Uit het kerkelijk leven.
De verkiezing tot het ambt.
III.
De Roomsche Kerk laat de wettigheid van het ambt geheel afhangen van de regelrechte opeenvolging der ambten van de dagen der apostelen af. En de Roomsche Kerk heeft die onafgebroken opeenvolging, beweert zij. Zij heeft daar voor het ambt door het ambt laten voortbestaan en van een recht der gemeente om tot het ambt te roepen, wil de Roomsche Kerk niets weten ; wat zij, tegenover de Reformatoren nog eens uitdrukkelijk op het Concilie van Trente heeft uitgesproken in deze woorden : „Indien iemand beweert, dat de ambten, door de bisschoppen verleend, zonder toestemming of roeping door het volk, geen waarde hebben, die zij vervloekt." Dit beginsel hangt samen met de Roomsche opvatting van de Kerk als heilsinstituut. De Kerk is Middelares tusschen Christus en het volk. Alle kerkelijke macht berust bij de ambtsdragers, die de ware, eigenlijke Kerk zijn. De leden der gemeente — de leeken — zijn onderdanen, die geregeerd worden en van wie niet de roeping tot het ambt kan uitgaan. Daarom oordeelde Rome van de ambtsdragers in de Kerken der Reformatie, die niet door de bisschoppen, maar door de leden der gemeente gekozen waren, dat zij geen dienaren der Kerk waren, „maar voor dieven en roovers te houden zijn."
Luther stond in deze principieel tegenover Rome wat de macht van den paus en den bisschop aangaat en kwam op voor de gemeente van Christus, die door de Reformatie overal openbaar werd.
Helder heeft Luther in deze de dingen niet onderscheiden en kwam later terecht bij den vorst des lands, die eigenlijk overal voor te zorgen had. Maar dat neemt niet weg, dat Luther vooral in den beginne ook inzake de verkiezing tot het ambt in de lijn van de Reformatie wandelde en zei (in zijn geschrift aan den Duitschen adel, 1520) „dat de gemeente zelve, zoo noodig, een predikant in zijn ambt kon stellen." En in een geschrift van 1523 zegt hij „dat een christelijke vergadering of gemeente recht en macht heeft alle leer te beoordeelen en leeraren te beroepen, aan te stellen of af te zetten ; waaraan hij dan toevoegt: dat de ambtsdragers geen predikant moeten verkiezen en beroepen zonder den wil der gemeente. Luther beroept zich daartoe op de Heilige Schrift. Want — zoo zegt hij — noch Titus noch Timotheus noch Paulus hebben ooit een presbyter in het ambt gesteld zonder de verkiezing en beroeping der gemeente. Dat wordt duidelijk bewezen uit hetgeen hij Titus 1 : 7 en 1 Tim. 3 : 2 spreekt : een bisschop of presbyter moet onberispelijk zijn. Titus zou niet geweten hebben wie onberispelijk waren zonder de getuigenis der gemeente. Volgens Hand. 6 vers 1, zegt Luther, koos de gemeente-de diakenen en de apostelen be • vestigden ze. „Indien nu de apostelen zulk een ambt, dat ingesteld is om tijdelijk voedsel uit te deelen, niet uit eigen autoriteit mochten instellen, hoe zouden zij dan zoo overmoedig geweest zijn, dat zij het hoogste ambt van predikant aan iemand zouden geschonken hebben uit eigen macht, zonder weten, willen en beroeping der gemeente."
Luther is later wel tot wat andere voorstelling in deze gekomen, vooral na den boerenoorlog. Toen kwam, bij het verval van gemeente, kerk en school, de Landsoverheid meer op den voorgrond. En na 1527, toen door de visitatie-orde de Overheid de regeering der Kerk in handen kreeg, trok de landsheer ook de roeping tot het ambt tot zich.
