Uit het kerkelijk leven.
De prediking en de eerste Christengemeente.
Natuurlijk zijn de dingen in de eerste Christengemeente heel anders geweest dan ze onder ons zijn. Wij beleven ook andere tijden en andere omstandigheden beheerschen al ons doen en laten. Dat is op zich zelf genomen heel natuurlijk en daar zit niets verkeerds in. Alleen maar, we hebben er naar te staan, dat wij de beginselen, de hoofdlijnen, ons in de Schrift gegeven, in het oog houden en ons doen en laten daarnaar inrichten.
In den beginne was de prediking ook heel anders geregeld.
De Heiland ging rond, van plaats tot plaats. Hij zond Zijn discipelen ; Hij gaf reizende Evangelisten. En na de hemelvaart van Christus, als hier en daar een gemeente ontstaat en de samenkomsten werden gehouden, krijgen we de opzieners of regeerouderlingen, maar de prediking is niet geregeld. Daarbij sloot men zich aan bij de gewoonte der tijden. En gelijk in de synagoge het leeren of onderwijzen vrij stond aan wie daartoe de gave hadden, zoo is ook in de eerste Christengemeenten in de prediking voor zien door Christenen, die daarvoor gaven hadden en ook door reizende Evangelisten.
Zóó ook is te verklaren de wanorde die er ontstond, bizonder in de gemeente van Corinthe, waar velen door elkaar gingen praten, zeggende, dat zij den Geest hadden ; waarin zich ook vrouwen mengden.
Paulus is daartegen streng opgetreden.
In den lateren Apostolischen tijd werden de gaven tot leeren meer beperkt en in deze kwam meer orde en leiding. Ook al, omdat door het indringen van allerlei dwaalleer aan het leeren in het midden van de gemeente hooger eischen werden gesteld. Waarbij kwam, dat dé Apostelen stierven en de reizende Evangelisten ook werden weggenomen. Toen was naast het gewone ambt van Opziener of regeer-ouderling het gewone ambt van Opziener of Leer-ouderling gekomen.
Uit dien tijd dateeren de apostolische pastoraal of herderlijke brieven door Paulus geschreven aan Timotheus en Titus.
Vandaar b.v. een omschrijving in den eersten brief aan Timotheus : „dat de Ouderlingen, die wel regeeren, dubbele eer waardig geacht worden, inzonderheid die arbeiden in Woord en leer."
In den naam van Christus, Die de Overste Herder is, beveelt Paulus dan ook aan Titus om te bevorderen, dat er van gemeente tot gemeente op Creta die tweeërlei ouderlingen komen ; om de gemeente te regeeren en om de gemeente te leeren, waartoe deze twee ambten waren, naar de instelling van Christus.
Zelf door den Vader gezonden en gezalfd, zendt Christus nu Zijne dienstknechten. En Paulus bevordert het, naar het bevel van Christus aan Titus de macht gevend, dat in Christus' Naam en door Christus' kracht de dienstknechten van Christus in het ambt gesteld worden om de gemeente voortaan te regeeren en te leeren.
Zoo komt er meer vastigheid bij het vele, dat nog niet geordend was. En naar dien regel, ons in Gods Woord gegeven, hebben wij ons te gedragen en de Kerk zal er wèl bij varen, indien zij zich aan dien regel houdt.
Naast het regeer-ambt dus het leerambt.
En bij dit tweeërlei ambt, dat zich op de meest natuurlijke manier heeft ontwikkeld naar uitwijzen van Gods Woord zal alle willekeur dan ook verre blijven.
Wat sectarische geesten ook naar voren brengen, de Kerk van Christus houdt en eert èn het ambt van regeer-ouderling èn het ambt van leer-ouderling ; of zooals wij het nu noemen : het ambt van ouderling en het ambt van dienaar des Goddelijken Woords.
Niet weinig verwaand.
Iemand die zich H. teekent schrijft in het Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden onder het opschrift: „Honderd jaren" (1823—1923) ook over het bekende boekje van Da Costa „Bezwaren tegen den geest der eeuw", dat voor 't eerst in 1823 verscheen en nu weer opnieuw is uitgegeven.
