De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

25 minuten leestijd

Onze Liturgie.
VII.
Ook als de prediker het zelf kan inrichten gelijk hij wil, is hij nochtans van Godswege gehouden en gebonden, om niet willekeurig te werk te gaan. Hij mag niet naar den inval van 't oogenblik handelen, maar moet handelen met bewustheid, bedenkende, dat hij niet alleen staat, maar als dienaar van Christus in het midden van de Kerk, in het midden van de gemeente is gesteld, om als herder met de schapen en als dienstknecht met zijn mededienstknechten te wandelen en te handelen. Onder een schijn van hooge geestelijkheid openbaart zich hier wel eens een geest van anarchisme ; en niet zelden beslist dan eigenzinnigheid, waarmede een ander maar genoegen moet nemen, zelfs de Kerkeraad, die toch in deze ook wel een woordje heeft mee te spreken.
De bedienaar des Woords mag dus maar niet doen, alsof er geen adventsweken, geen lijdensweken, geen feestdagen, geen oudejaarsavond, geen voorbereiding, geen nabetrachting, enz., is. Hij moet zich in deze gebonden weten aan den gang van het kerkelijk jaar, om in kerkelijk verband de dingen geestelijk voor te dragen in het midden der gemeente.
Wat moet de dienaar des Woords dus preeken ? Hoe moet hij zich bij de tekstkeuze laten leiden ?
Bij ons is 't gelukkig niet zoo, dat het voor heel het jaar, voor alle Zondagen is voorgeschreven welk Schriftgedeelte moet worden behandeld. Natuurlijk wel voor alle avond-godsdienstoefeningen. Dan ligt alles klaar in onzen Heidelbergschen Catechismus, die zelf zich aanbiedt om in een jaar, in 52 Zondagen, aan de Gemeente te worden gepredikt.
Maar dat is iets anders, dan dat voor de morgengodsdienstoefeningen óók een bundel van. 52 Schriftgedeelten of mogelijk van 52 korte Schriftoverdenkingen van hooger hand zouden worden gegeven, waaraan alle predikanten zich dan zouden moeten houden.
Natuurlijk ligt ook hier wel iets goeds in. Want zóó zou op den zelfden Zondag in Groningen en in Breda, in Alkmaar en in Arnhem, in Ameide en in Emmen hetzelfde Schriftgedeelte worden behandeld. En, met zorg gekozen, zou zoo in alle gemeenten een zekere volgorde in de bediening des Woords kunnen zijn. In de lijdensweken en op de feestdagen is er dan ook ongeveer zoo iets. Want in de lijdensweken mag men verwachten, dat gedurende zeven achter een volgende Zondagen in Amsterdam zoowel als in Barneveld ongeveer dezelfde Schriftgedeelten worden behandeld. En of men op Paaschmorgen kerkt in Apeldoorn of in Arnemuiden, op beide plaatsen mag men verwachten dat van de kansels gehoord wordt: „En laat na den sabbath, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien. En zie, daar geschiedde eene groote aardbeving ; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. En zijne gedaante was gelijk een bliksem en zijne kleeding wit gelijk sneeuw. En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden en werden als dooden. Maar de Engel antwoordende zeide tot de vrouwen : vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was ; Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd beeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden ; en ziet, hij gaat u vóór naar Galilea , daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd."
Natuurlijk kan de prediker op de feestdagen ook wel een ander Schriftgedeelte neemen.
Maar als hij niet de „feeststof" behandelt, valt 't zeer zeker velen tegen. Want —• en het is alleszins begrijpelijk — men had verwacht, dat de dominé de geschiedenis, die aan de orde is, zou behandelen.
En laat men niet zeggen : men kan toch niet elk jaar dezelfde geschiedenis behandelen. Want men weet beter. Dat kan men wèl. Dat moet kunnen. En wanneer de dingen niet in een sleur en geesteloos behandeld worden, dan kan het prachtig ! Er zijn geen mooiere, geen heerlijker geschiedenissen, dan in Lukas 2, in Mattheus 28 enz. ons zijn bewaard.