Na den strijd tusschen Paus en Keizer kwam dus bij Luther, toen de Paus wèg was, de Landsheer naar voren ! Hij werd Summus Episcopus, opperste Bisschop der Kerk. Een stelsel, dat de Remonstranten in bond met de Libertijnsche partij van Oldenbarneveldt ook in de Gereformeerde Kerk van dezen lande hebben zoeken in te voeren ; waartegen onze Gereformeerde vaderen zich hebben verzet, maar waarvan helaas ! de netwerking toch in de Dordtsche Kerkenorde van 1619 is te bespeuren, al is het dan ook in verzachten vorm. Want immers ook daar lezen we telkens, dat de goedkeuring der Overheid bij de verkiezing moest worden gevraagd. En in de practijk had dikwijls de plaatselijke Overheid alle zegeenschap.
Eerst in de tegenstelling met deze beide beginselen : de verkiezing door den Paus en de verkiezing door de Overheid, kan het beginsel, door Calvijn beleden, recht worden verstaan : de verkiezing tot het ambt behoort te geschieden met medewerking van de gemeente. En onze vaderen zeiden dan ook tegenover de aanklacht van Rome, dat de predikanten enz., die niet door de bisschoppen waren aangesteld : dieven en moordenaars waren naar het voorbeeld der Apostolische Kerk zijn onze ambtsdragers gekozen door de gemeente van Jezus Christus en in die verkiezing ligt hun wettig mandaat.
Niet de Paus, niet de Overheid, maar de Kerk alleen kan de wettige roeping tot het ambt verleenen, gelijk wij dan ook lezen in artikel 31 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis èn het Bevestigingsformulier, waaraan wij vroeger reeds herinnerden.
Ook Zwingli, de Hervormer van de Duitsch-Zwitsersche Kerken, kwam er in zijn geschrift „Van het Predikambt" met kracht tegen op, wanneer men uit 1 Tim. 5 vers 22, Titus 1 vers 15 e.a. wilde afleiden, dat Timotheus en Titus uit eigen autoriteit de ouderlingen verkozen en afzetten. Het is juist omgekeerd het geval. De Schrift leert, dat heel de gemeente den predikant verkiest, met raad van vrome en verstandige opzieners. Toen Judas zich verhing en daardoor zich beroofde van het leven en van het gezelschap der apostelen, heeft niemand zich onderstaan zich uit eigen beweging in zijn plaats te stellen, maar de gansche gemeente deed dit (Hand. 1 vers 15), zooals later ook de gansche gemeente de zeven diakenen koos. (Hand. 6 vers 1).
Ook Zwingli heeft in deze zioh later bewogen in de richting van Luther en is bij de Overheid terecht gekomen, omdat practisch de gemeente der geloovigen samenviel met de bevolking eener plaats ; en practisch de kerkelijke zaken door de Overheid werden geregeld en de Overheid handelde in naam van de Kerk. Maar dat neemt niet weg, dat Luther en Zwingli opkwamen voor het recht der gemeente, hoewel zij later practisch alles in handen van de Overheid legden.
Waar nu de Kerk der Reformatie opkwam voor het recht der gemeente, waarbij de Gereformeerden nog het meest zuiver de lijnen hebben getrokken, hoewel ook zij in de practijk zijn afgeweken in de richting van de Overheid, daar moet juist op Gereformeerd standpunt er naar gestaan worden, om nu de juiste, organische samenwerking te krijgen tusschen ambt en gemeente.
De juiste samenwerking!
Want als Gereformeerde theologen als Calvijn, Walaeus, Voetius, Turretinus, de Moor en anderen voor het recht der gemeente opkomen, gelijk dat in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en in het Bevestigingsformulier ook tot uiting komt, dan wil dat volstrekt niet zeggen, dat het naar Gereformeerde beschouwing is, als men zegt: dat de gemeente geheel vrij, zonder eenige beperking, door meerdenheid van stemmen de ambtsdragers moet kiezen.
Tegen deze verkeerde gedachte, alsof het volk souverein was, hebben van den beginne de Gereformeerde Kerken hier en elders zich verzet.
Het is niet naar Gereformeerd Kerkrecht, als men zegt : de gemeente (het kiescollege) moet bij de verkiezing onafhankelijk van den Kerkeraad (het ambt) zijn.
Dat is niet Gereformeerd ; dat is revolutionair, omdat het loswoelt, wat Christus aan Zijn gemeente gegeven heeft, om daarvoor den „volkswil" in de plaats te schuiven ; waarbij alles door de helft plus één wordt uitgemaakt.
