De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

De Heere der heirscharen zal zijne kudde bezoeken, het huis Juda, en hen stellen gelijk het paard zijner majesteit in den strijd. Zacharia 10 vers 3.

Gelijk het paard zijner majesteit in den strijd.
Kent ge grooter tegenstelling dan die tusschen een vluchtend schaap en een snuivend oorlogspaard, dat van ongeduld staat te trappelen om toe te rennen op de gestelde slagorden ?
Lees eens in het negen-en-dertigste hoofdstuk van Job, wat daar gezegd wordt van het paard, dat de Heere met den donder bekleedt. Het belacht de vrees van verre. Het keert niet om vanwege het zwaard.
Maar het schaap heeft geen hoeven als het paard om daaronder te vertrappen alles wat het nadert. Het heeft ook geen hoornen in den kop geplant gelijk de stier om daarmee het pad schoon te vegen, dat het afrent. Het heeft geen klauwen en geen slagtanden om te verscheuren gelijk de roofdieren. Men zegt zelfs van het schaap, dat het al op de vlucht slaat voor het geluid van zijn eigen voetstappen. Wat is hulpbehoevender dan een lam, wat weerloozer dan een schaap ! Voor het schaap, dat ter slachting geleid wordt, en zelfs dan den mond niet open doet, is het worgkoord en de wolschaar.
Daarom is het zoo aangrijpend en aandoenlijk, dat Hij, wiens naam is sterke God, zoo zwak heeft willen wezen als een schaap. Des Heeren gemeente is in zichzelf zwak en ellendig. En nu heeft die groote Borg willen worden, wat Zijn gemeente alleen leert erkennen bij het ontdekkend licht des H. Geestes.
We willen toch van nature niet weten, wat we zijn. De mensch, die zijn vuisten voelt jeuken van daden, denkt groot van zijne kracht. Ontdekt echter de Heere door Zijn Heiligen Geest er aan, wat de zonde van ons gemaakt heeft, dan leert hij verstaan, dat zijn kracht is vergaan in betrekking tot eigen zaligheid. Zonder indalende kracht van boven kan hij zelfs zijn groote schuld voor God niet beschreien, kan hij daarmee niet de toevlucht nemen tot het alreinigende bloed van Christus en weet hij zich niet toe te vertrouwen aan den Oversten-Leidsman des geloofs. Wat kent hij zich dan ellendig en diep in nood. Kon hij vroeger bidden, nu is er geen gebed bij hem, dat als een reukwerk opstijgt voor des Heeren aangezicht.
Met het oude Israël was het ook droevig gesteld ten dage van Zacharia, den profeet. In onzen tekst wordt het volk des Heeren vergeleken bij ellendige slachtschapen. Israël lijkt geen toekomst meer te hebben. Bij de groote mogendheden, die toen het lot der volkeren regelden, telde het niet meer mee.
Is Israël een kudde ellendige slachtschapen, dan zet de vijand dat volk na en stuift het uiteen, zooals verschrikte schapen naar allen kant uiteenstuiven.
En zie nu het wondere, dat de Heere doet. Hij zal Zijne kudde bezoeken en ze stellen als het paard Zijner majesteit. Dat wil dus niets minder zeggen dan dat hij, die pas nog vluchtte, van vluchteling een vervolger wordt, de verslagene overwinnaar en dat de overwinnaar van straks zal vlieden.
Zoo is het gegaan met den Koning der Kerk!
Hij, die als een lam ter slachting werd geleid en hing aan die vier bloedende wonden als een machtelooze aan het vloekhout op Golgotha, ging aan den opstandingsmorgen uit, overwinnende en opdat Hij overwon.
Zoo gaat het ook met Zijne onderdanen.
Gods Kerk is altijd in de minderheid. Altijd van de verliezende partij. Ge vindt haar immer in den hoek, waar de slagen vallen. Ze blijft het kind van de rekening. Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven. Dat woord heeft zijn kracht behouden voor iedere eeuw.
Maar juist dan, als gedacht werd voor goed met die gemeente te hebben afgerekend, formeerde de Hèere uit dié ellendige slachtschapen een keurbende ter overwinning.
Ellendige slachtschapen, — dat was Israël in Egypte.
Ellendige slachtschapen, opgeschreven op de zwarte lijst van den dood, — dat was des Heeren gemeente in de dagen der vervolging.
Maar Ik zal mijn kudde bezoeken en Ik zal ze stellen als het paard Mijner majesteit.
Dit is een algeheele omkeer. Een vluchtend schaap wordt als een paard van 's Heeren majesteit.
Zien we dat niet in de elf discipelen op het Pinksterfeest ? Eerst schuilen ze weg achter toegegrendelde deuren en dan komen ze uit hun schuilplaats te voorschijn om voor heel het volk te getuigen van Jezus.
