Ingezonden.
DEN HAAG, datum postmerk.
Aan de Redactie van De Waarheidsvriend,
Beleefd verzoekt ondergeteekende opname in uw blad van onderstaand ingezonden stuk. Bij voorbaat met dank betuiging.
Naar aanleiding van het bericht, als zouden de twee afgevaardigden der Hervormde (Geref.) Staatspartij zich aangemeld hebben bij de vergadering van de Rechtsche Raadsleden van de Residentie, om ook met de Roomschen te confereeren over de verdeeling van de wethouderszetels, diene, om der waarheid getuigenis te geven, het volgende :
1. De heeren Michon en Hegi zijn persoonlijk uitgenoodigd voor de vergadering der Rechtsche Raadsleden, op Zaterdag 7 Juli, door den heer Snoeck Henkemans, aan welke uitnoodiging door hen gevolg is gegeven, gedachtig aan het woord: „eert een iegelijk."
2. Zij zijn naar deze vergadering gekomen, met het gevolg, dat zij reeds in de gang door den heer Snoeck Henkemanis werden teruggewezen, omdat de Roomschen met hen niet wilden confereeren, waaraan ook de beide andere fracties hun goedkeuring hebben gehecht, zoodat zij onverrichterzake zijn teruggegaan, uitgeworpen terwille van de Roomsche Raadsleden ;
3. Dat het bezwaar bij onze groep blijft bestaan om in de practijk in coalitie met Rome te gaan, wat echter niet uitsluit, dat we met een iegelijk, vooral indien gevraagd, hebben te confereeren;
4. Uit genoemd bericht in uw blad moeten we helaas constateeren, dat de coalitie met Rome nog heden bestaat, om der wille waarvan in ergerlijke mate onze groep wordt beduimeld, mede doordat berichten in uw blad worden opgenomen, die geheel bezijden de waarheid zijn.
Wij hopen, dat ge zoo manmoedig zult zijn om dit bericht ongewijzigd op te nemen.
Met dankbetuiging en alle hoogachting,
G. NIEUWENHUIJSEN,
Voorzitter Haagsche afd. H.G.S.
15-VII-'23.
Onderschrift van de Redactie:
Wij hadden aanvankelijk niet het voornemen om het stuk vam den heer Nieuwenhuijsen in ons blad op te nemen.
Uit het slot spreekt een toon, dien we het liefst in een fatsoenlijk blad missen. Bovendien wordt daarin eene besohuldlging aan het adres van onze Redactie berioht, waardoor het oirbaar zou zijn geweest, zoo het stuk ware geweigerd.
Het is niet de gewoonte van „De Waarheidsvriend" om ingezonden stukken te weigeren of te wijzigen. Geschiedt dit toch, dan hebben de stellers der stukken dit aan zichzelve te wijten.
Doch dit in het voorbijgaan.
Wat de zaak zelve betreft, staan wij verwonderd, dat niet een der heeren Michon of Hegi het stuk toezond, maar dat het uitgaat van den voorzitter der Haagsche afdeeling.
Deze handelwijze lijkt ons wel wat Roomsch. Of maakten de heeren er bezwaar tegen om het stuk, zooals het gesteld werd, van hunne handteekening te voorzien ?
Waren zij soms indachtig, dat het voor mannen, die in hun vaandel het devies voeren Hi(ooir) G(ods) S< tem), geen pas geeft, zich met halve waarheden van de zaak af te maken. Zoo ja, dan eere aan de heeren Michon en Hegi.
Nu willen wij naar aanleiding van het schrijven van den heer Niieuwenhuijsen een tweetal opmerkingen maken.
Ie. Om te constateeren, dat het dus juist is geweest, dat de heeren Michon en Hegi, die wisten dat de Rechtsche Raadsleden bijeen waren, zich bereid verklaarden om met de Coalitie saam te spreken over de verdeeling van de wethouderszetels. Zelfs gaat de heer Nieuwenhuijsen nog een stapje verder dan zijn politieke vrienden, door te verklaren, dat hij de Coalitie wil eeren.