Waarom zou men elk jaar van denzelf den boom wel vruchten plukken en elken dag uit dezelfde bron frisch water scheppen en waarom zou de Kerstgeschiedenis niet elk jaar met de gemeente kunnen behandeld worden. Als de Geest maar waait, dan kan het best. Trouwens — als de Geest niet waait, dan kan men op Kerstmis óók niet over een ander Schriftgedeelte preken, of het is toch sleurwerk en leuterpraat ! En daarvoor gaat de gemeente niet naar Gods huis.
Ér is dus voor den prediker gedurende een groot, een zéér groot deel des jaars, vrijheid, om een tekst te nemen dien hij zelf wil. Dat is een voordeel. Maar wat zal men dan achtereenvolgens behandelen ? Zal het lukraak moeten gaan ; te hooi en te gras ? Zal men nu maar eens dit en dan maar eens dat preeken ?
Allerlei zou hier besproken kunnen worden.
Laat ons echter alleen dit zeggen, dat vooral in gemeenten waar één predikant staat soms — niet altijd — zoo'n mooie gelegenheid is, om vervolgstoffen te behandelen. In onze eerste gemeente hebben we eens onderscheidene Zondagen over gelijkenissen gepreekt; in onze tweede gemeente hebben wij 25 preeken over gedeelten van het boek de Openbaring gehouden. En wij hadden den indruk, dat het door velen op prijs gesteld werd. In grootere gemeenten gaat dat niet. Wij hebben het wel eens geprobeerd, maar er zijn zooveel bezwaren aan verbonden. Er zijn verschillende Kerken ; men heeft niet altijd een morgenbeurt; men heeft niet altijd dezelfde hoorders. Dat gaat dus niet (tenzij er onderling ruiling plaats heeft onder de collega's, wat echter ook zéér groote bezwaren heeft). Maar „bijbellezingen" en ook de Catechismusprediking bewijst, dat er voor „vervolgstoffen"-veel te zeggen is. Die het doen kan, die doe het; waarbij ook weer geldt het woord der Schrift : „de wijze kent tijd en plaats."
Worden geen vervolgstoffen behandeld, dan moet er toch niet wild door elkaar gepreekt worden ; zóó, dat de preek van den eenen Zondag heelemaal geen verband houdt, met hetgeen acht dagen te, voren is behandeld. Hoewel variatie niet ongewenscht is.
Natuurlijk, dat hierin beslissend is welke persoonlijkheid de prediker is, hoe zijn geestelijk leven is, hoe zijn werk is en hoe zijn omgang met de gemeente is. Is de prediker een man van ernst, een man van wetenschappelijke vorming en van geestelijken zin, dan zal hij nooit zeggen : „mij staat het nu eenmaal zóó aan en daarom doe ik het zoo." Dan zal hij reëel te werk gaan en de dingen ordelijk en in z'n verband behandelen ; waarbij hij verklaring kan geven en goede verklaring, waarom hij het zóó en niet anders doet. Ongeestelijke hekkespringers komen altijd met een dooddoener als : „ik vind het zóó 't beste en daarom doe ik het zóó" — alsof die „ik" heel wat te beteekenen zou hebben — maar die het ernstig neemt, niet van wetenschappelijke vorming ontbloot is en een waarachtig geestelijk leven kent. die staat er naar om zóó te preeken, dat het niet platvloersch en niet nukkig en niet om menschen te behagen geschiedt, maar dat het door Gods genade dienen mag om oude en nieuwe schatten uit Gods Woord te voorschijn te brengen en de gemeente op te bouwen in haar allerheiligst geloof, waarbij degenen die nog van verre staan met een heilige jaloerschheid mochten worden vervuld, om zich ook tot dien Christus te wenden, die tot armen en ellendigen zegt : „Komt tot Mij en Ik zal u ruste geven."