Het zou te lang ophouden de bevestiging van dit woord na te gaan in de geschiedenis van Gods Kerk op aarde, van Israël onder de Maccabeën, ook in die van ons vaderland. Groote dingen heeft de Heere gedaan juist door hen, die voor geuzen, bedelaars en ketters werden gescholden en die vluchtend den vaderlandschen bodem moesten verlaten.
Hoe was het mogelijk, dat dit handjevol menschen, van wie het verzet uitging tegen de wereldmacht van die dagen, heeft getriumfeerd in dien strijd ?
Het antwoord vinden we in onzen tekst : „De Heere der heirscharen zal zijne kudde bezoeken, het huis Juda, en Hij zal ze stellen gelijk het paard zijner majesteit in den strijd."
Zwakke vrouwen en schuchtere meisjes werden niet overwonnen door den dood, maar zij triumfeerden over den dood te midden van den rook en de vuurvlammen der ontstoken brandstapels.
Eenvoudigen en ongeletterden beschaamden geleerde rechters door hun antwoorden en hun getuigenis.
Ik heb er wel gekend, die eerst in wilde wanhoop de handen haast afwrongen en die later in de handen klappend en juichend henengingen.
Vanwaar die omkeer ?
De Heere stelde ze gelijk het paard Zijner majesteit in den strijd.
Ik heb er wel gekend, die uit de hand moesten geven alles, wat ze ontvingen ; die getergd werden in wat ze heilig wierd en gevleid juist in datgene, wat ze tot zonde werd. Ik heb er gekend, die stierven niet één dood, maar op wie van toepassing was : „Duizend dooden, duizend zorgen kwellen mijn angstvallig hart." Hij, die rondgaat als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij kan verslinden, brengt geen enkelen nacht slapende in zijn leger door. Er is dan meer vrees geen kind van God te zijn dan geloof het wel te wezen. Halve heiligen in eigen oog hebben hiervan geen last. Passend wordt gevraagd : „Waar is God, dien gij verwacht? " en als er dan geen antwoord is om den smader te antwoorden en heel de hel houdt haar doodendans rondom de ziel ? Van binnen vinden we een wil, die boos is, en een hartstocht, die misdadig woelt en voor de deur, buiten, — Satan, die loerend wacht en die niet zelden zijn eigen vuil gebroed voor de deur legt om hun er het vaderschap van toe te schrijven.
En als de Heere ze dan bezoekt! ? Dan is datzelfde smartebed een predikstoel van Gods deugden. Eerst een vluchtend schaap, dat bevend ineenkrimpt en angstig wegschuilt en dan een snuivend oorlogsros, waarvoor alles uitwijkt! Dan is de beurt aan de hel om te vlieden. Dan moeten de trawanten en satellieten van Satan het veld ruimen ! Een schuchtere, een ongeloovige in eigen oog, een vreesachtige ziel gesteld tot een paard Zijner majesteit in den strijd. Dat wondere herhaalt zich, zoo dikwijls de Heere Zijne kudde bezoekt. Dan hoort men der vromen tent weergalmen van hulp en heil, hun aangebracht.
In zichzelf zijn ze en worden ze nooit iets meer dan ellendige slachtschapen. Er staat dan ook niet, dat de Heere ze zal maken tot paanden Zijner majesteit, neen, dat Hij ze er toe stellen zal. Ze blijven, wat ze zijn. Geen vleesch zal roemen voor Hem. Hij volbrengt Zijne kracht in hun zwakheid.
Wee hun, als ze in eigen oog wat gaan worden. Daarmee zullen te pas komen. Dan wijkt de Heere van ze als van Simson, die met uitgegraven oogen moest malen in het gevangenhuis.
De geloovige is een kind, als hij op zichzelf ziet; maar een held, als hij op zijn God mag zien. Ziet Elia op zichzelf, dan vlucht hij zooals een verschrikt schaap de woestijn in vlucht, al is degene, die hem nazet slechts een vrouw. Is de Heere echter aan zijn zijde, dan gaat hij voor Achab met al diens Baalpriesters niet uit den weg.
Een kind en een held ! Een ellendig slachtschaap en een snuivend oorlogspaard ! Zwak en toch sterk ! Bedroefd en toch blijde ! Neergestooten en toch overwinnaar ! Een verloren zondaar en toch een gereinigde vreemdeling ! Ten dage, dat de Heere Zijn kudde bezoekt! Op den dag van 's Heeren heirkracht !
Op de belijdenis : „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond", — volgt dan de bede des geloofs : „Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond."
Is dat de bede van u en van mij ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's