Natuurlijk is het iets anders —en dat zal de aandachtige lezer dadelijk inzien — of de HG.S. vergadert met willekeurige personen uit een of ander college, dan wel met een bepaald gezelschap, dat voor dieze gelegenheid expresselijk was saamgekomen, de Coalitie.
en 2e. om den feitelijken inhoud van het schrijven tegen te spreken. Hierbij staat geheel buiten de zaak de uitnoodiging, die door den heer Snoeok Henkemans geschiedde. Dit lid van de Christelijk Historische Unie moet zélf maar verdedigen, op welken grond hij de uitnoodiging aan de heeren iMichon en Hegi deed toekomen.
Wat is ons nu bij een nieuwe informatie van het geval gebleken ?
Ie. Dat het niet waar is, dat de heeren Michon en Hegi bij hun komst in het gebouw van de Raadszaal door dan heer Snoeck Henkemans werden teruggewezen. Integendeel, zij hebben in dit gebouw geruimen tijd vertoefd. Zij gaven hun wensch te kennen om met de Coalitie — ook met de Roomschen — te vergaderen ;
2e. Dat het bezijden de waarheid is. dat de beide heeren zijn terug gegaan omdat zij terwille van de Roomsche Raadsleden zijn uitgeworpen.
Het verzet ging niet in de eerste plaats uit van de Roomsohe — maar van de Antirevolutionaire Raadsleden.
Laat de zaak, nu zij éénmaal aan het rollen is, maar publiekelijk behandeld worden.
De Antirevolutionaire Raadsleden toonden nog zooveel karakter te hebben, dat zij, als club, weigerden om met personen, die niet anders doen dan met slijk werpen, in vertrouwelijken kring te vergaderen.
Zoo zijn de zaken geloopen en niet anders.
De heer Nieuwenhuijsen zij daarom voortaan voorzichtiger, wanneer hij over gebeurde zaken geschiedenis gaat schrijven.
Niet wat "De Waarheidsvriend" de vorige week schreef, was bezijden de waarheid, maar wèl het relaas dat de heer Nieuwenhuijsen in zijn ingezonden stuk geeft.
Hij wil wel zoo goed zijn dit onderschrift ongewijzigd in „Staat en-Kerk" te doen opnemen.
Geachte Redactie,
Wilt u mij s.v.p. een klein plaatsje afstaan in uw veelgelezen blad „De Waarheidsvriend"? Bij voorbaat zeg ik u daarvoor dank.
In no. 33 van 13 Juli l.l. las ik onder "Financiën" dat iemand geweigerd had de kwitantie te voldoen, omreden dè Bond vóór het vrouwenstemrecht was ! Dit trof mij pijnlijk ; ten eerste omdat hieruit blijkt, dat het schrijven in uw blad over het vrouwenstemrecht niet goed begrepen is en ten tweede, omdat zoo maar niet een kwitantie mag geweigerd worden, wat niet is tot medewerking en mede-opbouw en verbreiding van de Waarheid in onze Nederl. Hervormde Kerk.
Mij is het tot innige zieleblijdschap en dank aan God, die het in Zijne genade nog vergunt, dat er reeds een groote schare is, welke steeds grooter wordt, welke nog de oude beproefde Waarheid, de leer, door onze Gereformeerde Vaderen in onze Vaderlandsche Kerk voor gestaan, liefhebben en verdedigen ; die alleen begeeren de leer naar de Schriften welke getuigt van een overvloeiende bron der genade voor een in zichzelf gansch ontledigde ziel en die met hun gansche ziel aankleven, wat de Heere in Zijnen lieven Zoon, Sions Borg en Middelaar, heeft geopenbaard, die zegt: eerst sterven, dan leven ; eerst 't kruis, dan de kroon ; eerst de strijd, dan de overwinning.