Bij alle vrijheid die er is, zij er dus ook gebondenheid. Gebondenheid aan 't Woord, om geen ander evangelie te brengen dan het evangelie van Jezus Christus, tot troost en vrede voor een arm zondaarsvolk, verkondigende de overwinning der wereld door het geloof.
Elke preek moet daarbij een veldslag zijn tegen de zonde. Niet tegen de gemeente, niet tegen één of meer personen, maar tegen de zonde. Daarbij zoeke men de preekstof niet bij zich zelf, noch bij deze of gene, maar in 't Woord, dat nuttig is tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is. Zoo hoort de gemeente dan wat zij bezit en wordt tegelijk vermaand ; waartoe de preek geven moet, om te troosten, om tegelijk actief, door keren en vermanen, op te bouwen en te verbeteren. Rom. 15 vers 4 : „Want al wat tevoren geschreven is. dat is tot onze leering tevoren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden."
Dat in de prediking een klaagtoon niet mag ontbreken, met waarschuwing voor de eeuwigheid en roepen tot bekeering, spreekt vanzelf, 't Zou in strijd met de Schrift zijn als dat ontbrak. Maar hier zien we tegelijk, dat de H. Schrift niet wil, dat de preek zal opgaan in dreigementen met hel en verdoemenis. Dat zou geen preeken zijn. Dat zou geen bediening des Woords wezen in het midden der Gemeente.

De verkiezing tot het ambt. II.
De Schriftuurlijke beginselen, door Calvijn in zijn tijd breed uiteengezet, zijn, inzake de verkiezing tot het ambt: dat de gemeente kiest onder leiding van het ambt.
Niet de Roomsche, hiërarchische practijk : dat de Bisschop, de Paus kiest en aan de gemeente alle medezeggenschap ontzegd wordt. Maar óók niet de revolutionaire practijk : dat het beginsel der volkssouvereiniteit domineert en de Kerkeraad niets te zeggen heeft.
De gemeente is geen vereeniging, op eigen initiatief ontstaan, om daarna op eigen initiatief een bestuur te kiezen, enz. enz.
De gemeente van Christus heeft van haar Hoofd de ambten gekregen (Efeze 4 vers 11) en nu zijn die ambten er, om, in den Naam van Christus, de gemeente te dienen en de gemeente te laten werken, zooals de Heere in Zijn Woord dat heeft aangewezen.
De ambten moeten daarom ook bij het verkiezingswerk leiding geven. De gemeente komt niet op eigen initiatief nocli op eigen gezag bijeen, om ambtsdragers te kiezen. Maar de gemeente moet saamgeroepen worden door den Kerkeraad, die te ordonneeren heeft welk soort menschen gekozen behooren te worden, die dubbelgetallen hebben te stellen, enz., en dan de gemeente hebben te laten kiezen wie zij acht, dat voor het ambt geschikt is ; terwijl dan de Kerkeraad in het ambt zet en bevestigt.
Christus is Koning der Kerk en de ambtsdragers zijn geroepen door Christus om te zorgen, dat alles eerlijk en met orde toegaat in de gemeente. Het ambt heeft bij de verkiezing een zelfstandige taak.
De ambtsdragers hebben te zorgen, dat het recht van Christus en de orde in de gemeente gehandhaafd worde.
En zoo is er samenwerking te zoeken tusschen het ambt en de gemeente, opdat het ambt regeere, maar opdat het geen heerschappij voere over de gemeente, door haar van hare heilige en goddelijke rechten te berooven — gelijk Rome doet.
De oude Christelijke Kerk heeft in dezen de apostolische traditie gevolgd — hoewel er al spoedig allerlei verkeerdheden ten opzichte van de ambten zelf, alsook van de verkiezing zijn ingeslopen.
In de Didache of Leer der twaalf Apostelen, de oudste ons bewaarde Kerkenordening, die waarschijnlijk dagteekent uit de eerste eeuw, wordt in Hoofdstuk 15 van de gemeenteleden gezegd : Kiest u derhalve voor u zelven opzieners en diakenen. Waarin dus het recht der gemeente — hoewel geenszins naar het beginsel der volkssouvereiniteit, maar naar het beginsel der Schrift — vastgelegd was.