En wat treft ons dan weer opnieuw in 't geen deze moderne theoloog schrijft ? De groote minachting voor een geloovig man als Da Costa was en voor het boekje dat zooveel opgang heeft gemaakt onder ons volk, omdat het de consciëntie raakte van de Christenheid.
Luister eens. Wij pikken zoo maar een paar zinnen uit.
„Voor den tegenwoordigen tijd en voor het recht verstaan van de inwendige geschiedenis der Ned. Hervormde Kerk en de historie der richtingen is het brochuretje niet anders dan een curiositeit". (Wat zal die mijnheer H.. die over dat „brochuretie" als een curiositeit schrijft, zelf een reuzen-curiosum zijn !)
Verder schrijft dat heer : „Er zijn in het jaar der uitgifte vier drukken snel achter elkaar uitgekomen (laat H. óók eens een „brochuretje" schrijven, dan zullen we eens zien of er ook vier drukken snel achter elkaar uitkomen !). zoodat aangenomen mag worden, dat er nog exemplaren genoeg van bestaan om aan de belangstelling naar de algemeene beteekenis van het geschriftje te voldoen (daarom heeft men nu van dat „geschriftje" natuurlijk een nieuwe uitgave bezorgd, omdat er nog zooveel exemplaren van dat „brochuretje" zijn ; dat doen de „christelijke" uitgevers voor hun plezier, weet u, mijnheer H.).
„De beteekenis", zoo decreteert de moderne mijnheer H. — en die kan het weten — verder : „De beteekenis ligt niet in de afzonderlijke, veelal zotte en onhoudbare beweringen, die ook stellig niet alle door de tegenwoordige strenge orthodoxie zullen onderschreven worden (hoort gij het „strenge orthodoxen" hoe goed en precies de moderne mijnheer H. alles van u weet ? ) maar die ligt hierin, dat het boekje heeft gewerkt als een ouderwetsche porder ; het is de knuppel waarmee de porder op de deuren van zijn klanten rammelde, om hen tot opstaan te brengen."
„Ik meen, dat men van Da Costa's Bezwaren den meest juisten indruk zal krijgen als men zich bezig houdt met de onsterfelijke officiëele geschriften der Gereformeerdheid."
Ten slotte wordt het boekje ook nog vergeleken met „een stevig glas wijn", terwijl er ook nog sprake is — maar dat geldt dit boekje niet — van „een kommetje lauw suikerwater."
Later nog zegt de heer H. „al was nu de inhoud nog onbeteekenender uitgevallen dan ze in werkelijkheid was", enz. enz.
Da Costa komt er dus wèl kaal af. En zijn geschrift is prulwerk.
Ook Bilderdijk krijgt een smeer uit de pan. Want heeft hij, toen Da Costa aangevallen werd, het aanstonds voor zijn vriend opgenomen in zijn boekje: „De bezwaren tegen den geest der eeuw toegelicht", ook daarover is de heer H; maar slecht te spreken. En niet weinig verwaand getuigt hij daarvan :
„Nu had Da Costa steun, maar die gaf hem weinig bij zijn tegenstanders, want Bilderdijk was verre van populair en de inhoud van de toelichting was werkelijk niet degelijker dan Da Costa's eigen boekje."
Neen, ons opschrift boven dit stukje is te slap geweest. Wij hebben er geen bezwaar tegen, dat men er wat anders voor leest.
Voelt men niet bij vernieuwing de minachting die er bij de vrijzinnigen leeft tegen dat Christendom, dat Bijbelvast is ?
Friesland om?
Toen wij er reeds melding van hadden gemaakt, dat, mee doordat Friesland „om" is gegaan (er is nu een vrijzinnige meerderheid voor het Provinciaal Kerkbestuur) over een paar jaar de Synode ook weer in meerderheid modern kan zijn, is daarna in de N.R. Courant een berekening gekomen, waarvan het resultaat hetzelfde was.
