Staat en Maatschappij.
in twee opzichten mis.
De vorige week hield de Christelijk Historische Unie haar jaarlijksche Zomer-Conferentie te Lunteren.
Het openingswoord, dat gewijd was aan ., de beteekenis der verkiezingen oor Staten en Raden in 1923" werd uitgesproken door het Tweede Kamerid, den heer Snoeck Henkemans.
Ons troffen in dit openingswoord dat in extenso in „De Nederlander" van 12 Juli 1923 staat afgedrukt, een paar uitlatingen, die uitnoodigen tot het maken van een enkele korte aanteekening.
In de eerste plaats moeten wij iets zeggen over wat gesproken werd omtrent de positie van de Christelijk Historische Unie na afloop der beide genoemde verkiezingen.
Deze positie wordt in verband gebracht met wat de Apostel Paulus wedervoer bij zijn bezoek aan Athene, toen hij aldaar het altaar aanschouwde, dat gewijd was aan den Onbekenden God en uitriep : „Dezen dan, dien gij niet kennende, dient, verkondig ik ulieden."
Na aan dit voorval te hebben herinnerd, gaat de heer Snoeck Henkemans voort en zegt:
Zoo zegt de Christelijk Historische Unie tot het Nederlandsche volk: ,, Het geloovig Protestantsch Christelijk Historisch beginsel, dat velen uwer niet of slechts bij overlevering kennende, nochtans aanhangen en liefhebben, dat beginsel verkondig ik u, als de eenige kracht tot reiniging en opheffing van ons volksleven. — Ja, als de eenige kracht, tot handhaving van ons zelfstandig Nederlandsch volksbestaan te midden der ontzettende moeilijkheden, waarin Europa en Azië verkeeren !"
Wij vestigen hier de aandacht op twee dingen.
Vooreerst, dat wat door den voorzitter van de conferentie gezegd werd tusschen aanhalingsteekens staat geplaatst. .Daarmede stelt de heer Snoeck Henkemans zich op de plaats van den Apostel Paulus en doet zich als tolk van dien Apostel hooren, een wijze van doen, die wij afkeuren, omdat zij grenst aan profanie.
En ten andere op de cursiveering van de woorden de eenige kracht, waarmede bedoeld wordt om uitdrukkelijk te verklaren, dat met uitsluiting van elk ander levensbeginsel, de Christelijk Historische Unie het monopolie heeft, om werkzaam te zijn tot „reiniging en opheffing van ons volksleven."
Daaruit spreekt eene eigen-gerechtigheid en eene aanmatiging, die zekerlijk een Christelijke partij niet betaamt.
Maar het valt ook te betwijfelen, of de Apostel Paulus — en dit zij met allen eerbied gezegd — het beginsel der Christelijk Historischen, dat juist door vele ethischen met warmte wordt verdedigd, méér als de eenige kracht tot reiniging en opheffing van het volksleven zou beschouwen dan het Calvinistisch beginsel, dat de Gereformeerden belijden.
In de tweede plaats trof onze aandacht dat gedeelte der rede van den heer Snoeck Henkemans, waar gewezen wordt op de taak der Christelijk Historische Unie. Daarvan wordt dit gezegd :
Op de Christelijk Historische Unie, . de staatkundige organisatie van hen, die het trouwst en het zuiverst de staatkundige gedachten van Willem van Oranje vasthouden en zijn vaandel ontplooien — op de Christelijk Historische Unie rust de taak leiding te geven aan de nationale beweging, die zich onmiskenbaar baan breekt en te trachten deze beweging op het vruchtbaarst, tot heil van ons volk, zich te doen ontwikkelen.
De Christelijk Historische Unie beschouwt hier als haar taak om leiding te geven aan de nationale beweging. Dit is haar recht en daarop maken wij dan ook geen captie. Maar wat ons in dezen passus uit het openingswoord van den redenaar te Lunteren niet juist voorkomt, en waar wij wèl bezwaar tegen maken, is, dat de Christelijk Historische Unie zich aandient als 't trouwst en het zuiverst de staatkundige gedachten van Willem van Oranje te vertolken.
Deze stelling lijkt ons in niet geringe mate aanvechtbaar, want de grondtoon van ons volkskarakter, gelijk dit, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming, omstreeks 1572 zijn stempel ontving (zie Artikel 1 van het program van beginselen der.Antirevolutionaire partij), hield niet in het beginsel, waarmede thans zoovele Chr. Historischen, die wars zijn van de Gereformeerde beginselen, zich kunnen vereenigen, maar koos overtuigd partij voor de Calvinistische levensbeschouwing.
Staat nu de Christelijk Historische Unie niet op de basis van de Calvinistische levensbeschouwing, wat wij mogen aannemen als juist te zijn, dan heeft zij ook geen recht zich aan te sluiten aan de staatkundige gedachten van een Willem van Oranje, den vorst, die het juist was, die de Gereformeerde godsdienst hier te lande invoerde en op het staatkundig beginsel van ons volk het Gereformeerd cachet drukte.
Bij het aangeven van de positie en de taak van de Christelijk Historische Unie, op de wijze, als dit te Lunteren plaats vond, ging de voorzitter der conferentie mis.
Min vriendelijke motieven.
Onder dit opschrift schrijft „de Standaard" :
„De Nederlander" veroordeelt het gezantschap bij den Paus. Dat is haar recht. Wij zijn van oordeel, dat dit gezantschap dient te vervallen, zoodra 't niet meer noodig is; doch blijven moet, zoolang het niet gemist kan worden. En bii de vaststelling van onze gedragslijn dienaangaande, wenschen wij vooralsnog de leiding van onzen bekwamen Minister van Buitenlandsche Zaken te aanvaarden. Natuurlijk gunnen we „De Nederlander" van harte een andere meening en voelen we volstrekt geen behoefte over dit punt strijd te voeren. Doch alleen op voorwaarde, dat het blad ook de Antirevolutionaire partij met rust laat.
Blijkbaar ligt dit niet in de bedoeling. Immers in het Bijblad no. 13 wordt de Christelijk Historische partij weer, ten koste der Antirevolutionaire, op het schild geheven inzake de betrouwbaarheid jegens Rome.
Ook daartegen zouden we geen bezwaar hebben, indien de zaken eerlijk voorgesteld werden. Maar dat gebeurt o.i. niet.
Deze wijze van handelen is zelfs geniepig.
Indien het „De Nederlander" om de zaak te doen is, om iets anders dus dan om de Antirevolutionairen te treffen, dan behoort men met dat gezantschap ernst te maken. En dan vragen wij thans op onze beurt: hoe kunt gij goed keuren, dat twee uwer meest vooraanstaande mannen — de heeren De Visser en. De Geer — lid blijven van een Kabinet, dat dit gezantschap handhaaft ? Indien die handhaving dan zoozeer zaak van beginsel is, hoe kunnen die beide bewindslieden dan daartoe meewerken ? Ons is dit een raadsel. En we willen wel zeggen, dat wij, als ons de zaak zoo zwaar lag als de Christelijk Historischen, ten deze een geheel andere houding zouden aannemen.
Zoolang „De Nederlander" de noodzakelijke consequentie uit haar eigen houding niet trekt, zoolang zullen wij genoodzaakt zijn haar „hakken" op de Antirevolutionairen toe te schrijven aan min vriendelijke motieven,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's