De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

's Avonds vertelde hij aan Hillebrand de ontmoeting met Marie, en deelde hem het goede mee, dat hij gehoord had : dat er in Delberg een mooi gebouwtje werd gezet, waar Zondagsschool gehouden en 's avonds het Evangelie gepredikt zou worden ; dat het aantal leerlingen nog altijd toenam en Mark Mons immer op zijn post was. Ook vertelde hij, dat Marie naar haar tante was, om daar een dienst te zoeken, en verhaalde hij tevens voor 't 'heele gezin, hoe zij hem midden in den nacht de eerste leesles had gegeven.
Maar van haar spaarpot zweeg hij.
Lichamelijk verkwikt door Pauls koffie, en geestelijk door zijn nabijheid en goede woorden had Marie de reis weer aanvaard. Ze was zoo in-blij, dat ze Paul weer eens gezien had en dat hij zoo gelukkig was. Haar eigen verdriet vergat ze een oogenblik en bad voor haar vriend, dat de Heere ook verder trouw voor hem wilde zorgen. Haar tante Asseltje kende ze goed : 't was een zuster van haar vader, norsch en wrang van humeur en een vijand van den waren godsdienst. Ze kon niet gelooven, dat haar tante iets voor haar zou willen doen, en hoopte een oogenblik, dat er in heel Berkeloo geen dienst voor haar was, want •—• dan zou ze spoedig terug gaan en Paul weer zien. En misschien wist de kuiper wel een dienst voor haar in Winnewoud !
O, wat kwam het meisje slecht van pas bij tante Asseltje : zóó had ze 't zich niet kunnen denken.
„Dachten je vader en moeder, dat ik me een last op den hals zou halen, dien ze zelf van zich afschuiven ? Wat meent je vader wel ? Laat hij zelf een dienst voor je zoeken ! — En al wist ik hier een dienst voor je, dan wilde ik toch geen last hebben van mijn broers kinderen, 't Zijn mooie manieren !"
De vrouw was toch nog zoo menschelijk, dat ze haar nicht niet terstond rechts omkeert liet maken naar huis toe : ze mocht daar den nacht overblijven.
En Marie was er den nacht over gebleven ; maar geslapen had ze niet. O, wat was dat een bange nacht geweest. Alle menschen waren wreed jegens haar, en God zelf scheen Zich verborgen te houden. Donkerder dan 't nachtelijk zwart voor haar oog was 't in haar ziel. Bidden kon ze nu niet, want een booze aanklager in haar zei, dat ze een ongehoorzame dochter was. Zij had moeten luisteren naar haar vader en moeder, en niet tegen hun zin in zooveel en zoo beslist zich met godsdienstige zaken moeten bemoeien. Haar godsdienst was toch maar schijn, want indien ze werkelijk God had willen behagen, dan had ze niet meer naar de Zondagsschool en naar de kerk moeten gaan en dat geld niet moeten geven voor dat gebouw, waartegen haar vader zoo vijandig was.
't Was haar zóó bang, dat haar 't zweet uitbrak. Maar spoedig ondervond ze, dat de Goede Herder haar niet vergat, want als een helder licht in 't donker harer ziel kwamen de woorden : Die vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig. Er kwam in eens een groote blijdschap over haar, want zij wist, dat ze haar Jezus liefhad, en dat juist die liefde haar op dezen weg had geleid. Al verstieten haar alle menschen, zoo zou ze toch nog op Hem hopen, en niets, niets zou haar kunnen scheiden van Zijn liefde. Goedsmoeds was ze opgestaan, maar haar tante was nu nog slechter gemutst dan gisteren en scheen het er op toe te leggen om het meisje met wrevel te vervullen. Haastig had Marie een snee brood gegeten, haar tante gegroet, en was ze de deur uitgegaan. Ze schudde haar hoofd toen ze voor den terugweg stond. Den anderen kant uit! Ver weg van haar vader, die haar verdreef en van haar tante, die haar terug joeg. Altijd wilde ze verder gaan als een uitgestootene, en huis aan huis vragen, of men haar niet in dienst wilde nemen. Vreemden zouden zich over haar ontfermen, indien God Zich ontfermde over haar.
Verder, altijd verder!
Neen, toch niet! Ze had Paul beloofd, dat ze tot hem zou terugkeeren, indien tante Asseltje haar niet hielp. En ze wilde haar woord houden, vooral aan den eenigen vriend, dien ze op aarde had. Treurig sloeg ze den eenzamen heideweg weer in. Nergens ontwaarde ze daar in den vroegen morgen een levend wezen. Tot bij de heuvels.
Even daar bij op ! Misschien —
Neen, nergens was iets van een kudde of herder te bespeuren. Ze zette zich hier neer om wat te rusten en tot zich zelf te komen : de dag was nog lang genoeg I Toch — indien Paul eens niet daar ginder opdaagde en zij hem niet daar zou vinden ?
Dat beangstigde haar, want indien ze nog van eenig mensch hulp verwachtte, dan was het van Paul. Ze stond op, daalde den heuvel weer af en trok dieper den heideweg in, telkens de wijde ruimte met haar oogen doorborend of ze hem en de kudde mocht zien, en biddend dat ze hem mocht ontmoeten.
En de herder had 's morgens bij 't ontwaken allereerst gedacht aan Marie. Misschien slaagde ze niet bij haar tante en zou ze vandaag of morgen of overmorgen weer door de hei komen. Hij had zijn schapen opzettelijk zoo ver mogelijk in de richting van Berkeloo gedreven. Zooveel te eerder zouden ze elkander kunnen ontmoeten.
Eindelijk zag hij in de verte een menschelijke gedaante ; weg was 't weer achter een heuvel ; weer die gedaante ! Een man — neen, een vrouw ! Die wuifde met de hand ! Hij wuifde terug, 't Was een — 't was Marie I beslist Marie !
't Meisje had hem ook lang in 't vizier ; ze liep nu harder : bij Paul kon ze wel weer uitrusten !
„Paul !" „Marie !" '
't Klonk luid over dè wijde eenzame wereld, want ze waren nog ver van elkander, In eens flikkerde er een idee door Pauls brein : zij zouden hier best samen een hut van heizoden kunnen maken en daarin wonen ; dan behoefden ze niemand meer lastig te vallen, en ze zouden gelukkig zijn. Altijd konden ze bij elkaar zijn en zouden ze samen de schapen hoeden en samen breien, 't Behoefde maar een eenvoudig hutje te zijn met twee bedden en een klein kamertje ; veel huiswerk was er dan ook niet. Om 't hutje heen kon hij wat grond ontginnen en er aardappels op verbouwen. Geld had hij wel om een paar schapen te koopen, om kleeren en melk te hebben. En als ze groot waren, konden ze samen trouwen. Als de baas en de vrouw 't maar goed vonden !
„Paul !" „Marie !"
't Was toch zoo'n goed meisje !
„Wat kom je gauw terug. Marie ! Was 't mis bij je tante ? "
,, 0 Paul, wat dank ik God, dat ik er al weer zoo'n eind vandaan ben. Heb jij wel eens in den Bijbel gelezen : De barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed ? "
„Nou ! of ik dat gelezen heb : 't staat in de Spreuken, en als ik het lees, denk ik altijd aan Teun Dolle."

 (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's