Dat is ernstig genoeg, dat de dingen zóó geloopen zijn.
Maar toch moeten ook deze dingen tot de gewone proporties worden teruggebracht.
Want — wat Friesland betreft — de classes Sneek en Dokkum zijn overwegend orthodox. Leeuwarden is overwegend vrijzinnig. Om die drie classes gaat het dus niet. Maar om Heerenveen (45 tegen 43) en Franekèr (47 tegen 45), welke beide classes orthodox waren, maar nu vrijzinnige leden in de Besturen kozen.
Is nu de classis Franeker, waar met 47 tegen 45 vrijzinnig gestemd werd, ook inderdaad vrijzinnig ?
In Friesland zijn 32 vacante predikantsplaatsen.
En als er een vacature is wordt er wèl een ouderling, maar geen predikant door den Kerkeraad afgevaardigd.
Dus 32 menschen hadden er in Friesland — en dan predikanten — méér op de Classicale Vergaderingen kunnen zijn, als er geen 32 vacaturen waren geweest.
Dat is voor de classis Franekèr van deze beteekenis : Makkum, Idsegahuizen, Midlum, Schraard en Weisrijp, alle vijf orthodoxe gemeenten zijn vacant, zoodat er vijf orthodoxe stemmen méér kunnen worden uitgebracht als de predikantsplaatsen weer vervuld zijn. En dan was, naar het Hervormd Zondagsblad voor Friesland schrijft, de verhouding 48 links en 50 rechts. (Want Hoorn op Terschelling is óók vacant en dat is een linksche stem).
De overwinning van links op rechts zit dus enkel in de vacatures in de classis Franekèr.
Dat Franekèr dus „om" is, is minder juist ; al is het op zichzelf genomen erg genoeg, dat meer linksche dan rechtsche stemmen zijn uitgebracht.
Maar het is een omstandigheid, die zich elk jaar wijzigen kan, al naar dat er moderne dominé's vertrekken en orthodoxe komen.
En wat de classis Heerenveen betreft, daar stond het: 45 rechts tegenover 43 links. Op z'n kantje dus. Ook mee door de vacatures.
Ook dat kan nog wel veranderen.
Temeer waar in de classis Heerenveen ook Nijehorne ligt, waar nu de orthodoxe ds. Pijnacker Hordijk predikant is, tegenover wien de modernen zich zoo netjes gedragen hebben.
De toestand is dus in Friesland wel ernstig.
Wij willen het geen oogenblik ontkennen.
Maar hopeloos is het niet.
En voor de orthodoxen een aansporing te meer om elkaar te zoeken en in het voornaamste één lijn te trekken.
Wat min!
Maanden lang hebben de liberalen, vrijzinnigen, modernen, of hoe men ze noemen wil, de pers bewerkt, om toch maar schande te spreken over dien orthodoxen dominé Pijnacker Hordijk, die het beroep aannam naar het vrijzinnige(? ) Nijehorne in Friesland (classis Heerenveen).
Er was verraad gepleegd bij het beroepingswerk, zei men.
En de orthodoxe dominé was zoo oneerlijk, zoo brutaal om het beroep tóch maar aan te nemen, enz.
Tot bij de Synodale Commissie toe hebben ze het gezocht, om het beroep ongeldig te maken.
Alles tevergeefsch.
Totdat nu blijkt, dat o.m. een openbaar schoolhoofd, die nooit een voet in de kerk zet, er achter zit. Waarbij aan den dag komt. dat men iemand, die vóór gestemd heeft, zóó heeft geplaagd en ook zóó in zijn brood heeft benadeeld, dat het de spuigaten uitliep, waarop hij bedankt heeft als diaken, enz.
De oude geschiedenis — die wij, voorstanders van het christelijk onderwijs, zoo dikwijls hebben moeten doormaken!
Wat zijn er al niet een onnoemelijk aantal minne practijken toegepast door dat soort liberalen of vrijzinnigen, om een School met den Bijbel te keeren of de voorstanders te plagen en te benadeelen !
