De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei.

4 minuten leestijd

Niet volkomen.
Ergens las ik, dat krijgszuchtige Noormannen in vroegere eeuwen gewoon waren, bij den Christelijken doop, dien zij ondergingen, hun rechterarm boven het water uit te steken, opdat deze niet meegedoopt zou worden. Wat bedoelden zij daarmede ? Zij wilden dien arm voor zich houden, opdat zij na den doop met hand en arm nog zouden kunnen doen, wat zij wilden. Met den arm, waarmede zij het zwaard hielden, wilden zij nog verder een leven blijven leiden, zooals vroeger ; in al het andere wilden zij zich wel schikken.
Ik geloof, dat vele Christenen aan deze Noormannen gelijk zijn. Zij brengen geen volkomen offerande. Zij geven niet alles op, voor negen-en-negentig-honderdsten mag Qod hebben, maar de andere helft of het laatste honderdste houden zij voor zich. Zij verliezen zichzelf niet in God. Zij sterven niet aan ziohzelf. En.. en.. als 't er op aankomt, blijkt het, dat zij geen leven hebben.

De Galeiboef.
Op een vaderlandschen feestdag begaf de hertog van Ossone, onderkoning van Napels, zich naar de galeien om gebruik te maken van zijn recht tot het verleenen van gratie.
Hij liet eenigen der zoogenaamde galeiboeven voor zich verschijnen en ondervroeg elk hunner persoonlijk wat de oorzaak was hunner verbanning.
Geen hunner, of hij was onrechtvaardig veroordeeld : de een sprak van valsche getuigen, die tegen hem opgetreden waren ; de ander van omgekochte rechters ; een derde had het over de omstandigheden, die hem tegen waren geweest, in één woord : allen leden onschuldig hun straf.
Dat beviel den hertog niet; hij begreep zeer goed, dat menschen, die zoo mét zichzelven ingenomen waren, hoewel zij aan groote misdaden schuldig stonden, geen heil aan de maatschappij zouden brengen, en beter op de galeien bleven.
Eindelijk verscheen er een voor hem, wiens houding hem reeds dadelijk opviel.
Vol schaamte en berouw verscheen hij voor den vorst, die, dit wist hij, heden het recht tot het verleenen van genade bezat.
Ja, genade, dat verlangde hij, en niets anders, daar hij wist, dat zijn straf rechtmatig verdiend was.
Hij gevoelde zich een zondaar tegenover God en de menschen.
„Sire !" zoo sprak hij vol ootmoed, „ik heb niets tot mijn verontschuldiging tegen beter weten in. Had ik naar den raad mijner ouders en opvoeders gehandeld, nooit ware ik hier gekomen ; maar ik heb hunne liefderijke vermaningen in den wind geslagen, en mijn eigen zondigen weg gevolgd."
„Maar hebt gij dan niets tot uw verontschuldiging aan te voeren ? "
„Niets, Sire ! hoegenaamd niets, en gansch onderworpen wil ik mijn straf ondergaan, om na afloon daarvan als een nieuw mensch in de maatschappij terug te komen, "
De uitspraak van den hertog luidde aldus : „Deze man is zóó slecht, dat hij niet langer onder al deze brave lieden verkeeren kan ; hij zou al de anderen ook kunnen bederven."
Hij werd op staanden voet losgelaten. Zeide Jezus ook niet eenmaal: „Ik ben niet gekomen om te roemen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering? "
Neen, onze Heiland kan niets doen met eigengerechtigen. Voor hen heeft hij niets dan woorden van afkeuring en veroordeeling.
Wie niet uit genade wil zalig worden, kan niet als een nieuw mensch uit den dood der zonde opstaan en het eeuwig leven beërven ; hij blijft in den dood en is voor eeuwig verloren.

Voor 't open Venster.
Voor 't open venster 'k in den morgen sta, omstroomd van zongoud, uit de lucht gedreven, naar vogelkoor in luide jubelstof, met glanzevleugels vliegen gonzend zweven,
't Vroeg wielgeratel dringt naar binnen door, van hoefgetrappel helder onderbroken ik luister stil voor 't fonklend stralenlicht, dat duiz'len doet m'n oogen half geloken.
„Uw God is kracht", blij snatert 't om me heen „Ja, Hij is goed", speelt 't zongoud windbewogen en „Hij is goed", trilt echo door m'n ziel, als 'k spraakloos, vol aanbidding sluit de oogen.
Hoe rijk, met U geleefd, is 't leven. Heer waar bang Verledenbeelden zijn verdwenen, doorstroomt in morgenstond me nieuwe kracht begrijp ik niet, hóe 'k gisteren toch kon weenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Allerlei.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's