In den brief van Clemens aan de Corinthiërs wordt geleerd, dat de ouderlingen gekozen worden „met toestemming der geheele gemeente."
En Cyprianus — de bisschop van Carthago — Calvijn noemt hem ook als een getuige — verzekert in het midden van de derde eeuw : „Wij verzekeren plechtig, dat door Goddelijk gezag vast gesteld is, dat de priester in tegenwoordigheid van het volk onder aller oogen gekozen worde, opdat hij als waardig en geschikt tot het ambt door aller getuigenis goedgekeurd worde" (Ep.67, 4) en hij noemt eene verkiezing wettig die „door de keuze en het oordeel van allen" (Ep. 67, 5) tot stand komt. Van zich zelf verklaart hij, dat hij bisschop geworden is „door de aanwijzing van God en van Zijnen Christus, door het getuigenis van bijna alle ambtsdragers en door de keuze van het volk, dat tegenwoordig was." (Ep. 39, 1).
Hier ziet men al de afwijking van 't geen in Gods Woord aangaande de ambten is geopenbaard en men ziet ook dat het al in de richting gaat van gekozen worden door de geestelijkheid. Wat ook doorschemert in 't geen Theodoretus in zijn Kerkgeschiedenis zegt, n.l. dat bisschop Eusthatius van Antiochië gedrongen werd om het episcopaat te aanvaarden door de gemeenschappelijke stemming der bisschoppen, der geestelijken en van het geheele volk."
Martinus van Tours, Oregorius van Nazianze, Ambrosius werden tegen hun eigen wensoh in door eene beslissing van 't volk tot bisschop gekozen. En de Canones van Hippolytus verklaren : De bisschop worde verkozen door het geheele volk."
Natuurlijk, dat, toen er in deze afwijking kwam zoowel naar den eenen kant (door de verbastering van de ambten) en naar den anderen kant (door de z.g.n. volksstemmingen) spoedig alles verkeerd liep. Vooral in de steden gaf de verkiezing van een bisschop soms aanleiding tot onstuimige volksvergaderingen. En het kwam niet zelden voor, dat personen, die gaarne gekozen werden, met geld enz. de schare beïnvloedden of verwarring zochten te stichten. Vandaar dat de Synode van Laodicea (ongeveer 360) besloot, dat de verkiezing van den bisschop niet meer aan het volk mocht worden overgelaten. In de Oostersche Kerk namen voortaan alleen de aanzienlijke en voornaamste personen (notabelen) aan de verkiezing deel, hetwelk in de wetten van Justinianus werd opgenomen.
Natuurlijk was dat verkeerd en had men de fout elders moeten zoeken en herstellen. Maar het feit ligt er.
In de Westersche Kerk bleef de invloed van het volk (de gemeente) nog lang nawerken, totdat ongeveer in de elfde eeuw het verkiezingsrecht geheel in de handen der geestelijkheid kwam, gelijk het in de Roomsche Kerk nog is.
Het ambt kwam zoo los te staan van de gemeente.
Dat is de Roomsche practijk.
Maar nu mag de gemeente niet los komen staan van het ambt. Dat is de revolutionaire practijk. Gelijk bij het Independentisme ook gevonden wordt en onder óns, helaas ! al te zeer.
Wanneer men verstaat, dat de gemeente naar de beschrijving door Paulus gegeven in 1 Cor. 12 niet een verzameling van losse personen, maar een lichaam, een organisch geheel is, waarin ieder deel zijn eigen roeping en taak van God den Heere ontvangen heeft, dan zal men ook voelen, dat het er om gaan moet ambt en gemeente recht te laten functioneeren. Eerst als al de deelen van heit lichaam, van het organisch geheel der gemeente, alle op hun eigen plaats en naar hunne eigen roeping, met elkander saamwerken in harmonisch verband, dan wordt de door God gestelde orde gehandhaafd en zal het tot bloei van Christus' Kerk zijn.