Een donkere, vuile bladzijde uit het boek der historie van het liberalisme en het modernisme ! Om van andere dingen nog maar niet te spreken.
Het „Handelsblad" is op onderzoek uitgegaan ; en nu heeft ds. Pijnacker Hordijk het volgende meegedeeld, waaruit men zien kan, wat hij het laatste half jaar ondervonden heeft van de vrijzinnigen in Nijehorne :
„Ik krijg daar op een Maandagmiddag den beroepsbrief thuis. Zoo verbluft was ik, dat ik er niet aan dacht, dat Nijehorne modern was geweest. Toen ik echter hoorde, hoe de verhouding gestaan had op de vergadering, stond bij mij het besluit vast. Ik nam de beroeping aan.
Maar toen begon de oorlog. Verscheidene collega's wilden me niet afkondigen, wat natuurlijk absoluut onreglementair is. Ik klaagde een paar collega's aan bij het Classicaal Bestuur (ik moest, het wel doen, anders was ik nóg niet afgekondigd) en toen werden ze daartoe gedwongen. De hoofdonderwijzer, die nooit een voet in de kerk zet, maar nu „voorzitter van het comité van actie" is, heeft toen een klacht ingediend bij het Classicaal Bestuur, dat de beroeping niet geldig was, daar ik niet op de eerste drie Zondagen was afgekondigd !
Er kwam geen klacht verder in bij het Classicaal Bestuur, zoodat mijn beroep werd goedgekeurd, ook door den modernen voorzitter. Een lid van dat Bestuur is toen in hooger beroep gegaan bij het Provinciaal Kerkbestuur. Dit lid werd onontvankelijk verklaard, daar hij geen belanghebbende was. Hij heeft toen gewacht tot de Mei-vergadering van de Synodale commissie afgeloopen was met zijn cassatie-aanvraag, en onmiddellijk verscheen in het „Nieuwsblad van Friesland" een triomfantelijk stukie, dat er van intrede geen sprake zou zijn, daar de volgende vergadering van de Sinodale Commissie pas plaats vond in November. Deze truc is echter niet gelukt, daar de Synodale Commissie een spoedvergadering heeft belegd.
Toen de beroeping was goedgekeurd, kwam er een ingezonden stuk van den consulent in het „Nieuwsblad van Friesland", waarin ik o.a. werd uitgemaakt voor ,, een onderkruiper, die absoluut eerloos is", voor een karakterlooze, die alleen om het geld naar Nijehorne ging, en het Classicaal Bestuur en ik voor Farizeesche ongerechtigen. Later verscheen er nog een ingezonden stuk van zijn hand, en een van de onderwijzers aldaar, waarin o.a. stond, dat de modderspatten niet alleen op mijn kleed, maar ook er onder zaten, en nog meer van die lieflijkheden.
Wat de beroeping zelf aangaat, die is heel zuiver gegaan. Er was een hoorcommissie gevormd, die predikanten zou gaan hooren ; maar op een vergadering was positief gezegd, dat men vrij bleef bij de stemming. De hoorcommissie stelde voor ds. Immink te beroepen. Aanvankelijk gingen de orthodoxe leden daarmee accoord, doch toen zij vernamen, dat de Evangelisatie-menschen mij wilden beroepen, gingen ze daarmede accoord. Op de vergadering werd toen mijn naam genoemd als tegen-candidaat en toen de consulent zeide : dan gaat het tusschen ds. Immink en ds. Pijnacker Hordijk, stemden ook de orthodoxe leden van de hoorcommissie op mij. Deze daad werd later verraad genoemd, en de mooiste woorden werden er voor uitgekozen. Mijns inziens deden ze eenvoudig hun plicht ; orthodoxe leden moeten toch een orthodoxen predikant beroepen, al waren ze dan lid van een hoorcommissie.
Een ouderling heeft voor een ander een briefje ingevuld met mijn naam, nadat ze daartoe van te voren overeengekomen waren. Er is trouwens een getuige die dat bevestigt. Later kwam men aan met de bewering, dat de ouderling den naam van ds. Immink had moeten schrijven !
