heusch ! niet anders verwacht.
De Vrijzinnig Hervormden blijven dus. In de dorpen. Zooals in Stolwijk b.v. en in Boskoop, waar ongeveer geen mensch meer in de kerk komt. Ze blijven. Ook in de stad. Waar velen bedanken en heengaan. Ze blijven overal, waar ze blijven.
Wij hadden niet anders verwacht.
En op dat blijven hebben ze ook hun program ingericht. En wel: de Modus-Vivendi. De Kerk in stukjes en brokjes verdeelen en dan de Modernen ook een deel overal, in Ameide, in Groot-Ammers, in Jaarsveld, in Amersfoort, in Arnhem, in Putten, in Harderwijk, in Hasselt, in Wierden, in Rijssen, in Rotterdam. Een vrijzinnige Kerk in de Hervormde Kerk. En dan 't met de Regeering en met de kerkvoogden op een accoordje gegooid. Ja wel ; zóó komt de oplossing : een Moderne Kerkgemeenschap, een Ethische Kerkgemeenschap, een Confessioneele en een Gereformeerde. Het Vaderland kan rustig zijn. Het daagt in het Oosten !
Hoe Vrijzinnigen zelf met deze vergaderingen en deze leuzen en deze programs en deze modus-vivendi een loopje nemen, blijkt o.a. uit hetgeen ds. G. Hulsman . (voorganger in Den Haag, van de Vrijzinnig Hervormden) schrijft in „De Hervorming." We laten hier een stukje uit een artikel van zijn hand volgen. Het heeft tot opschrift de Latijnsche spreekwijze : „de bergen hebben een muis gebaard."
Het luidt aldus :
De bergen zijn dit jaar in barensnood in onze Vrijzinnig godsdienstige kringen. Het jaar gaat zwaar aan congressen. We hadden 10 en 11 April in Amsterdam de buitengewone vergadering van de Vrijzinnig Hervormden en de Moderne-Theologen-vergadering, 7 Juni de Jaarvergadering van de Vrijzinnig Hervormden in Arnhem, en nu verleden week 20 en 21 Juni het Congres van den Protestantenbond in Soesterberg. Het aardrijk is beroerd om onzentwille. De treinen zuchten onder onze lasten, de drukpersen zweeten onder onze verslagen, en er heeft een omzetting van kapitaal plaats, die in de dui-, zenden loopt. Men komt tot merkwaardige cijfers als men aan het rekenen gaat. In Amsterdam waren meer dan 200 belangstellenden aanwezig, in Arnhem en in Soesterberg meer dan 100, dat zijn globaal gerekend 400 afgevaardigden. Telkens was men twee dagen bijeen. Laten we het nu eens goedkoop stellen, en aannemen, dat aan een ieder het ƒ 20.— gekost hééft, — het bedrag moet in werkelijkheid veel hooger geweest zijn, maar we gaan nu maar uit van een minimum, — dan heeft de heele geschiedenis aan het Vrijzinnig godsdienstig beginsel gekost ƒ8000.—, ongerekend het verlies van tijd en kracht voor eigen zaak of werkkring. De Rotterdammer alleen had over hét verhandelde meer dan 8 kolommen druks, dat zijn meer dan 12.000 woorden. Deze woorden vormden een honderdste deel van al het in werkelijkheid gesprokene, minstens een millioen woorden. Deze woorden zijn in de verschillende bladen tot milliarden geworden. En nu zou het toch wel wat heel erg zijn, wanneer die heele beweging op niets uitliep, en het oude. spreekwoord kon herhaald worden, dat de bergen in barensnood zijn geweest, en dat er een belachelijk muisje is geboren. En toch, — het gevaar is groot.