Om die Waarheid moet het ons gaan. Want al wat niet uit de Waarheid is, is leugen, hetzij grof of fijn, openlijk of bedekt. En straks bij de verkiezingen in onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk moet het niet zijn : voor of tegen vrouwenstemrecht. Maar het moet zijn een grijpen naar de Waarheid. Een grijpen naar die Waarheid, welke de Heere als een zoo groot wonder in deze donkere tijden in onze Hervormde Kerk nog heeft bewaard, hoe ook door Modernen, Ethischen en wie al niet bestreden. Zeker ! onze Vaderlandsche Kerk is diep gezonken. Groot is het verval, menigvuldig zijn de zonden. Maar hoe is het gekomen ? Is het niet door de zonden van onze vaderen en van ons ? En heeft de Heere onze Kerk nog niet gespaard in Zijn groote langmoedigheid, opdat er een heilig begeeren bij ons zou komen om Christus' Kerk meer te zien blinken ?
Daarom tot ons de roeping : waakt en bidt; bidt en werkt. Waarbij de duivel rondgaat met het probeeren om te verdeden en te heerschen. Onze vaderen zijn niet meer. Maar wij hebben een taak en roeping. Wij moeten de handen ineen slaan. Bidt en werkt. Nu en straks bij de verkiezing en altijd, mannen en vrouwen in ons vaderland ! Straks bij de stemming vooral gaat het om de Waarheid of om de leugen ; voor of tegen Gods Woord ; om de Kerk op te bouwen of af te breken.
Wat wilt gij dan, mannen en vrouwen ? Zult gij uw eeuwig zieleheil en dat uwer kinderen er aan wagen ?
Gaat het u niet om de eere Gods, opdat Zijn Woord heerschappij voeren zal op de erve onzer vaderen ? Dat er veel gebeds mag zijn en dat duizenden en tienduizenden zich mogen opmaken om te strijden voor de eere Gods, die Zijn eigen Zoon heeft gegeven tot een Borg en Losser van een arm zondaarsvolk en die wil, dat Zijn Naam zal worden verkondigd van kansel tot kansel, hier en overal. Dat er veel gebeden mag worden, dat de Heilige Geest zelf maar de dienstknechten en de dienstmaagden in het hart mag grijpen, opdat zij getrouw mogen zijn in 't geen gedaan kan worden, opdat mee door ons, in 's Heeren gunst, Zijn Waarheid mag worden verdedigd en voorgestaan ook als straks de verkiezing komt. waarbij allerlei machten zullen loeren op buit en zullen uitgaan om te verderven. Laat ons de Waarheid dan mogen stellen tegenover de leugen.
Met vriendelijke groeten.
Uw dw. dnr.,
A. BREEVAART.
Zeist, 16 Juli 1923.
Zonnegloren,
Dinsdagmiddag vergaderde in het Jaarbeursgebouw 't Algemeen Bestuur van „Zonnegloren", de vereeniging tot stichting van een christelijk sanatorium voor tuberculose-patienten.
De vergadering stond onder leiding van dr. J. R. Slotemaker de Bruine.
In zijn openingswoord herinnerde de voorzitter er aan, hoe deze arbeid een nieuwe uiting is van het initiatief, dat op het gebied der weldadigheid thans telkens in de Hervormde Kerk aan het licht komt. De kerkelijke besturen zijn officieel vertegenwoordigd en er is een nauw verband met de Federatie van Diaconieën. Ook met de Christelijke Arbeidersbeweging is contact gezocht en verkregen ; er zitten vertegenwoordigers in het bestuur en men zal samenwerking zoeken met het fonds „Draagt elkanders lasten."
