De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Doch ik ben ellendig en nooddruftig : o, God, haast U , tot mij ; Gij zijt mijne hulp en mijn bevrijder ; Heere. vertoef miet. Psalm 70 vers 6.

Het gebed van den waren Bidder.
Op de leerschool des Heiligen Geestes leert ieder kind Gods te bidden. Gods Geest, Die bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, doet Gods kind zijn hart uitstorten voor den Heere.
Menig voorbeeld, menig model houdt Gods Geest den waren bidder voor, opdat hij zijn gebed daarnaar richte. Hoeveel gebeden bevat Gods Woord wel niet, opdat Gods volk het juiste gebed zal uitspreken. Zulk 'n voorbeeld wordt ons gegeven in den 70sten Psalm. David heeft zoovele levenservaringen en zielservaringen doorgemaakl, zoodat zijne ziel een schoonbesnaarde harp werd, waaraan Gods Geest liefelijke tonen ontlokte.
Wij letten op :
1. De gesteldheid van den waren bidder.
2. De pleitgrond voor den waren bidder.
3. De smeekbede bij den waren bidder.
4. De geloofsbelijdenis door den waren bidder.
Wanneer het gebed tot God wordt opgezonden zij de eerste vraag, hoe of in welke zielsgestalte moet ik bidden. Er zijn helaas vele menschen, die daaraan weinig aandacht wijden. Zoovelen herhalen tallooze malen hunne vormelijke gebeden alsof God slechts op woordengeprevel gesteld is. Neen, In de eerste, plaats vraagt God naar de gesteldheid onzes harten. David bidt in onzen psalm : „Ik ben ellendig en nooddrufti'g." Omringd door vijanden, die zijn leven belagen, is hij neergebogen en ziet geen uitkomst. Daarin is David een beeld van alle ware bidders. Gods kinderen zijn ellendig, ja, neergebogen. Satans macht is zóó sterk. Hij spant allerlei strik voor den voet; hij weet met allerlei vertwijfeling het hart te doorsnijden. De macht der inwonende zonde kan zoo sterk zijn, dat de lust om Gods wet te betrachten geheel overheerscht wordt.
„Ik ellendig mensch !" wordt dan de bange klacht, door Gods kind geuit.
Ellendig, maar ook nooddruftig is de belijdenis van den waren bidder. Nooddruftig wil zeggen, dat iemand zijne armoede bewust is en de begeerte kent, dat zij wordt weggenomen. Dé ware bidder beseft, dat hij arm aan deugden is. David zag geen weg meer om zich uit de moeilijkheden, waarin hij gebracht was, te redden.
Is het alzoo niet met den waren bid­der ? Onze wijsheid in het Woord des Heeren, onze kennis van de wegen en leidingen Gods ontzinkt ons. De behoefte wordt geboren om uit de overvloeien­ n­ de wijsheid van Christus verrijkt te worden.
„Ik ben nooddruftig." De ware bidder leert de al zijne verdiensten op juiste waarde te schatten. Hoe verwerpelijk in eigen oog ziet de bidder zich. Alle vrome betrachtingen worden gekend bij het licht van Gods ontdekkenden Geest. En dan is er slechts ééne begeerte om uit de volheid van Christus' deugden te ontvangen hetgeen de ziel behoeft.
De gesteldheid van den waren bidder kenschetst zich door een levend besef van eigen armoede en gebrek. Ware bidders zijn echte bedelaars. Met ledige handen wenden zij zich tot den troon van 's Heeren genade om uit Gods volheid te ontvangen hetgeen zij zoo dringend behoeven.
De ware bidder zoekt ook tevens een pleitgrond voor zijn gebed. Gods Geest geeft ook daarin juiste leiding. Als Abraham, de vader der geloovigen, intreedt voor Lot in Sodom, mag hij pleiten op het onkreukbaar recht Gods, hetgeen niet gedoogde, dat de rechtvaardige met den goddelooze omkwam. Als Mozes de slaande hand Gods tegen Israël ziet opgeheven, wijst hij God op de eere Zijns Naams, opdat Deze zijn geroepen volk zal vasthouden.
Rechte bedelaars zijn zeer scherpzinnig in het ontdekken van pleitgronden, opdat aan hunne wenschen wordt tegemoet gekomen. Ware bidders ontvangen van God de gave der scherpzinnigheid om pleitgronden te ontdekken, waardoor God hun gebed verhooren moet.
Ziet daar het machtig verschil tusschen den sleurbidder, die zich om geen pleitgronden bekommert, en het kind Gods, dat levend gemaakt door Gods Geest, daarnaar zoekt en niet rust voordat hij ze vindt.
De ellende en nooddruft, waarin de dichter verkeert, wordt hem een pleitgrond. Dat klinkt eenigszins vreemd. Immers de ware, de hechte pleitgrond ligt buiten den bidder, in God. Hoe kan dan 's menschen ellende en geestelijke armoede een middel zijn om Qod te bewegen ter verlossing te naderen ?

Ziet, als een kind in droeve omstandigheden tot de moeder roept, wordt er een beroep gedaan op 't teedere, barmhartige gemoed van de moeder. Het schreien van haar kind roept al hare deernis wakker en zij kan niet nalaten ter hulpe toe te treden. Indien een ernstig ongeval een mensch getroffen heeft, zal de ernstige toestand en het smartelijk kreunen het medelijdend hart van den geneesheer bewegen zijn vaardige hand uit te strekken tot leniging der smart.
Welnu, een kind Gods mag een beroep doen op het hart zijns Gods, opdat Zijne barmhartigheden groot zullen worden over Zijn geliefd kind.