Wat onze Vaderen dan ook in Rome's hiërarchie bestreden, was niet, dat het ambt bij de verkiezing eene leidende macht had, maar dit en dit alleen, dat de ambtsdragers gekozen werden buiten de gemeente, alsof deze bij de verkiezing niets te zeggen had.
En wat wij in anderen veroordeelen, is niet, dat de gemeente opgeroepen wordt om haar stem uit te brengen en zoo aan te wijzen, wie de gemeente oordeelt de geschiktste mannen te zijn, om in het ambt gesteld te worden ; maar dit en dit alleen, dat de gemeente krachtens het beginsel van de volkssouvereiniteit beslist met de helft plus één, waarbij het ambt (de Kerkeraad) geheel machteloos en werkeloos wordt gesteld.
Bij 't geen van Calvijn reeds aangehaald is kan hier worden vermeld hoe Turretinus in zijn standaardwerk „Institutio Theologiae Elencticae" over deze zaak schrijft. Hij zegt : „Ofschoon wij het recht der gemeente handhaven bij de roeping der Dienaren, toch willen wij geenszins met de geestdrijvers dit recht aan de gemeente toekennen met uitsluiting van den Kerkeraad; maar wij willen, dat alle dingen met orde en behoorlijk zullen geschieden, zoodat aan iedere orde in de Kerk haar wettig aandeel in de verkiezing wordt geschonken. Daarom moet er gewaakt worden, dat het volk geen misbruik maakt van zijn recht, of voor zich zelf alleen met buitensluiting van den Kerkeraad de macht om te kiezen opeischt, of aan den Kerkeraad op onbeschaamde wijze voorschrijft, hoe bij de verkiezing moet gehandeld worden, of op oproerige wijze en met verwarring in zo'n heilige zaak optreedt."
En even sterke nadruk wordt op dit organisch verband tusschen de ambtsdragers en de gemeente gelegd in de Synopsis, door onze Godgeleerden te Leiden gesteld :
„Evenals in de eerste gemeente Matthias tot het Apostolaat en de diakenen tot hun ambt gekomen zijn onder leiding der Apostelen met toestemming van de geheele gemeente, zóó behoort eene goede en wettige verkiezing aldus te geschieden, dat naar orde eerst de Kerkeraad de ambtsdragers beproeft en uitkiest, en daarna de leden der gemeente hunne stem geven aan de keuze, die door den Kerkeraad is gedaan."
Gelijk ook Calvijn aanteekent bij Hand. 6 vers 3 :
„En dit is de gulden middenweg tusschen kerkelijke tyrannie en eene verwarring stichtende losbandigheid, dat niets geschiedt dan met toestemming en goedkeuring der gemeente ; maar dat de Herders de leiding geven, opdat hun gezag als een teugel diene, om het volk te bedwingen, opdat het niet uit den band springe."
Hier is dus geen sprake van een vrije stemming door de gemeente, eene ver­kiezing in ónzen zin van het woord — maar van een toestemming of goedkeuring der gemeente.
De Kerkeraad is dus geen moderamen van een gemeente-vergadering, waarbij de ambtsdragers door de helft plus één door de gemeenteleden gekozen worden ; de leiding van den Kerkeraad moet dan ook niet bloot bestaan in een presideeren van de vergadering, in een opnemen der stemmen, enz. (zooals bij onze Kiescolleges, waarin dan niet de gemeente, maar door de gemeente gemachtigden alles beslissen), maar Calvijn wilde blijkbaar, dat de Kerkeraad aan de gemeente bepaalde personen zou voorstellen en nu aan de gemeente de goedkeuring, de toestemming tot die keuze verlangen zou.
Even bevreesd als Calvijn was voor de tyrannie van den Kerkeraad, waardoor aan de gemeente personen konden worden opgedrongen tegen haar wensch en begeerte, evenzeer ijverde hij tegen de losbandigheid van het volk, waardoor uit partijschap of om andere redenen de gemeente ambtsdragers zou kiezen, die voor het ambt in Christus' Kerk alleszins onbekwaam bleken.