De bestrijding van de tuberculose gaat men bevorderen door de opening van een nieuw sanatorium. Dit is niet het eenige middel en zeker zal de vereeniging ook aan andere middelen aandacht schenken. Maar blijkens uitingen van de vakgeneesheeren is er ook aan sanatorium-ruimte groote behoefte en de oprichting van verscheidene sanatoria uit den jongsten tijd bewijst, dat deze meening gedeeld wordt. Daarbij komt het echter juist voor tuberculosepatiënten aan op een sfeer, die hun geestelijk sympathiek is. Blijkens het Utrechtsch Dagblad is alhier Zaterdag van Roomsche zijde geëischt: voor Roomsche patiënten Roomsche sanatoria, dokters, verpleegsters, enquêtrices. Wij gaan zeker niet zoo ver in de splitsing van ons volk. Maar voor onze christelijke patiënten vragen wij wel sanatoria in christelijke sfeer.
Daaraan blijkt thans groote behoefte. Uit gegevens, o.a. van de Geneeskundige Commissie der Raden van Arbeid en van het fonds der Chr. Vakbeweging blijkt, dat patiënten voor Sonnevanck of Moria langer moeten wachten dan voor andere sanatoria en dat in de Roomsche en neutrale sanatoria patiënten vertoeven, die aan een andere geestelijke sfeer de voorkeur zouden geven. Hier verheugt de voorzitter zich te kunnen zeggen, dat er tusschen „Sonnevanck" en „Zonnegloren" de aangenaamste verhouding bestaat.
Men zal vragen, hoe in dezen economisch benarden tijd aan de opening van een nieuw sanatorium kan worden gedacht. Het antwoord luidt tweeledig, zakelijk en philanthropisch.
Zakelijk is de opzet gezond. Het sanatorium zal zelf-supporting worden beheerd ; de verpleeggelden zullen aan den kostprijs gelijk zijn. In den kostprijs zullen ook rente en aflossing begrepen zijn. De kapitalen loopen dus geen risico. Het Dagelijksch. Bestuur kan nog niet zeggen, waar het deze kapitalen hoopt te vinden. Het denkt aan drie mogelijkheden. Ten eerste de provincie. De besprekingen hebben een aangenaam verloop en zullen binnen afzienbaren tijd waarschijnlijk een bevredigend resultaat verkrijgen. Ten tweede het rijk. De regeering heeft 'in den laatsten tijd rnet zeer belangrijke geldelijke hulp den bouw van nieuwe Roomsche sanatoria mogelijk gemaakt; indien wij dezelfde hulp behoeven, zal zij natuurlijk niet geweigerd kunnen worden. Ten derde de Kerk-; reeds nu zullen Diaconieën en Kerkvoogdijen door het verstrekken van kapitalen de spoedige opening van één vleugel kunnen bevorderen.
De moeilijkheid schralt in het verpleeggeld, dat niet laag zal kunnen zijn en dus voor menig patiënt te hoog zou wezen.
Reeds helpt hier de Invaliditeitswet met artikel 99. Evenzoo het fonds van de arbeiders. Ook steunt de plaatselijke en de provinciale Overheid soms zeer bevredigend. Maar op deze wijze worden zeker niet allen geholpen. Spr. denkt aan zoovelen uit den kleinen middenstand, die geen organisatie of fondsen achter zich hebben. Ook dezen moeten met kracht worden geholpen.
Hier ligt nu de schoone philanthropische taak. De kas der vereeniging — wel te onderscheiden van de sanatoriumkas — moet zoo worden gevuld, dat daaruit het verpleeggeld gesuppleerd kan worden voor wie zelf niet bij machte zijn de geheele som te betalen.
Reeds werden een paar belangrijke giften en eenige contributies ontvangen. Maar zoowel plaatselijk als provinciaal moet de organisatie nog uitgebouwd worden. Voorts wordt. hier veel van Diaconieën en Kerkeraden verwacht; zoowel contributies als collecten moeten het mogelijk maken dat de zegen der beoogde verpleging ook door geldelijk zwakken wordt bereikt.
Over deze beschouwingen en mededeelingen werd uitvoerig van gedachten gewisseld. De behandeling der zaken was verder van huishoudelijken aard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's