Gelukkig, die maar door den nood gedreven zich tot Hem om troost begeeft ! Gelukkig, die zijn hoop in het hachelijkst lot vestigt op den Heere zijnen God!
David bidt om dè spoedige komst des Heeren. „O God, haast U tot mij, Heere, vertoef niet!" zoo luidt zijne smeekbede.
God vertoeft zoo vaak. Het schijnt wel eens alsof God niet luistert naar het zuchtend kermen der Zijnen. God houdt vaak vreemde wegen met Zijn volk. Hoelang heeft Abraham moeten wachten eer hij de vervulling van de belofte Gods ontving ! Hoe lang duurde het gekerm der kinderen Israels, eer God een Mozes riep tot verlosser van Zijn bedrukt volk ?
En toch, hoewel dit toeven Gods strijdig is met de menschelijke wijsheid, het stemt geheel overeen met de wijsheid Gods. Daardoor leert God den bidder steeds dieper zijn afhankelijkheid beseffen. Door dit vertoeven weet hij de begeerte naar Zijne komst te verlevendigen.
„Haast U tot mij, vertoef niet!" Ziet, dat is eigenlijk de korte samenvatting van alle gebed. Het verlangen naar Gods genadige tusschenkomst, de begeerte naar Gods heilige tegenwoordigheid, het hijgen naar Gods liefelijke gemeenschap kan zoo sterk zijn. Immers het kind des Heeren weet het zeer wel, dat God alles met zich brengt om hart en leven te vervullen met Zijne algenoegzaamheid.
„Haast U, vertoef niet!" Ziet dat is de bede geweest van al de Oud-Testamentische geloovigen, die meer dan de wachters naar den morgen uitzagen naar den dageraad van de komst van den Messias.
„Haast U, vertoef niet!" Ziet dit werd de bede van de ware geloovigen in de dagen van het verval der Kerk, opdat de reformatie in leer en leven komen mocht. Dit gebed werd opgezonden, opdat Gods Geest den hof der Kerk doorwaaien mocht en de specerijen des geloofs weder openbaar zouden worden.
„Haast U, vertoef niet!" Ziet deze bede is zoo vaak opgezonden op het sterfbed. Als God Zijn kind bereid gemaakt had om te vertrekken van deze aarde, maar anderzijds de tabernakel des lichaams nog zoo geschud werd, of als de beproevingen des satans nog vermenigvuldigd werden, rees de zielekreet naar boven : „o God, haast U tot mij en vertoef niet!" Breng mij toch in in de heerlijkheid, die Gij toebereid hebt voor al degenen, die U vreezen.
„Haast U, vertoef niet!" Ziet, dit is de smeekbede van de Kerk des Heeren, die heilbegeerig uitziet naar de wederkomst van Christus. De ellende kan hier zoo groot zijn, de smart en de moeite kunnen zoo pijnigen. De voorgestelde heerlijkheid kan zoo voor het oog des geloofs zóó schitteren, dat de dringende smeekbede wordt opgezonden: „Ja, Heere Jezus, kom haastiglijk !" „O God, haast U tot mij; o Heere, vertoef niet."
Gelukkig, die als een smeekeling zijn gebed maar uitstort voor Hem, die leeft om de Zijnen te verhooren.
De ware bidder klimt in zijn gebed op.
Gelijk de leeuwerik van den grond af steeds hooger opstijgt om in de hooge hoogte zijn hooggestemd lied te jubelen, zoo mag de ware bidder doen onder de bezieling des Heiligen Geestes.
David begint zoo laag, hij zit in diepten van ellenden, als hij klaagt : „Ik ben ellendig en nooddruftig." Doch hij mocht hooger stijgen, toen hij smeekte : „o God, haast U tot mij!" En nu mag hij jubelen : „Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder." In God als het hoogste goed mag hij roemen en juichen.
Gij zijt „mijn hulp!" David, ja alle ware bidders met hem, zien nergens uitkomst bij de moeilijkheden des levens, waarin hij verkeert. Doch laten zijne nooden dan groot zijn, laten zijne behoeften dan vermeerderen, hij weet het, God zal hem doorhelpen. Tot het einde toe zal Hij hem ondersteunen en schragen, totdat de hulpelooze bidder zal aanlanden in de plaats, waar alle nood gelenigd en alle behoefte vervuld zal zijn.
„Gij zijt mijn bevrijder." David kent de gevaren, die hem omringen. Hij weet het, dat hij zich niet verweren kan tegen de opdringende en hem omringende vijanden. Doch hij weet tevens, dat God slechts één woord behoeft te spreken om Zijn knecht in de ruimte te stellen.
Gelukkig, die op Gods bevrijdende macht rekenen mag ! Hij toch, zoo getrouw als sterk, zal Zijn werk voleinden.
Zoudt gij, waarde lezer, reeds een ware bidder zijn ? Vertoont gij reeds de echte kenmerken daarvan ? Zijt gij reeds als een boeteling van den troon uwer hoogte afgedaald om uwen God om hulp te smeeken ?
Denk over deze vragen eens na tot beproeving van uw staat voor de eeuwigheid.
Weet, o ware bidders, dat God uwe gebeden gewerkt heeft! Daarom zal Hij u ook verhooren. Immers die verhooring ligt vast in het gebed van den Christus. Deze bede heeft David ook profetisch met 't oog op den komenden Messias gebeden. Jezus Christus heeft dan ook dit gebed opgezonden van Golgotha's kruis. Hij mocht daarna in opstanding en hemelvaart jubelen: „Gij zijt mijn bevrijder !"
In Christus dan ook zal God u niet kunnen vergeten. Hij zal u steeds nabij blijven.
Welgelukzalig dan ook de mensch, die op de school van dien waren Bidder zijn gebed mag nabidden.
Rotterdam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's