De wetgeving van Hammoerapi.
Abram kwam uit Ur der Chaldeën. Hij kwam van de overzijde van de rivier de Eufraat ; daar, waar zijne vaderen andere goden dienden (Joz. 24 vers 2 en 3). Vandaar is hij geroepen door den Heere en gegaan naar Kanaan. (Gen. 11 vers 31 ; 12 vers 1).
Israël is een betrekkelijk jong volk. Het verschijnt op het wereldtooneel, als Babyloniërs en Egyptenaars reeds een eeuwenlange geschiedenis achter zich hebben en reeds een hoogen trap van beschaving hebben bereikt. Van die beschaving der oudste volkeren heeft Israël natuurlijk veel overgenomen, te meer, waar op den bodem van Kanaan Babyloniërs en Egyptenaars elkander hebben ontmoet en de beschaving wederzijds met elkaar in aanraking kwam. Daarbij kwam Israël met de oude bewoners van Kanaan in aanraking en met met de Arabische stammen in de landen ten zuiden van Kanaan woonachtig.
Wél heeft Israël een afgezonderd leven geleid, daar het door den Heere was uitverkoren als Zijn volk. Als een heilig volk, Gode toegewijd, moest het zich steeds verre houden van de heidensche volkeren. De Heere Zelf onderwees daarbij Zijn volk ; zoodat Israël in alles een eigen karakter vertoonde. Zooals de Heere dat volk leidde, deed Hij met geen ander volk 1 Hoewel Israël, door de zondelust gedreven, zich dikwijls van den Heere afwendde om zich met de heidensche volkeren te verzwageren en de zeden en de gewoonten, ook de goden en den godsdienst van de heidenen over te nemen — waartegen vooralde profeten, de mannen Gods, zich krachtig hebben verzet,
Er is en er blijft zoo een tegenstelling tusschen de wijze waarop de Heere Israël onderwees, leerde en leidde en de wijze, waarop Hij de andere volkeren leidde.
Toch maakte de Heere gebruik van 't geen Hij reeds aan de andere en oudere volken, ook uit Noachs gezin gesproten, geschonken had.
Als dan ook Israël opkomt als natie, is onder de oudere cultuurvolken reeds veel en velerlei bekend en geregeld, naar dat God het alzoo in den loop der eeuwen had beschikt.
De oude Babylonische cultuur uit het land van Eufraat en Tigris voor duizenden jaren daar reeds opbloeiend, is ten bewijs.
Meer dan 3000 jaar voor Christus, ca 1000 jaar ongeveer na de schepping — woonden in de Tigrisvlakte de Soemeriërs, die hun naam ontleenden aan 't zuidelijk deel van de Eufraat-en Tigrisvlakte, Soemeer geheeten. Daar lag ook o.a. de stad Ur. De streek meer noordelijk heette Akkad.
Omstreeks 2700 jaar voor Christus — 700 jaar vóór Abram leefde dus - — heerschte in Akkad koning Sargon. Tot zijn uitgebreid rijk behoorde ook Soemeer, in het zuiden, ja, zelfs de kustlanden van de Middellandsche Zee. Hij schijnt de stichter van de stad Babel te zijn.
Sargons wereldrijk ging te niet, maar de koningen van Ur heerschten voortaan, onder den titel „Koning van Soemeer en Akkad", over het tweestroomen land en over de landen, die eertijds het rijk van Sargon gevormd hadden.
De zeer vruchtbare vlakte van Eufraat en Tigris was reeds in den tijd der Soemeriërs in cultuur gebracht; talrijke kanalen en andere waterwerken voorzagen in de geregelde besproeiing van den bodem, iets wat bij de geweldige hitte, die in de landstreek heerscht en den geringen regenval, een vereischte was. Goede wetten regelden de maatschappelijke verhoudingen.
Het vruchtbare cultuurland wekte telkens weer de begeerlijkheid van naburige volken; voornamelijk van de Amorieten, die, uit Arabië afkomstig, zich in Noord-Mesopotamië gevestigd hadden; terwijl uit het zuid-oosten de Elamieten kwamen opzetten om Soemeer binnen te trekken.
Tot die Elamitische overheerschers van het tweestroomenland behoort ook Kedor-Laömer, die in Gen. 14 genoemd wordt als beheerscher van de landen tot aan de Middellandsche Zee („het Westland.")
De Elamieten moesten echter de opperheerschappij al spoedig afstaan aan de Amorieten, de bewoners van 't land Amoerroe, wier koningen Babel verhieven tot hoofdstad van een nieuw wereldrijk, het Babylonische geheeten.
Van deze Amorietische heerschers over dit eerste Babylonische rijk is met name bekend Hammoerapi, misschien dezelfde, die in Gen. 14 voorkomt onder den naam van Amrafel, koning van Sinear. Hij regeerde omstreeks 2100 jaar vóór Christus. Deze wijze koning heeft, de oude Soemerische beschaving gehandhaafd en bevestigd, ook door een uitstekende wetgeving.