Nooit is dan ook door Gereformeerde theologen verdedigd een onbeperkt stem recht der gemeente, onafhankelijk van den Kerkeraad. Integendeel. Altijd en overal is bij de verkiezing tot het ambt de leiding aan het ambt gelaten en den Kerkeraad een groote, niet zelden eene overwegende macht geschonken. (Behoudens de bovenbedoelde afwijkingen in de practijk, dat de Overheid alles deed en de Kerkeraad en de gemeente er feitelijk buiten werden gezet ; vooral bij de beroeping van een predikant !)
Men voelt aanstonds, dat nu juist de moeilijkheid voor de Gereformeerden hierin zit : om zonder aan het recht der gemeente en zonder aan het recht van den Kerkeraad tekort te doen, te komen tot de juiste, organische samenwerking tusschen ambt en gemeente.
Het ambt moet met de gemeente rekenen.
De gemeente moet met het ambt rekenen.
Ambt en gemeente behooren bij de verkiezing samen te werken in organisch verband.
En zoo kan er dus van een daad van regeermacht bij de gemeente in het werk der verkiezing tot het ambt geen sprake zijn. Dan alleen straks na de verkiezing, als de gekozenen aan de gemeente, de gansche gemeente, worden voorgesteld en mannen en vrouwen worden opgeroepen deze verkiezing goed te keuren (te approbeeren) óf — onverhoopt — bezwaren tegen een of meer van de gekozenen (of tegen hem die beroepen is) in te brengen.
Door de approbatie der gemeente wordt het dan mogelijk gemaakt, dat de gekozenen in het ambt worden bevestigd ; opdat dit geschiede, zooals in den brief van Clemens aan de Corinthiërs e t geschreven staat : „met der geheele gemeente." toestemming
(Wordt voortgezet).
Een kerk met of zonder belijdenis ?
II.
Wij gaan nu tot ons tweede punt over. Het is ons duidelijk geworden, dat een kerk, die geestelijke leiding aan het volk zal geven, één enkele geloofsovertuiging moet hebben. Een leidsman of gids moet zelf den weg met volkomen zekerheid weten. Niemand vertrouwt zich toe aan een gids, die niet zeker van zijn weg is. En een kerk zonder klaar uitgesproken belijdenis of met drie, vier tegenstrijdige belijdenissen, zal nooit kunnen optreden als wegwijzer van het volk naar het hemelsche Zion, — zij draagt het beeld van den blinden leidsman der blinden, met het droef gevolg, dat beiden in de gracht vallen.
Een belijdenis is dus onmisbaar. Doch nu komt dan ook in de tweede plaats de vraag aan de orde wat de inhoud dier belijdenis behoort te zijn ? Wat moet een kerk, die haar Schriftuurlijk karakter niet wenscht prijs te geven, belijden? Staat dit aan haar eigen keuze, of is zij in dit opzicht gebonden ? Kunnen enkele voormannen saamkomen, om een program van beginselen op te stellen, die zij zelf uitgedacht hebben, zooals dit bij de politieke partijen geschiedt, of heeft de kerk een Goddelijke waarheid in de wereld uit te dragen, die haar van Boven geschonken en door Gods genade tot levenswaarheid geworden is ?