Verder beweert men, dat de stemming niet zuiver is gegaan, omdat op de briefjes mijn voornamen en de plaats mijner inwoning niet gestaan hadden. Van te voren was men echter overeengekornen, dat „Immink" en „Pijnacker" voldoende waren ; men wist wien men bedoelde. Wat heeft de Kerkvoogdij gedaan ? Die gaat, toen ze vernam, dat ik komen zou, de pastorie verhuren, en daarvoor een advocaat consulteeren ! Durft men dan nog over „immoreele middelen" van orthodoxe zijde spreken ?
Ik kan me best begrijpen, dat de modernen het onpleizierig vinden dat Nijehorne een orthodoxen predikant krijgt ; dat de onderwijzers bang zijn dat er weer meer kinderen naar de Bijzondere School zullen gaan ; dat heeren kerkvoogden, die tot nu toe de pastoralia beheerd hebben, niet gaarne deze uit handen willen geven.
Maar dan kan men toch met eerlijke middelen strijden.
Waarlijk, het is niet, dat ik geen waardeering voor de tegenpartij heb. Dat zou al erg dwaas van me zijn. Maar de modernen in de classis Heerenveen zijn me ontzaglijk tegengevallen. Ik wist niet, dat menschen zóó oneerlijk konden zijn.
Ten slotte nog iets. Een van de „verraders", een diaken, was schilder. Op een vergadering werd hem toegevoegd, dat hij er geen voordeel van zou hebben dat hij op mij gestemd had. Bang voor zijn broodje, nam hij ontslag. Er werd echter beweerd dat hij ontslag nam omdat hij spijt had over zijn stemming. Ik vernam later uit zeer betrouwbare bron, dat hij „getrapt" werd door de modernen. Ten slotte kreeg ik een brief van hem, waarin hij zijn spijt uitte, dat hij op mij gestemd had. Een copie van dien brief heeft de hoofdonderwijzer, lid van het „comité van actie", aan alle leden van het Classicaal Bestuur getoond. Commentaar overbodig !"
Ja — commentaar is overbodig. Maar 't is min, dat is zéker.
Een Modus-vivendi ?
De Vrijzinnig Hervormden werken in die richting. En natuurlijk gaan zij dan de neuzen tellen, want niet meerderheid van stemmen en alleen in samenwerking met anderen kunnen zij er komen en kan de zaak haar beslag krijgen.
In een artikel „Toekomst-Synodes" laat dr. Van Iterson, hoofdredacteur van het „Weekblad voor Vrijz. Hervormden", dat uitkomen. Want schrijvende over de blijde voorspellingen van een vrijzinnige Synode der Ned. Hervormde Kerk in de toekomst, waarbij gezegd is : „dan zouden de vrijzinnigen uit eigen kracht een „modus-vivendi" kunnen bewerkstelligen", redeneert dr. Van Iterson aldus : „het is te hopen, wèl, dat er een vrijzinnige meerderheid in de Synode komt, maar niet, dat dan louter door 11:8 een modus-vivendi komt."
(Hier had dr. v. l. moeten schrijven 9:8 — want hij zal zelf wel niet den moed hebben om in een dergelijke kwestie óók mee te rekenen de twee Waalsche leden der Synode. Als men die tenminste ook zou willen spannen voor dit wagentje, is het voor een kind duidelijk, dat nóg meer alle reëele grond ontbreekt en men moet er dan maar op rekenen, dat dit karretje in een moddersloot terecht komt).
„Het is te hopen", zoo gaat dr. Van Iterson voort, „dat de samensprekingen tusschen de verschillende richtingen tot een modus-vivendi moeden brengen. Dan pas heeft zulk een regeling standvastigheid en autoriteit. Dan pas heeft de Kerk een besluit genomen, dat haar als Christelijk instituut past.
Dat laatste is verstandige taal.
