Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Paul bewonderde zijn vriendin. Wat had zij den Heere veel lief! Hij had dat nooit kunnen toonen, omdat hij nooit iets zijn eigen had kunnen noemen : niets dan dat kwartje van Ferdi, dat Hilda zich had toegeëigend.
„En vindt je moeder het ook goed, dat je nu weggaat ? "
„Nou ! die is 't heelemaal met vader ééns. Zij zegt ook, dat ik wel andere gedachten zal krijgen als ik maar eens onder de menschen kom. Moeder is ook zoo boos vijandig, Paul ! En zij wil ook niet, dat de andere kinderen meer naar de Zondagsschool gaan."
„Je ging tooh altijd maar alleen. Marie !" ,, Ja, maar toen Mark Mons terug kwam, heeft hij toch zoolang gepraat, dat Hendrik en Antje ook mee gingen ; maar tegen vaders zin."
Paul staarde een poos naar den grond. Dan hief hij in eens den wijsvinger op en zei „Marie ! 't zal goed met je gaan ! Jij bent ook een schaap van den Goeden Herder en Hij zal over je waken. Je moet altijd maar Hem in 't oog houden. Er staat in den Bijbel : mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen. Je zult het zien, dat het best met je gaan zal. Kijk maar naar mij. Altijd heeft Hij goed over mij gewaakt. Van de wieg af was ik een verschoppeling en zie nu eens : ik ben nu een kind van de beste menschen, in een huis, waar we alle elf God liefhebben en blijde dienen. Ik was de verschoppeling van Delberg en nu ben ik de herder van Winnewoud."
Marie zuchtte diep.
„En nu ben ik verschoppeling, Paul ! Dat is erger ! Ik ben altijd thuis geweest bij vader en moeder, en nu moet ik de wereld in ; ik had toch zoo gaarne thuis gebleven ! Nu zal daar niemand meer bidden, niemand trachten, de kinderen naar Jezus te leiden. Niemand zal zoo voor moeder zorgen, zooals ik het gedaan heb, en niemand zal zoo vaders humeur verdragen en tegemoet komen. Och Heere, Heere !"
Paul zag en voelde haar zieleleed. Hij pakte haar hand.
„Stil maar Marie ! Ik weet, dat het goed zal komen ; de Heere kan alles. Hij zal je een goed tehuis geven, zooals niemand dat voor je zou kunnen wenschen. Ik heb nu een allerbest thuis, maar het jouwe zal nog veel beter zijn. Die de wereld en de menschen gemaakt heeft, is je Vader. Ik ben zeker, dat het je goed zal gaan. Maar je moet naar den Herder zien. — Wil je een teug koffie uit mijn kruik ? "
„Heb je hier koffie ? Welja, laat ik ze eens proeven I"
„Wil je een boterham ook uit mijn trommeltje ? "
„Nee, die heb ik zelf wel bij me."
„Eet 'm nu op met wat koffie : dan eet ik er ook een."
Maar 't meisje kon niet eten. Ze voelde zich, of ze nooit meer zou kunnen eten ; alleen maar drinken kon ze.
„Drink de kruik maar leeg. Marie ! ik zie, dat je dorst hebt."
„Maar je moet zelf wat overhouden Paul !"
„Nee, drink er alles maar uit! Ik weet hier wel goed drinkwater."
Paul had medelijden met zijn vriendin. Wat kon hij meer voor haar doen, dan haar zijn koude koffie geven en — voor haar aan Zijn en haar getrouwen Vader vragen om hulp ?
„Marie, als je niet goed terecht kunt bij je tante, dan kom je maar terug naar hier ; overdag kan je mij in de hei vinden en dan zal ik Hillebrand vragen, of hij niet wat voor je weet. Je kunt je niet denken, wat voor goede hulpvaardige menschen dat zijn. Als je bij je tante niet klaar komt, zal je dan naar hier komen ? Marie, beloof het me I"
„Goed, ik beloof het je, Paul! Dan zal ik naar hier komen !"
Toen ze weg wilde gaan, vroeg hij nog even :
• „Marie, hoeveel geld had jij in je spaarpot ? "
„Meer dan vier en een halven gulden. Maar niemand mag 't weten, hoor I Want niemand, behalve vader en moeder, weet het."
Ze ging heen ; maar telkens keek ze om.
En Paul zag haar na tot ze achter een heuvel verdween, doch straks zou ze weer te voorschijn komen, en ja wel, daar eindelijk dook weer dat voor hem zoo lieve hoofd op, hij hief de hand zwaaiend omhoog en ook de hare zag hij bewegen. Nog een eindje en ze verdween weer, maar om niet meer in 't gezicht te komen.
Weg was ze.
Hij wilde zingen om nog langer met haar in gemeenschap te blijven, maar hij kon niet. De woorden stokten hem in de keel en zijn oogen werden vochtig.
„Och lieve Heere, waarom tooh ? " zei hij hoorbaar. Marie toch was altijd een Godvreezend meisje geweest, en hoe de Heere nu kon toelaten, dat er zóó met haar gedaan werd. Zou Hij 't wel weten ? 't Werd hem een oogenblik zoo triestig, zoo somber ! De wijde wereld werd hem zoo eng. Als de Heere het niet eens wist van Marie, of dat Hij er niet op lette, of 't maar zoo liet gaan, als het ging !
„Och Heere toch, en 't is zoo'n goede, lieve Marie ! En ze is toch "
Daar kwam plots iets in zijn gedachte, iets dat hij meermalen gelezen had in den Bijbel, de woorden :
O Herder Israels ! neem ter oore I Die Jozef als schapen leidet
Jozef. Was die ook niet Godvreezend geweest ? En werd hij niet als slaaf verkocht ? En moest hij niet in de gevanigems zuchten ? Maar — daarna werd hij onderkoning van Egypte en behield heel zijn familie in 't leven.
Een hoopvolle glans kwam over Pauls gelaat.
Dan dacht hij aan den vluchtenden Mozes, en den geminachten en vervolgden David. Nu begon de jongen te lachen.
„Heere ! dat we toch altijd weer dom worden I Wat was ik daar toch weer dom ! — Nu weet ik in eens, dat het goed zal gaan met Marie ; zooals 't met mij ook goed gegaan is."
Zij zou het nu niet meer kunnen hooren, maar zingen wilde hij toch. En nu kon hij het wel, want de goede Herder zou waken over dat lieve schaap ! Misschien had die Herder nu ook wel tot haar gesproken en misschien zong zij nu ook I Paul dacht zóó aan zijn vriendin, dat het later werd dan gewoonlijk, om met de kudde naar huis te gaan.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's