Tusschen die beide klippen van het kerkelijk leven moest worden doorgezeild. Waarbij in Calvijn's dagen gerekend moest worden met „paapsgezinden, mennonieten, libertijnen en atheïsten", die zich onder het volk vermengd hadden in het midden van de Gereformeerde Kerk. Vandaar ook, dat er resolutiën waren, waarin stond dat bij beroeping „door goede omvraging bij de approbatie der beroepingen dient gelet te worden."
 (Wordt voortgezet).

Een kerk met of zonder belijdenis ?
Ds. J. J. Knap te Groningen plaatste eenigen tijd geleden in zijn orgaan „Oude Paden" onder bovenstaand opschrift een populaire voordracht, te Groningen gehouden.
Het is een belangrijk en leerzaam stuk, dat wij gaarne onzen lezers voorleggen.
Het is een moedgevend teeken, dat in Hervormde kringen de belangstelling voor kerk en belijdenis meer en meer opleeft. Er ontstaat langzamerhand een krachtiger kerkelijk besef dan in vroeger jaren zelfs mogelijk geacht werd. Men voelde in dien tijd uitsluitend voor het individuëele : de eigen persoon, en in dien persoon weder de eigen ziel, was het één en het al, waaraan men zijn aandacht wijdde. Men leefde voor de vorming van zijn eigen zieleleven, trachtte op te wassen in de genade en de kennis des Heeren Jezus Christus, en arbeidde uitsluitend aan zijn persoonlijke volmaking.
Natuurlijk maakte men hiervoor gebruik van de kerk en haar genademiddelen. In zooverre stelde men haar ook op hoogen prijs. Mochten er al zijn, die zich aan de openbare godsdienstoefeningen niets meer gelegen lieten zijn, maar zich liever in eigen geestelijken kring afzonderden en aaneensloten om elkander te stichten, de toonaangevende geesten bleven de kerk getrouw, wilden van geen conventikels weten, en begrepen zeer wel, dat men op den langen duur de kerkelijke banen en de kerkelijke ambten niet kan missen voor de cultuur van het persoonlijke geestelijke leven. Men bleef behoefte gevoelen aan gestudeerde herders en leeraars. Wel zag men het liefst, dat zij een groot deel van Gods Woord in de prediking lieten liggen en zich voornamelijk tot de uitlegging en toepassing van het Evangelie beperkten. Maar ook zóó hield men hen toch in waarde, niet verstaande, dat zij de roeping hebben om het volle Woord Gods te ontvouwen.
Deze waardeering der kerk, waarvoor wij overigens dankbaar hebben te zijn, mag echter niet op ééne lijn gesteld worden met het kerkelijk besef, waarvan wij in den aanvang spraken. De gedachte kwam veelal zelfs bij de getrouwen niet op, dat de kerk als geheel . een eigen leven heeft, door eigen levenswetten beheerscht wordt, om eerbiediging dier levenswetten vraagt, daar zij zich anders niet in haar volle kracht kan ontplooien, en dat zij óók als een openbaring van het mystieke Lichaam van Christus een mond heeft, waarmede zij haar belijdenis uitspreekt.
Eerst in den lateren tijd zijn de oogen hiervoor meer geopend en begint men te voelen, dat men niet alleen aan zijn eigen individuëele ziel mag denken, ook al zal deze wel steeds in de eerste plaats moeten komen, maar dat het welzijn der geheele kerk een iegelijk ter harte behoort te gaan. Wij hebben deze opleving van het kerkelijk besef ten deele te danken aan de meer sociale strooming die door het leven gaat en die het individuëele naar een meer bescheiden plaats teruggedrongen heeft. Wij hebben haar niet minder te danken aan de rustelooze propaganda, die gevoerd wordt om liefde voor de kerk te wekken. Wij hebben haar bovenal te danken aan de genade des Heeren, die de vraagstukken der kerk in het midden der belangstelling plaatst.