Hoewel dr. van I. toch ook weer daarna zoo dwaas is om eigenlijk te zeggen : als het dan niet door samenspreking kan, welnu dan maar met een stemmenmeerderheid !
Wat nu die samenspreking betreft en dat komen tot overeenstemming inzake een Modus-vivendi — nu, dat staat (gelukkig !) niet hoopvol.
Want wel heeft dr. van I. in hetzelfde nummer van het Vrijzinnig Weekblad 'n stukje geschreven over de Ethischen en een Modus-vivendi; in welk artikel hij aanhaalt wat b.v. dr. Korff op de Zomer-Conferentie van de Ethische Vereeniging heeft gesproken, om daar dan dezen blijden uitroep op te laten volgen : „Mochten dus de ethischen met de evangelischen zich scharen achter het in „ons program" uitgewerkte schema van vreedzaam samenleven, dan zouden we een flinken stap in de goede richting kunnen doen" — doch wij gelooven te mogen zeggen, dat men veiliger ten dezen opzichte kan spreken van een flinken stap achteruit, dan van een flinken stap vooruit.
Want ja, dr. Korff heeft o.a. gezegd: „Vreedzame samenleving van de verschillende richtingen is noodig. De Kerk kan en mag haar belijdenis „Christus de Heer" niet afschaffen, maar evenmin een bepaalde exegese daarvan uitwendig opleggen of handhaven. Deze toestand is niet ideaal, maar moet aanvaard als die waarin God ons heeft gebracht. Aan het stelsel van den Modus-vivendi moet misschien de voorkeur worden gegeven boven dat van de evenredige vertegenwoordiging" — Dat dus lijkt te gaan in de richting van een Modus-vivendi, maar dat woordje misschien geeft tegelijk aan dat er — nu ja — toch wel niets van komen kan en zal!
Tenminste als de belijdenis aangaande den Christus niet mag worden losgelaten. Dan staat alles weer voor 't onmogelijke, natuurlijk !
Uit de bespreking op de Conferentie van de Ethische Vereeniging is dan ook wel duidelijk geworden, dat van een Modus-vivendi niets komen kan en niets komen zal. Dat blijkt niet 't minst uit hetgeen prof. Obbink daaromtrent publiceert in „Bergopwaarts".
Daar lezen wij toch :
„Op de (uitnemend geslaagde) Ethische Conferentie werd, naar aanleiding van een voordracht van dr. Korff, o.a. gesproken over Evenredige Vertegenwoordiging en Modus-vivendi. In deze discussie heb ik o.a. opgemerkt, dat Ev. Vertegenwoordiging zeker geen weg is om uit de moeite te komen, omdat daarbij de rechtsche groepen aansprakelijk zijn voor vrijzinnige prediking, waartegen al wat confessioneel is zich verzet en verzetten moet, niet krachtens hun geloof of krachtens, den Bijbel, maar krachtens het confessioneele beginsel. Ook de Modus-vivendi zal geen ingang vinden, omdat die ons waarschijnlijk brengt op den weg van kerkontbinding. Ik heb dat reeds gevoeld toen ik medewerkte aan de opstelling van den Modus Vivendi, maar heb toch meegewerkt, in de hoop, dat het onderzoek van zulk een ingrijpend voorstel (welks verwerping ik wel vermoedde) mogelijk een anderen weg zou openen en andere mogelijkheden zou doen zien. Noch het een noch het ander is gebeurd, en wij zijn weer even ver als toen we begonnen. Een Modus-vivendi heeft nu minder kans dan ooit en zal zeker niet slagen."
Aldus prof. Obbink.
Men heeft nu maar een paar dingen even te onderstreepen en men weet genoeg ! „Ik heb het reeds gevoeld, toen ik medewerkte aan de opstelling van den Modus-vivendi." „Een Modus-vivendi heeft nu minder kans dan ooit en zal zeker niet slagen"
Genoeg, om ook den Vrijzinnig Hervormden alle illusies te ontnemen.
Dat men ook zoo onnoozel kan zijn !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's