Als wij de vraag zóó stellen, kan het antwoord niet twijfelachtig zijn. De kerk heeft er zich voor te wachten uit eigen wijsheid een stelsel op te bouwen en dit als gezaghebbend aan de wereld voor te houden, — zij weet trouwens te goed, dat alle menschelijke wijsheid dwaasheid voor God is, en dat de beste stelsels vroeg of laat toch weder voor andere plaats moeten maken. De kerk verzint niets en denkt niets uit. Zij geeft in haar belijdenis weer wat haar als eeuwige waarheid in Gods Woord geopenbaard is. Het middelpunt van dat Woord Gods is Jezus Christus, zooals Hij ons in het evangelie geteekend wordt. De allereerste geloofsbelijdenis van Simon Petrus bepaalde zich daarom tot de bekende uitspraak : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods." Dit blijft dan ook van elke belijdenis het vaste uitgangspunt. Maar hoe staat het nu met dien Christus ? Hij verschijnt niet plotseling en onvoorzien in de wereld, maar Hij is naar het vleesch uit Israël gesproten en werd dus onder dat volk als 't ware voorbereid. Zóó werpt de Christus zijn schaduw over de geheele Oud-Testamentische geschiedenis en profetie terug, en zóó kan de belijdenis zich niet tot den persoon van Christus beperken, maar moet zij het Oude Testament als vóórgeschiedenis van den Christus in haar gezichtskring opnemen. Zoo zijn wij echter nog niet waar wij moeten komen. De beteekenis van Christus wordt ons in de Apostolische brieven van het Nieuwe Testament breedvoerig ontvouwd, terwijl ons in het laatste Bijbelboek de toekomst van Christus voor oogen gesteld wordt. Een volledige belijdenis van Christus moet dus met drieërlei rekening houden : vooreerst met de toebereiding van Christus in het Oude Testament ; ten tweede met zijn verschijning in het vleesch in het evangelie, en ten derde met de toelichting zijner verschijning in de rest van het Nieuwe Testament. Gij ziet nu wel wat hieruit volgt : de belijdenis der kerk, waarvan Christus het middelpunt is, omvat heel de waarheid Gods, zooals zij ons in Ouden Nieuw Testament geopenbaard is.
Dit alles is duidelijk. De kerk geeft in haar belijdenis eenvoudig met haar eigen woorden weer den zakelijken inhoud van Gods Woord. Het zal goed zijn, dat gij u dit in het geheugen prent, om de bestrijders onzer confessie te kunnen antwoorden. Onze kerk heeft toch óók een drietal belijdenisschriften, die tezamen de Drie formulieren van Eenigheid vormen: de Nederlandsche Geloofsbelijdenis is 't eerste, de Heidelbergsche Catechismus het tweede, en de leerregels van Dordrecht het derde. Het zijn precies dezelfde belijdenisschriften, die de Geref. Kerken van Nederland hebben. Alleen 't artikel over de Overheid is door die Kerken gewijzigd, maar overigens is er in de zaak der officiëele belijdenis geen verschil hoegenaamd tusschen hen en ons, — op het mystieke stuk des geloofs gaat onze kerk in haar nooit herroepen belijdenisschriften volmaakt met de hunne accoord, — dit is te onthouden.
En nu een vraag. Als het nu waar is, dat onze belijdenisschriften de waarheid van Gods Woord in eigen taal vertolken, wat zin heeft het dan om de voorstanders der belijdenis, de zoogenaamde confessioneelen of gereformeerden, daar over hard te vallen ? Er wordt wel eens gezegd, dat de confessioneelen niet aan Gods Woord of aan Christus genoeg hebben, en dat zij menschelijke geschrifen aanprijzen naast en benevens den eeuwigen rotssteen, die ons in den Christus geschonken is. De aanklacht is niet malsch, maar zij is, zacht gesproken, lichtvaardig. Neen, wij houden de confessie niet in eere, omdat zij een soort aanvulling van Gods Woord zou zijn, maar omdat zij geen anderen inhoud heeft dan het Woord Gods. Zij staat niet naast het Woord. Zij rust óp het Woord. Zij is genomen uit het Woord. Zij blijft ónderworpen aan het Woord. Èn daarom zoolang niet uitgemaakt is dat de inhoud der confessie met dien van Gods Woord in strijd is, — zoolang hebben alle geloovigen de confessie te eeren als een zuivere echo der Schriftuurlijke Waarheid, want iets anders wil zij niet zijn. Dè echo mag dan niet zoo vol klinken als de levende stem des Woords, zij geeft ons toch den klank der geopenbaarde waarheid te hooren.
Wij weten het evengoed als onze tegenstanders : de belijdenis is een menschelijk geschrift en dus niet zonder gebreken. Zij staat als zoodanig niet op één lijn met Gods Woord, maar eischt zelve dat zij daaraan aanhoudend getoetst worde. Maar de waarheid, die zij op gebrekkige wijze vertolkt, is de eeuwige waarheid der Schrift, zooals deze door de kerk gegrepen is. Laat men ons aantoonen, dat dit niet het geval is, en wij zullen de eersten zijn om herziening te vragen Gods Woord bovenal! Tot dusver is men op dit punt echter in gebreke gebleven. O, zeker, op den vorm zijn wel rechtmatige aanmerkingen te maken, maar dit is een quaestie van taal en stijl. Waarover men niet behoeft te strijden.