De voormannen en leeraars weten dan ook tegenwoordig algemeen, dat de kerk nog iets meer is dan de plaats, waar men op den rustdag zielevoedsel komt vragen. De groote menigte is echter nog lang niet voldoende thuis in de zaken der kerk. Het loont daarom de moeite een poging te doen om het inzicht te verhelderen, met het doel ook bij hen het kerkelijk besef te verlevendigen. Zoo zijn er nog velen die niet recht verstaan, of en waarom een kerk eene belijdenis behoort te hebben. Wij willen deze vraag daarom hedenavond eens nader onder de oogen zien en vragen uwe aandacht achtereenvolgens voor deze vier zaken :
I. de onmisbaarheid eener belijdenis. II. de inhoud der belijdenis, III. de beteekenis der belijdenis, en IV. de bedenkingen tegen de belijdenis.
I.
Wij spreken eerst over de onmisbaarheid eener kerkelijke belijdenis. Voorloopig laten wij de vraag rusten wat die belijdenis moet inhouden, en ook de vraag hoe zij eigenlijk ontstaan is uit de worsteling der geesten. Voor het oogenblik willen wij er alléén den nadruk op leggen, dat een kerk, die gelooft, dit geloof moet belijden.
De kerk is naar de Schrift de gemeenschap der ware Christ-geloovigen, die al hun zaligheid in Jezus Christus verwachten, gewasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat alle leden der uitwendigzichtbare kerk nu ook werkelijk hoofd voor hoofd en man voor man aan de hier genoemde genade-weldaden deel hebben. Zóó is het niet, en zóó zal het nooit Worden, want een volmaakt zuivere kerk is in een zondige wereld eenvoudig ondenkbaar en onmogelijk. Maar al schuilt er in de uitwendig zichtbare kerk kaf onder het koren en bokken onder de schapen, toch is zij naar haar diepste wezen gerekend wel terdege een gemeenschap van geloovigen, die op Jezus Christus vertrouwen en bouwen als op het éénige fundament hunner zaligheid.
Daar gaat niets vanaf.
Zóó leert de Schrift het. En zóó wordt het aanvaard door allen, die den vasten bodem der Schrift niet wenschen te verlaten, om een kerkgemeenschap van eigen vinding in de plaats te schuiven voor de gemeente, die Christus beloofd heeft te zullen bouwen.
Maar dan ligt de conclusie ook voor de hand : wat plicht voor elk afzonderlijk geloovige is, is het óók voor de gemeenschap der geloovigen, dat is : voor de kerk. Niemand uwer zal betwisten, dat het de roeping der individuëele geloovigen, elk voor zich, is, zijn geloof in 't openbaar te belijden. Gij denkt hier vanzelf aan Christus' woord: „Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is ; maar zoo wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is." Krasser kan het haast niet. Het is de doorgaande leer des Bijbels, dat de discipel des Heeren openlijk rekenschap van zijn geloof heeft af te leggen, en de apostel Paulus legt wel een zéér sterken nadruk op de noodzakelijkheid der belijdenis, als hij zegt : „Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid."
Wanneer dit nu geldt van den individuëelen discipel, geldt het uiteraard óók van de gemeenschap der geloovigen, d.i. van de kerk. Zij gelooft, daarom spreekt zij. Zij is een gemeenschap. Dit wil dan toch zeggen, dat al haar leden iets met elkander gemeen hebben. Zij verschillen in vele opzichten. Er zijn onder hen geleerden en onkundigen, rijken en armen, ministers en daglooners, 'blanken, bruinen en zwarten. Maar bij alle verschil is hun één geloof gemeen, één uitzicht op het schuldrantsoen, één hope der heerlijkheid. En zoo komt het, dat zij naar het uitwendige wel een bonten aanblik opleveren, maar in het diepst van hun hart zijn zij één. Zij scharen zich allen rondom het Woord Gods, gelooven allen het evangelie der zaligheid, leggen allen eenparig de hand op het hoofd van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, en het is dat gemeenschappelijk geloof, waarvan de kerk nu rekenschap geeft in haar belijdenis.