Daar hebben we vooreerst de Beweging van de Vrijzinnig Hervormden. We hebben allen geroepen : „We blijven", en zeker we zullen blijven. Er zijn, gelijk de N.R. Courant heeft herinnerd, nog altijd 372 Vrijz. Herv. Gemeenten met 380 predikanten, die met elkander ruim 800.000 leden vertegenwoordigen, en deze menschen zullen zoo spoedig niet heengaan. Honderden gemeenten op 't platteland, die jarenlang vrijzinnig zijn geweest, zullen het voorloopig wel blijven, en ook in de steden zijn tal van Vrijzinnig Hervormden, die de oude kerk zoo spoedig niet verlaten zullen.
Maar, — of wij de zaak der Vrijzinnig Hervormden op belangrijke wijze bevorderen zullen, door de resoluties, die wij in Arnhem hebben aangenomen, valt te betwijfelen. Als men, langer Rede kurzer Sinn, al de besprekingen van Amsterdam en Arnhem in enkele woorden samenvat, dan komen ze hierop neer : „Wij blijven", en we zullen zien te komen tot een modus vivendi, en moeten, zoolang onze wenschen niet vervuld worden, op energieke wijze de plaatselijke actie blijven voeren. Dat is alles, en dit is niets nieuws. Nu geloof ik niet, dat de orthodoxie ooit tot een modus vivendi bereid zal zijn. Zij kennen maar één waarheid, en zij staan op het standpunt, dat allen, die deze eene ondeelbare waarheid niet aanvaarden, de kerk hebben te verlaten. Zij zullen de kerk nooit in stukken uiteen laten vallen. Ik verwacht niets van overleg. H.H. Kerkvoogden mogen hier en daar als in Haarlem en in Arnhem een kleine reductie op den Hoofdelijken Omslag toestaan, of zelfs een geldelijke bijdrage geven, de Orthodoxie zal nooit onze rechten willen en kunnen erkennen. Het eenige, wat hier te doen staat, is plaatselijke actie voeren, de macht veroveren, gelijk dr. Niemeyer m.i. terecht zeide, en die macht zullen we nooit veroveren met praatjes, doch alleen met de stembus. Als we de ƒ 8000, die we nu voor vergaderen gebruikt hebben, hadden besteed voor den stembusstrijd, dan zouden we verder gekomen zijn. Het is m.i. goed, daar in de toekomst aan te denken."
Tot zóóver ds. Hulsman.
Wij kunnen niet ontkennen, dat ds. H. een goeden kijk heeft op de orthodoxen. Want van een modus-vivendi, waarvoor de tijd zeer zeker lang voorbij is (in 1873 is er al een vierdeelig rapport bij de Synode Ingediend, zonder eenig resultaat), zal wel niet veel terecht komen. Er is niemand, die dat dan ook met ernst gelooft. En daarom zal verreweg het beste zijn, dat wij voor onze Hervormde Kerk naar een zelfde program werken, als de Vrijzinnigen nu hebben gepubliceerd : overal hard ons best doen, om de belijdenis weer tot eere te brengen en overal het Evangelie naar de Schriften te doen hooren.
Als we hierin tekort schieten, of als we dat gaan verwaarloozen of als we daarin door onderling krakeel onze roeping tegenover de Kerk gaajj verzaken — ja, dan zal onze plaats woest gelaten worden.
Dan zal een ander onze plaats spoedig innemen temidden van het volksleven.
Dan hebben wij het ook verdiend en zal het van onze hand geëischt worden straks.
Maar zoo wij mogen aanhouden, ons vertrouwen stellende op den Heere, Die alle dingen werkt naar den raad Zijns willens, dan zal Hij ons niet beschamen.
De Gereformeerden in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk hebben daar het bewijs van en ontvangen nog telkens daarvan bewijs, dat de Heere Zijn volk niet begeeft noch verlaat, wanneer het voor Gods Kerk mag ijveren, opdat alles naar uitwijzen van Gods Woord worde ingericht.
En omdat de Gereformeerden dat bij ervaring weten, vertragen zij niet, maar gaan moedig voort, ziende op Hem, die gezegd heeft: Mijne genade is u genoeg, Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's