Wij gaan zelfs gaarne nog een stap verder : de belijdenis moet noodig aangevuld worden om op de hoogte van onzen tijd te komen. Aangevuld, niet gewijzigd. Er zijn in de laatste eeuwen immers allerlei dwalingen opgekomen, waartegen de confessie voor drie en meer eeuwen nog geen positie kon nemen. Theosophie, Christian science, Spiritisme, — men wist daar toen nog niet van af. Wij zouden den dag zegenen, dat de kerk zich in haar confessie ook over die dwalingen uitsprak, maar dit is een eenvoudige aanvulling, om de lamp des Woords ook over deze en andere vraagstukken te laten schijnen.
Wanneer dit geschieden .zal, — wij weten 't niet. Wij houden ons in afwachting aan wat ons door het voorgeslacht overgeleverd is, wij stellen de confessie op prijs, omdat zij voor ons besef tot dusver de zuiverste vertolking is van de waarheid, die ons in Gods Woord van den hemel geschonken is, — de menschelijke echo van de Goddelijke stem der Heilige Schritt.
(Wordt vervolgd).
Afgewezen.
Door ons Hoofdbestuur is, zooals men weet, een poging gedaan om het vrouwenstemrecht in de Kerk geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken.
Liefst geheel. Maar dat daar heel veel kans op bestond, geloofde niemand. Doch dan gedeeltelijk, als 't mogelijk was.
Daarom zijn wij tot de Synode gegaan met een tweeledig voorstel: óf de toekenning van het stemrecht aan de vrouw weer in te trekken, óf de toekenning er van aan de beslissing van de plaatselijke gemeente over te laten en het dus facultatief te stellen op dezelfde wijze, als dat in het Reglement op het beheer geschiedt.
Wij hebben dit voorstel gedaan, om tegemoet te komen aan gemoedsbezwaren van hen, die principieel bezwaar hebben tegen het stemrecht der vrouw en toch gedwongen worden de vrouwen op de lijst van stemgerechtigden te brengen, alsook om de bezwaarde stemgerechtigde vrouwen op deze manier te hulp te komen.
De Synode heeft over ons voorstel beraadslaagd. Uit de discussie stippen we het volgende aan : Eenige leden achtten de facultatiefstelling, zooals bij het beheer geschiedt, een gelukkige vondst. Er is groote verscheidenheid in geestesgesteldheid bij de gemeenten en er is thans gecentraliseerd en geëgaliseerd, méér dan noodig was. Daarom zouden zij, indien bij de invoering een voorstel in dien geest was gedaan, daarvóór zijn geweest. Maar zij meenden, dat de Synode thans niet op de zaak kon terugkomen en dat zij een gegeven recht niet weer kon ontnemen. — Anderen wilden van facultatiefstelling niet weten en bleven de imperatieve bepaling, zooals door de Kerk is vastgesteld, aanbevelen. Niemand bleek tenslotte voor geheele in trekking. Twee leden wilden de toekenning van het stemrecht aan de vrouwen aan de beslissing van de plaatselijke gemeente overlaten en stemden vóór ons voorstel, dat dus door de overgroote meerderheid van de Synode is afgewezen.
Daar, waar een Kiescollege Is en een lijst van stemgerechtigden bestaat, moet de Kerkeraad dus niet alleen de namen der mannelijke — maar ook die der vrouwelijke (stemgerechtigde) lidmaten inschrijven. En de verkiezingen die er straks zullen zijn volgens de nieuwe kiezerslijst, zullen officieel met de vrouwelijke (stemgerechtigde) lidmaten plaats vinden.
De wet gebiedt dat, nu de poging om vrijstelling in deze te verkrijgen, mislukt is en vooral daar waar de strijd vóór of tegen het Woord Gods scherp toegaat, zullen onze vrouwen die voor onze Hervormde Kerk voelen, zich zeker wel honderdmaal bedenken, éér dat zij door thuis te blijven aan de tegenpartij een dubbele stem en daardoor een grooten voorsprong gaan geven.
't Wordt nu ernst!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's