De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

6 minuten leestijd

Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid. Hosea 2 vers 18a.

De ondertrouw des Heeren.
Het huwelijk wordt in de Schrift telkens gebezigd om ons af te malen de innige, teedere betrekking die daar is tusschen God en Zijn volk, tusschen Christus en Zijn Gemeente. Zoo wordt in het Hooglied van Salomo onder dit beeld de uitnemende liefde van Jezus tot de Zijnen bezongen ; ook in het Nieuwe Testament vinden wij dat. Bijvoorbeeld in Jezus' gelijkenis van 't bruiloftsmaal, dat een zeker koning bereid had zijn zoon, en in die andere, die van de tien maagden, tot welke ter middernacht de roepstem kwam : „Ziet, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet."
Ook de apostel Paulus wijst op dezen geestelijken band als hij in zijn brief aan de Efeziërs vermaant tot liefde en eenheid tusschen man en vrouw.
En Johannes op Patmos zegt, dat hij het nieuwe Jeruzalem zag, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man is versierd.
Als de Heere dan ook bij monde van Hosea tot Israël zegt: „Ik zal u mij ondertrouwen", dan wil dat zeggen, dat God met Zijn volk in gemeenschap, in nauwe betrekking zal komen, dat Hij het trekken zal aan Zijn goddelijk liefdehart.
Hiermee worden wij gesteld voor een ondoorgrondelijk wonder van genade, vol van zaligen troost voor allen, die in dat afkeerig Israël hun eigen beeld hebben mogen zien.
Het is toch duidelijk, dat wij het woord van Hosea niet mogen beperken tot Israël alleen. Neen, het heeft beteekenis ook voor onzen dag en spreekt tot een zondig volk van Gods machtige, alles-overwinnende liefde, die alleen door zichzelf bewogen wordt. Daar is in dit opzicht zulk een groot verschil tusschen goddelijke en menschelijke liefde. Als wij liefhebben dan moet er in het voorwerp onzer liefde altoos iets zijn dat ons aantrekt en boeit en bekoort.
Maar zoo is het bij de liefde Gods niet. Trouwens wat zou er in ons te vinden zijn, dat den Heere zou behagen ? Wij kunnen Hem immers niet anders toonen dan zonde en schuld. Daarom juist is het zulk een eenig wonder, dat de Heere hier tot een zondig volk zegt: „Ik zal u mij ondertrouwen."
Wat een geweldige afstand is daar niet tusschen dat „Ik", dat majestueuze, goddelijke „Ik" en dat „u."
God is de vlekkeloos Heilige, de Volzalige, die in het licht woont en Hij zet Zijn hart op verdoemelijke zondaren, op armen en ellendigen.
Het moge wat schijnen, dat de machtige Koning Ahasveros de arme Esther liefhad, maar vanwege haar schoonheid had hij haar armoede vergeten. Maar hier is de arme bruid, gelijk Augustinus zegt, nog zwart en melaatsch in haar armoede bovendien ; ze bezit letterlijk niets dat den Heere aangenaam zou kunnen zijn en toch zegt Hij: „Ik zal u mij ondertrouwen."
Denk u toch eens even in wat dit inhoudt ! Het wil zeggen : Ik zal u doen deelen in mijn gemeenschap, u, die arm en ellendig zijt en uw weg geheel hebt bedorven.
Maar, Heere, zoo wordt er gevraagd, hoe kunt Gij dat doen, waar er toch in mij niets te vinden is dat U zou kunnen bewegen ? En het antwoord luidt: „Ik doe het ook niet om uwentwil, maar om mijnentwil; want Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.
Daarin ligt eenerzijds een oorzaak tot diepe verootmoediging voor het volk des Heeren — het was immers niet om hunnentwil ; maar anderzijds ligt daarin voor hen een sterke bemoediging. De liefdeband Gods met Zijn volk wortelt in de eeuwigheid, maar strekt zich daarom dan ook tot in alle eeuwigheid uit. „Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid", spreekt de Heere.
Hoe rijk vertroostend is dat woord voor een mensch die zichzelf in zijn ontrouw heeft leeren kennen ! O, als dat woord „in eeuwigheid" er niet eens bijstond, hoe droevig zag het er dan uit met het volk van God.
Als wij pas verlost zijn uit het diensthuis der zonde, dan denken wij wel eens dat de wereld zóó ver beneden onzen voet ligt, dat wij wel nimmermeer door haar zullen worden bekoord — maar gaat het ons later niet menigwerf zooals het Israël ging, dat eerst zoo ijverig was in den dienst des Heeren, Hem nawandelde door de woestijn en onbezaaid land, doch straks afzwierf zoo ver, o zoo ver ?
Of kent gij het bestraffende Woord des Heeren niet : „Dit heb Ik tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten."
Wat ware er van David geworden na zijn schrikkelijk wanbedrijf als het niet heette : „Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid" ? Maar dan zou hij immers nooit zijn zonde hebben beweend met een droefheid naar God. En ook Petrus zou nooit bitter weenende zijn uitgegaan als de liefdeband des Heeren met hem niet een eeuwige ware geweest.
Ja niet één ziel was zalig in den hemel, immers al Gods kinderen moeten het belijden dat zij tot hinken en zinken gereed zijn en blijven, elk oogenblik.
Daarom juist is het voor al het volk, dat vreest onderweg nog te zullen bezwijken en nimmer het Kanaan Gods te zullen betreden, zoo rijk vertroostend dat er staat: „Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid."
In dit leven zijn alle verbintenissen wankel, een kleinigheid kan ze zelfs vernietigen en zeker verscheurt ze eens de dood ; maar het verbond dat de Heere met de Zijnen maakt is een eeuwig verbond en daarom onwankelbaar. Zijn liefde verkoelt nimmer, zoodat in waarheid van die liefde gezongen kan worden : „vele wateren zouden haar niet kunnen uitblusschen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken."
De ondertrouw des Heeren met Zijn volk zal dan ook nooit verbroken worden. Immers wat God bemint, bemint Hij eeuwig, 't Is waar, daar kunnen tijden zijn waarin Gods kinderen om allerlei oorzaak de uitlatingen Zijner liefde moeten missen en met David moeten klagen: „o God, Gij schijnt niet van het verbond met uwen knecht te weten", toch zal Gods goedertierenheid van hen niet wijken, het verbond Zijns vredes zal niet wankelen.
De Heere bevestigt als de onveranderlijk Getrouwe Zijn Woord : „Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid."
Dat wordt hier reeds aanvankelijk er­ varen, maar eenmaal volkomen als het woord in vervulling gaat : Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijne vrouw heeft zichzelve bereid.

R.  
v. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's