Tot zoover de meer theoretische uitenzetting.
De practische toepassing op onze kerelijke toestanden is niet moeilijk te maken. Wij houden het er altijd nog voor, dat de ware kerk van Christus, zooals wij die zooeven geschetst hebben als de gemeenschap der ware Christ-geloovien, óók nog in onze Hervormde Kerk te vinden is. Ware dit niet het geval, wij moesten ons op staanden voet afscheiden en toegang vragen bij de Gereformeerde kerken in Nederland. Wij zijn echter in ons geweten overtuigd, dat hristus' Kerk wel niet alleen, maar dan toch óók voortleeft in onze Hervormde kerkgemeenschap. Zij kan zich niet vrij ontplooien, maar wordt in haar bloei belemmerd door reglementaire banden — toegestemd. Zij zucht onder een synodale organisatie, die haar evenmin past als Saul's wapenrusting den lenigen David, —  toegestemd. Maar zij ademt en leeft toch altoos nog onder den druk, en breidt zich hier en daar zienderoogen uit. Juist in den laatsten tijd meldden de bladen, dat onderscheiden kerkgebouwen vergroot moesten worden, omdat zij de scharen niet meer kunnen bevatten. En let wel, dat dit juist op die plaatsen geschiedt, waar het zuivere Woord Gods naar de uitlegging der belijdenisschriften gepredikt wordt, en waar men zich het evangelie van Gods genade naar de belijdenis niet schaamt.
Kracht kan er alleen uitgaan van een kerk, die weet wat zij wil, en openlijk voor de menschen uitspreekt wat zij gelooft. Gij hebt allen eerbied voor een man van vaste overtuiging, die met de door hem beleden beginselen staat en valt. Maar een man, die als een riet heen en weer buigt, nu naar links, dan naar rechts; een man, die ja en neen tegelijk zegt, — neen, er kan geen invloed van zoo iemand uitgaan; hij kan tenminste geen gids op het levenspad zijn.
Uitnemend ! Maar wat wil men dan van de kerk?
Men prijst u van den éénen kant een belijdenislooze kerk aan. Zet, zóó heet het dan, de deuren wijd open. Laat ieder er binnen, welk geloof hij ook medebrengt. Maak de kerk tot een volière met vogels van diverse pluimage, en laat ieder er zijn eigen lied in zingen. Maar bind de menschen toch niet allen aan één en dezelfde belijdenis !
Voelt gij wel dat dit geen kerk meer is omdat alle éénheid er zoek is? De spraakverwarring van Babel is er kinderspel bij. En wij zouden wel eens willen weten, hoe zulk een samenscholing, waar de één dit en de ander wat anders zegt, leiding, geestelijke leiding aan het volk kan .geven ?
Neen, zeggen anderen, zóó is er geen oplossing van het kerkelijk vraagstuk mogelijk. Maar evenredige vertegenwoordiging, — dat is het tooverwoord, waardoor de vrede in de kerk zal terugkeeren en haar invloed op het volksleven verzekerd is. Gelijk recht voor alle richtingen. Gelijk recht voor den man, die met Thomas op de knieën voor Christus aanbiddend belijdt: „Mijn Heere en mijn God", en voor den man, die een mensch van gelijke beweging als wij in Hem ziet, alleen in zedelijk opzicht boven ons verheven. Gelijk recht voor wie de opstanding belijdt én haar loochent. (gelijk recht voor alle menschelijke relatieve meeningen omtrent Christus, en niet langer de alleenheerschappij der absolute waarheid omtrent dien Middelaar, zooals zij ons in de Schrift geopenbaard is.
Dat wordt dus een kerk met drie, vier officiëele belijdenissen, die met elkaar in strijd zijn, een kerk, die uit drie, vier monden spreekt, en dan telkenmale iets anders.
Dat wordt een kerk zonder eigen heerschend beginsel, een saamwonen onder één dak van de meest tegenstrijdige elementen. Dat wordt een kerk, waarvan Christus' woord getuigt: „Een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet bestaan."
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's