Deze wetgeving van Hammoerapi is ons nauwkeurig bekend, omdat in 1902 bij de opgravingen te Susa, Elams hoofd stad, een steenen zuil van 2x4 meter hoog gevonden is, waarop de door hem uitgevaardigde wetten in spijkerschrift gebeiteld staan. Niet minder dan 44 kolommen, elk van ongeveer 100 regels, staan op dat dorietblok, dat zich nu bevindt in het Louvre te Parijs.
Op de zuïl bovenaan ziet men de beeltenis van den koning in biddende houding staande voor Sjamasj, den zonnegod. Daaronder volgen dan de wetten, voorafgegaan door een lange reeks titels, waarmede de koning zichzelf verheerlijkt als den door de goden geroepene, die rijkdom en overvloed aan zijn land geschonken heeft. Hij, de machtige koning, is de zon van Babel, die licht verspreidt over het land Soemeer en Akkad ; hij is de koning, die de vier windstreken in bedwang houdt, de lieveling en gunsteling van de godin Istar, Mardock.— in den Bijbel Merodach geheeten - (de hoofdgod van Babel, ook zonnegod) heeft hem gezonden, zoo verklaart hij, om het land het recht bekend te maken.
De wetten, die dan volgen, zijn in 282 artikelen vervat, waarvan vele sterke overeenkomst vertoonen met de latere Mozaïsche wetten. Zoo b.v. art. 196 : „Wanneer iemand een ander het oog uitslaat, zoo zal men hem zijn oog uitslaan" ; art. 200 : „Wanneer iemand den tand van een ander van zijns gelijken uitslaat, zoo zal men zijn tand uitslaan (zie Ex. 21 vers 24)"; art. 195 : „Wanneer een zoon zijn vader slaat, zoo zal men hem de handen afhouwen" (zie Ex. 21 vers 15) ; art. 117 : „Wanneer iemand in schulden raakt en hij zijn vrouw, zoon en dochter voor geld verkoopt, of ze weggeeft voor het verrichten van arbeid, zoo zullen zij drie jaren lang in het huis van hun kooper of van hun gebieder arbeiden ; in 't vierde jaar zal hun de vrijheid wedergeceven worden" (zie Ex. 21 vers 2).
Ook is het merkwaardig op te merken, hoe de handelwijze van Abraham, die, toen zijn huwelijk met Sara kinderloos bleef, op haar raad haar slavin Hagar tot tweede vrouw aannam, geheel overeenkomt met de zeden van dien tijd en de gewoonten van de bewoners van het tweestroomenland, waar Abraham vandaan kwam. Want art. 145 en 146 van de wet van Hammoerapi luiden : -„Wanneer iemand een vrouw neemt en zij hetn geen kinderen schenkt en hij van plan is een bijvrouw te nemen zoo zal, als hij de bijvrouw neemt en in zijn huis brengt, deze bijvrouw met de echtgenoote niet gelijkstaan" en 146 : „Wanneer iemand een vrouw neernt en deze haren man een slavin tot vrouw geeft en zij (de slavin) hem kinderen baart, en deze slavin zich dan met haar meesteres gelijkstelt, omdat zij kinderen gebaard heeft, zoo zal hare meesteres haar niet voor geld verkoopen ; tot slavernij zal zij haar terugbrengen, haar onder de slavinnen rekenen." (zie Gen. 16 : 1—6).
Uit alles blijkt de hooge trap van ontwikkeling, die het maatschappelijk leven in het Babylonische rijk van die dagen, onder Gods wonder bestel, reeds bereikt had. Een menigte bepalingen waren er met betrekking tot het eigendoms recht, diefstal, roof. de rechten van de krijgslieden, het verhuren van landerijen, het onderhoud van dijken en kanalen, voor de besproeiing, den handel, de slavernij, het huwelijk, het strafrecht, het verhuren van schepen, enz. En alles moest dienen om, zooals mede op de zuil ingegrift staat, alles te doen uitroepen : „Hammoerapi is een koning, die als een vader voor zijn onderdanen is !" Waarbij de machtige en trotsche koning, die zichzelf niet weinig prijst bij deze wetgeving, op het eind allerlei verschrikkelijke verwenschingen laat hooren aan het adres van dien vorst, die het wagen zou op deze wijze woorden geen acht te slaan, deze wetten buiten werking te stellen, op dezen gedenksteen iets te veranderen en in de plaats van 's konings naam daarop zijn eigen naam te laten schrijven.
Geheel zonder gevoel van eigenwaarde is koning Hammoerapi dus niet, daarbij zichzelf telkens noemende de verheven vorst, de goddelijke stadskoning, de zon van Babel, de gunsteling van Mardoek, Babels grooten god !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's